Leesfragment: Mordechai

03 januari 2025, door Marcel Möring

7 januari verschijnt de nieuwe, monumentale, duizelingwekkende familieroman van Marcel Möring: Mordechai! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en bestel vast je boek!

Mordechai Gompertz is de grootste schrijver die Nederland ooit heeft voortgebracht. Zijn vuistdikke romans zijn verfilmd, zijn foto haalde de roddelpagina’s van de kranten. Hij is ongrijpbaar en onaantastbaar. Tot op een dag een woord hem in het verkeerde keelgat schiet. Een onbenullig woord. Een woord waarover iemand als hij zich niet druk zou hoeven te maken. In Mordechai volgt Marcel Möring het tumultueuze leven en werken van een man die nooit ergens bij hoorde en verkoos om ‘vrij’ te zijn, als de Mordechai uit het Bijbelboek Esther die ‘nooit boog of knielde’. De consequenties van die positie doemen op als hij een interviewer buiten westen slaat en hij tegen wil en dank zijn mantel van onafhankelijkheid ontrafelt.

Mordechai is een meeslepend avontuur dat de lezer meevoert in een maalstroom van gebeurtenissen die zich over een periode van meer dan honderd jaar uitstrekken – van Hollywood tot het Oekraïne van de Eerste Wereldoorlog, van Israël tot Bangladesh. Mordechai is Möring op de toppen van zijn kunnen als meesterverteller.

Marcel Möring (Enschede, 1957) debuteerde in 1991 met Mendel, dat met de Lubberhuizenprijs werd bekroond. Voor Het grote verlangen ontving hij de AKO Literatuurprijs en het daaropvolgende In Babylon werd bekroond met twee Gouden Uilen. Voor Dis ontving hij de F. Bordewijkprijs. Zijn boeken zijn in achttien landen verschenen. Hij woont en werkt in een dorp in Friesland.



 

1
Mordechai

Anekdote en achterklap

Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg was hij tweëenzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem. Hij was een haarbreedte verwijderd van een Nobelprijs — en die zou hij waarschijnlijk allang hebben gekregen als hij niet zoveel over joden en zo weinig over politiek had geschreven —, hij bezat een villa in het noordoosten van Nederland en een roodgeverfd houten huis op een eiland in de Stockholmse archipel, zijn boeken waren in vijfendertig talen vertaald en brachten meer geld binnen dan hij met zijn huizen en ex-geliefdes kon opmaken. Hij was jaloersmakend gezond, lang voor iemand van zijn generatie en de weerbarstige bos haar die het zo goed deed op publiciteitsfoto’s was weliswaar grijs geworden maar had niet aan indrukwekkendheid ingeboet. Hij had alles waarvan hij ooit had kunnen dromen, hij was de man die hij altijd had willen zijn en als hij nog wensen zou hebben dan kon hij die elk moment op eigen kracht in vervulling laten gaan.
Als een Gompertz kon hij bogen op een voorgeslacht dat tot diep in de zestiende eeuw reikte. Een verre Amerikaanse nicht had ooit opdracht gegeven tot genealogisch onderzoek en de stamboom die dat opleverde ving aan met een zekere Ephraim (± 1530) in Emmerich en produceerde daarna vijfhonderd jaar lang de ene Ephraim na de andere Mordechai, in Kleef, in Emmerich, zelfs even in de Elzas, tot een van hen van Worms naar Nederland emigreerde. Een geslacht van weerbarstige joden die zich niet voor niets op een bepaald moment met die merk. waardige naam hadden getooid: Gompertz van het Germaanse Gundbert, de strijdlustige, traditioneel een bijnaam voor twee oudtestamentische namen, Ephraim en Mordechai. Die hadden alle eerstgeboren mannen in het geslacht gedragen en iedereen die ooit met een Gompertz te maken had gehad was het erover eens dat de Oudgermaanse betekenis het karakter van vijf eeuwen familieleden beter beschreef dan wat dan ook. In die zin was het niet verrassend dat Mordechai op zijn leeftijd nog zo krachtig kon uithalen dat de interviewer over het rieten salontafeltje in de serre zeilde, twee spots op standaards meenam en, terwijl het geraas verstomde, tot rust kwam tussen de scherven van een theeservies dat nog van Mordechai’s grootmoeder was geweest. De geluidsman en de regisseuse schoten op de interviewer af, terwijl de cameravrouw zich voor Mordechai posteerde om te voorkomen dat die zich op het slachtoffer zou storten, wat overigens helemaal niet zijn bedoeling was.
‘Niet het servies met de rozen!’ zei Rivka, die op het lawaai af was gekomen. ‘Niet het servies van Rebekkah.’
‘Ik heb altijd een hekel gehad aan die kopjes,’ zei Mordechai. ‘Thee drink je uit een glas.’
‘Oude gek!’ riep de regisseuse. ‘Hij deed niets!’
Dat was niet helemaal waar, maar wat hij wel had gedaan leek nauwelijks een logische aanleiding voor Mordechai’s reactie. Net voor de opname zou beginnen was de interviewer, klembord met papieren in de hand, uit zijn stoel gekomen en had hem op iets gewezen, een persoon in de stamboom van de Gompertzen, zijn grootvader Ephraim om precies te zijn. Daarbij had de interviewer een woord gemompeld, waarschijnlijk niet met kwade bedoelingen, eerder als grapje, of hooguit in de hoop het aanstaande interview van wat pit te voorzien. Het was niet alleen het woord dat Mordechai in het verkeerde keelgat was geschoten. Het was ook het interview zelf, dat als warmmakertje voor De Grote Gompertz-biografie moest dienen, het was de interviewer, een geaffecteerde academicus die tegelijkertijd gefascineerd leek door Mordechai’s roem en succes en dat lichtelijk banaal vond, en het was ten slotte de tijd, dat wil zeggen de frictie die Mordechai voelde tussen zijn tijd en die van dit moment. Maar misschien is het beter om te zeggen dat alles hem tegenstond en dat zelfs dat hem tegenstond.
Het was zijn uitgever die had besloten dat het moment was aangebroken voor een geautoriseerde biografie. Ze hadden aan tafel gezeten in iets wat zich ‘bistro’ noemde maar daar niet op leek. Mordechai had de hoogtijdagen van de bistro meegemaakt, hij had erover geschreven voor de Avenue, een blad dat allang niet meer bestond, en zijn hyperbolische verslag van het Parijse uitgaansleven was er mede voor verantwoordelijk geweest dat overal in Nederland in de late jaren zestig fietsenstallingen en garages werden omgebouwd tot restaurant, geblokte kleedjes op ruwhouten tafels werden gelegd, druipkaarsen in chiantiflessen gestoken en lappen vlees van twijfelachtige herkomst op onhygiënische houten planken geserveerd. Hijzelf had de Nederlandse bistro opgegeven toen hij een keer een zwezerik kreeg die eruitzag als een kwak griesmeelpudding. Dat het toen niet tot een handgemeen was gekomen lag niet aan Mordechai’s zelfbeheersing. Hij had de eigenaar van het restaurant achtereenvolgens een moordenaar, een dief en een oplichter genoemd en toen die hem met enige aandrang uit zijn zaak wilde verwijderen, was het Hella Haasse geweest die tussenbeide was gekomen. Hella was toen al de grande dame van de Nederlandse literatuur, een graag geziene gast in koninklijke verblijven en bij officiële gelegenheden. In tegenstelling tot Mordechai, die na een uitnodiging voor een beschaafd partijtje cultureel samenzijn in het Paleis op de Dam tot persona non grata was verklaard omdat hij op de vraag van de koningin of de dame naast hem zijn echtgenote was had geantwoord dat hij zijn vrouw niet mee had mogen brengen omdat zij in zonde leefden en dat hij van een geslacht dat zelf zoveel buiten de deur neukte meer ruimdenkendheid had verwacht. Niet dat hij een vrouw had, of een vriendin. Mordechai had zijn hele leven ‘de evolutionaire val die huwelijk heet’, zoals hij dat ooit in een interview had genoemd, ontweken. Die uitspraak had hem een ongelooflijk aantal aanzoeken opgeleverd, per post, aan de telefoon, er waren vrouwen aan de deur gekomen, een zelfs die onder haar zwarte trenchcoat niets dan een paar pumps droeg. Het was koud geweest. Hij had haar binnengelaten, een broek, een T-shirt en een trui geleend en na een kop koffie naar het station gebracht.
‘Ik heb niets te vertellen,’ had hij tegen zijn uitgever gezegd, een zachtaardig ogende brunette die taaier en harder was dan veel mannen in het vak. ‘En als ik al iets te vertellen had dan was het ongeschikt voor publicatie.’
Hij wist onmiddellijk dat hij dat niet had moeten zeggen. Geen uitgever die de woorden ‘ongeschikt voor publicatie’ kan weerstaan. Francesca deed net of ze ze niet had gehoord.
‘Jij hebt genoeg te vertellen,’ zei ze. ‘Je hebt ze allemaal meegemaakt, je was onderdeel van de complete literaire geschiedenis van de afgelopen eeuw.’
‘Ik dacht dat het een biografie moest worden,’ zei hij. ‘Leven en werken van Mordechai Gompertz of zoiets.’
‘No man is an island.’
Het punt was nu net dat Mordechai wel een eiland was, of zich op zijn minst zo voelde, zich altijd zo had gevoeld. Het tij van de tijd stroomde om hem heen, maar hij was er zelf nauwelijks door aangeraakt. Zijn romans waren niet ‘van deze tijd’, ze waren hun tijd vooruit of juist het tegenovergestelde, waardoor de literatuurwetenschappers nooit hadden kunnen vaststellen of hij nu een traditionalist was, een modernist of een postmodernist. Er waren er zelfs geweest die hem in hun wanhoop postpostmodernist hadden genoemd. Zelf leek hij ook niet door het hevige van het heden aangeraakt. Hij paarde een ouderwets soort vormelijkheid aan een uiterlijk dat vijftig jaar lang ongewijzigd was gebleven en daardoor al drie keer in de mode was geweest: lang, zijn zwaartekracht ontkennend haar, zwart pak, zwarte trui, zwarte schoenen. In Engeland zou iemand als hij ‘his own man’ worden genoemd, maar in Nederland was daar geen woord voor. Waarschijnlijk, had hij ooit in een interview gezegd, omdat de Nederlandse behoefte aan gelijkheid zo overweldigend was dat het helemaal in niemand opkwam om te denken dat men nergens bij wilde horen: ‘We zijn een volk dat zich hartstochtelijk bekent tot de middelmaat.’
Hij had, daar in die bistro, zijn glas geheven en gedronken. Lacrimae christi, 2017, bosbessen en kruiden. Hij moest denken aan de rode aloxe-corton die hij in – wat was het, 1982? – had gedronken met Umberto Eco. De naam van de roos was net een hit aan het worden en zij, beiden op de beurs in Frankfurt, de drukte ontvlucht, waren op aanraden van Eco een restaurant binnengegaan dat weinig aantrekkelijk leek, maar gerechtsgewijs het tegendeel bewees. De eigenaar, een flegmatieke Italiaan die zich had neergelegd bij een leven onder barbaren, zoals hij de Duitsers noemde, had erop gestaan hen persoonlijk te bedienen. Elke gang was gepaard gegaan met de cultuurhistorische wijsheden die hij in de loop van dertig jaar ballingschap had vergaard.
‘Dit boek zal mij de rest van mijn leven achtervolgen,’ zei Eco. ‘Alles wat ik hierna schrijf zal worden afgemeten aan dit boek.’
Hij had erbij gegromd als een beer die wordt gestoord tijdens zijn eten.
‘Niet zeuren,’ had Mordechai gezegd. ‘Vandaag, in deze stad, wensen vierduizend schrijvers dat ze worden getroffen door jouw ongeluk.’
Eco gromde weer eens. Dat kon hij net zo goed als denken en eten.

[…]

 

© 2025 Marcel Möring

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2