9 januari verschijnt het romandebuut van International Booker Prize-winnaar Georgi Gospodinov in de vertaling van Hellen Kooijman: Natuurlijke roman (Estestven roman)! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en bestel vast je boek.
Al in zijn debuutroman toonde Georgi Gospodinov dat hij het romangenre uitdaagt.
In Natuurlijke roman beziet hij de wereld als vanuit het perspectief van een vlieg - een verhaal met vele facetten dat wij, de mens, als geheel de werkelijkheid noemen. Het is het verhaal van een man die onder ogen moet zien dat zijn huwelijk op de klippen loopt. Het is ook het verhaal van het openbaar toilet als centrum van revolutie ten tijde van het communisme. En daarbovenop is het een zoektocht naar het ontstaan van een natuurlijke roman; humoristisch en nostalgisch tegelijkertijd.
Natuurlijke roman verhaalt over alles wat de mens menselijk maakt.
- ‘Gospodinov redt zowel de wereld als de literatuur.’ — Neue Zürcher Zeitung
- ‘Zowel erudiet als grappig. Dat werkt niet altijd, maar in Natuurlijke roman is het een winnende combinatie!’ — Kapital
Opmerking van de redacteur
Hier is het verhaal van dit verhaal.
Als redacteur van een stedelijke literaire krant ontving ik een schriftje. Het zat in een grote, met de hand gemaakte enveloppe, geadresseerd aan de redactie en met mijn naam als ontvanger erop. De enveloppe had geen retouradres, er zat opgedroogde lijm aan de randen. Ik geef toe dat ik de enveloppe met een lichte weerzin opende, en die weerzin werd absoluut niet minder toen ik er het schriftje uit haalde: ongeveer 80 pagina’s, nogal verfrommeld, en aan beide kanten zeer dicht beschreven. Dergelijke handgeschreven teksten brachten nooit veel goeds voor de redacteur. De auteurs, voornamelijk opdringerige oude mannen, kwamen meestal een paar dagen later langs om te vragen of het werk – dat uiteraard het werk van hun leven was – goedgekeurd was voor publicatie. Ik wist uit ervaring dat als je ze niet meteen bot de waarheid zei, en je hun, in verlegenheid gebracht door hun leeftijd, welwillend antwoordde dat je het nog niet helemaal had gelezen, ze je elke week zouden belagen als krachteloze krijgers die vastbesloten waren om tot het einde door te strijden. En hoewel hun einde niet meer ver weg was, deed het getik van wandelstokken op de trap die leidt naar de redactiekamer mij vloeken als een bootwerker.
Het vreemde aan dit schriftje was dat er nergens een titel of auteursnaam stond. Ik stopte het in mijn tas, ik ging er thuis toch maar even een blik in werpen. Ik zou het schriftje altijd nog terug kunnen geven onder het voorwendsel dat we alleen getypt werk accepteren om zo de dingen minstens een paar maanden uit te stellen. ’s Avonds vergat ik dat schriftje natuurlijk, maar de dagen daarna verscheen er ook niemand die een antwoord wilde krijgen. Pas een week later opende ik het. Het was ongelooflijk, maar ik las een van de beste teksten in mijn redacteursbestaan. Een man probeerde te praten over zijn mislukte huwelijk, en de roman (ik weet niet waarom ik besloot dat dit een roman moest zijn) draaide om de onmogelijkheid om over die mislukking te vertellen. Sterker nog… het verhaal van de roman zelf was moeilijk te vertellen. Ik plaatste meteen een fragment in de krant en wachtte tot de auteur zou verschijnen. Ik had er in een kadertje bij geschreven dat het manuscript zonder naam op de redactie was terechtgekomen, waarschijnlijk vanwege de verstrooidheid van de auteur, maar dat we hoopten dat deze zich zou melden. Er ging een hele maand voorbij. Niets. Ik plaatste een tweede fragment. En op een dag verscheen er een relatief jonge vrouw op de redactie. Ze begon een rel te schoppen; de krant bemoeide zich met haar persoonlijke leven. Niet dat ze onze krant regelmatig las, maar een vriendin van haarhad de nummers laten zien waarin de fragmenten stonden die ik had gepubliceerd. Ze beweerde dat de teksten afkomstig waren van haar ex-man, die haar zwart wilde maken. En alle namen die erin stonden waren echt, en ze kon ons daarvoor, zoals haar vriendin ook had gezegd, voor het gerecht slepen. Na deze tirade barstte de vrouw geheel onverwachts in tranen uit, al haar woede verdween en op dat moment zag ze er zelfs lief uit. Ze vertelde me kort dat haar man ooit een heel fatsoenlijk persoon was geweest, o ja en hij schreef overigens ook en had zelfs wat verhalen gepubliceerd. Ze gaf toe dat ze deze zelf niet had gelezen. Hij was nogal doorgedraaid na hun scheiding. Nu was hij een aan lagerwal geraakte zwerver, die in de wijk rondzwierf, hij stond regelmatig in het parkje voor de flat waar ze woonde, precies voor haar ramen, om haar te treiteren en zwart te maken bij de buren.
– Wilt u hem aanwijzen?
– Alsjeblieft nee zeg, zoek hem zelf, hij loopt met een schommelstoel over het marktje bij ons in de wijk. Je herkent hem meteen. En publiceer dit soort fragmenten alsjeblieft niet nog een keer, ik kan er niet tegen, zei ze op verrassend zachte toon en ze vertrok.
Hij hield zichzelf in leven zoals alle zwervers dat doen, maar toch niet helemaal op dezelfde manier. Hij graaide niet in vuilnisbakken, dat hadden ze hem in ieder geval nog nooit zien doen. Hij bracht oud papier terug. Hij was meer van het vriendelijke soort gekken. Hij hing wat rond op de markt, deed kleine klusjes, ’s avonds zorgde hij ervoor dat de spullen niet gestolen werden, in ruil waarvoor hij tomaten, paprika’s, watermeloenen kreeg… wat er ook maar in dat betreffende seizoen voorhanden was. Dit vertelden de marktkoopmannen mij nadat ze mij meerdere malen hadden gevraagd of hij niet toch door de politie werd gezocht. Echt veel wisten ze niet.
Ik vond hem in het buurtparkje. Hij zat daar te wiegen in de schommelstoel, mechanisch, alsof hij in trance was. Samengeklit haar, een T-shirt dat zijn kleur had verloren, een spijkerbroek en gymschoenen die aan de voorkant gescheurd waren. O ja, en een magere zwerfkat opgerold op zijn schoot. Hij streelde haar, al net zo mechanisch. Hij was niet ouder dan veertig, vijfenveertig jaar. Ze hadden me van tevoren gewaarschuwd; hij zei meestal niets, maar ik kwam natuurlijk met goed nieuws. Ik stelde me voor. Het leek alsof hij glimlachte, zonder mij aan te kijken. Ik had twee exemplaren van de krant waarin zijn verhalen waren gepubliceerd bij me. Toen ik hem vroeg of hij de auteur was, knikte hij alleen maar, zonder uit zijn trance te komen. Ik probeerde hem uit te leggen hoe goed de tekst was, sprak met hem over publicatie, vroeg naar zijn andere werken. Geen reactie. Ten slotte haalde ik al het geld dat ik bij me had tevoorschijn en gaf het aan hem, waarbij ik zei dat dit het honorarium was. Het was duidelijk dat hij het niet gewend was om geld te krijgen. Voor het eerst sinds ik bij hem was reageerde hij, ietwat van de wijs gebracht, alsof hij wakker werd uit zijn roes, en keek me aan.
– ‘Je gaat scheiden, nietwaar, mijn vriend?’ Het klonk bijna vriendelijk, zoals iemand die zijn medeleven betuigde.
Verdomme, ik had niet verwacht dat het zo duidelijk van mij af te lezen was. Afijn, ik zag er in ieder geval beter uit dan hij. Niemand van mijn vrienden wist het nog. Een paar dagen geleden hadden mijn vrouw en ik de scheiding aangevraagd.
Ik vroeg hem opnieuw naar zijn naam, aangemoedigd doordat hij eindelijk wat had gezegd.
– ‘Georgi Gospodinov.’
– ‘Maar dat is míjn naam.’ Ik schreeuwde bijna.
– ‘Ja, dat weet ik.’ Hij haalde onverschillig zijn schouders op. ‘Vroeger las ik de krant. Ik ken nog minstens zeven andere mensen met dezelfde naam.’
Verder zei hij niets meer. Ik liet hem daar achter en probeerde zo snel mogelijk weg te komen. Dit alles begon zich te ontwikkelen tot een slecht verhaal in een feuilleton. Misschien kon ik zijn vrouw bellen en naar zijn naam vragen, zo bedacht ik ineens. Voordat ik de hoek omsloeg, hield ik het niet meer uit en draaide me om. Hij zat daar nog steeds op dezelfde manier, in de gevlochten stoel, ritmisch heen en weer wiegend. Zoals die plastic handjes die vroeger op de achterruiten van auto’s werden geplakt.
Een jaar later zocht ik hem opnieuw op. Ik had ondertussen een uitgever gevonden die ermee instemde het hele manuscript te publiceren, en ik moest hem vinden om het contract te ondertekenen. Ik betwijfelde of ik hem mee zou kunnen krijgen naar de uitgever, dus had ik het contract meegenomen. Het was laat in het voorjaar. Ik had zijn naam intussen al van zijn vrouw gehoord en had met moeite de gelijkenis moeten verkroppen. Ik voelde me een beetje schuldig tegenover de beste man, alsof ik walgde van het feit dat zo’n omlaaggevallen type dezelfde naam droeg. Het contract met de uitgeverij voorzag in een behoorlijke vergoeding, waar hij zeker profijt van zou hebben. Ik struinde door het plaatselijke parkje, maar kon hem niet vinden. Ik zocht hem op de markt. Ik vroeg naar hem bij een van de verkopers, van wie ik dacht dat ik hem al eerder had gesproken.
De man wist niets. Hij had hem, zo vertelde hij, voor de laatste keer in de herfst gezien, in oktober… Nee wacht, begin november van het vorige jaar. Sindsdien was hij niet meer opgedoken. Waarna de man met zijn hand zwaaide en tussen neus en lippen door opmerkte hoe verrekte koud het was geweest afgelopen winter, maar dat die Getikte Pendule (zo noemden ze hem) blijkbaar toch van plan was de hele winter op die schommelstoel te blijven zitten… Terwijl hij mij dit vertelde, verkocht de man een kilo tomaten, twee kilo komkommers en een paar takjes verse peterselie, en probeerde hij ook mij wat van zijn waren aan te smeren. Dit alles met een onverschillige, enigszins schelle stem. Ik had zin om al zijn tomaten een voor een te pletten, daarna de blaadjes van de peterselietakjes te plukken, van het geheel puree te maken en daar zijn hoofd in te duwen.
Hoe kon het dat geen van de verkopers, de enigen met wie de zwerver ooit praatte, iets voor hem had gedaan? Geen idee wat, misschien hem een kamertje verschaffen voor de winter, desnoods een kelder… Maar geleidelijk aan verdween mijn woede en dook de onvermijdelijke vraag op: waarom had ik zelf niets gedaan voor deze pechvogel? Ik maakte dat ik wegkwam van de markt, zocht een bankje in het park niet ver van de plek waar ik een jaar geleden voor de eerste en kennelijk laatste keer had gesproken met de man in de schommelstoel. Die bovendien vanwege een vreemd toeval, waarom leek het alsof toevalligheden altijd vreemd waren, dezelfde naam had als ik.
Maar het had evengoed anders kunnen lopen, zei ik tegen mezelf. Misschien had de man het heft in eigen hand kunnen nemen, had een publicatie in de krant hem uit zijn eeuwige stoel getild en was hij nu ergens aan het werk, was hij zelfs weer aan het schrijven, had hij een appartement gehuurd, had hij een andere vrouw gevonden. Even probeerde ik me hem voor te stellen in de woonkamer van zijn flatje, voor de tv, pantoffels aan zijn voeten, in een versleten maar schone broek, een dikke trui, nog steeds zittend in de schommelstoel. Met op zijn schoot die straatkat die ik hem ook toen al zag strelen. Hoe meer ik dit beeld in mijn bewustzijn tot leven liet komen, hoe onwerkelijker het me scheen. Uiteindelijk haalde ik het contract met de uitgever uit mijn tas en deed het laatste wat ik voor mijn naamgenoot kon doen. Ik ondertekende het.
© 1999 Georgi Gospodinov
© 2025 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Hellen Kooijman