Vanaf medio april is Georgi Gospodinov onze nieuwe bovenbuurman als writer in residence in het Letterenfondsappartement aan het Spui. Tijd om zijn roman De dood en de tuinman (Gradinaryat I smurtta, vertaald door Hellen Kooijman) te lezen, tijd voor een fragment.
Gospodinovs vader behoorde tot de generatie tragische rokers, geboren vlak na de Tweede Wereldoorlog in Bulgarije, die vaak afwezig waren en zich aan de sigaret vastklampten. Van een veronachtzaamd dorpsplantsoen creëert hij echter een bloeiende tuin; zijn redding, maar ook zijn ondergang. Zijn levende nalatenschap: pioenrozen en aardappelen, rozen en kersenbomen – en eindeloze verhalen. De dood en de tuinier is een roman over een vader, een zoon en een verwaarloosde tuin in een verdwijnende wereld die zich uitstrekt van het oude Ithaka tot het huidige Sofia, en die verdriet, de troost van verhalen en de komst van de eerste lentetulpen met elkaar verbindt.
1
Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.
Ik weet niet waar ik moet beginnen. Laat dat het begin zijn. Dit boek gaat natuurlijk over het einde, maar waar begint het einde?
Ik heb, denk ik, in mijn broek geplast, zei mijn vader, terwijl hij op de drempel stond. Hij stond in de opening van de achterdeur, pijnlijk vermagerd, ietwat krom, met die gebogen houding van lange mensen. Ze brachten hem laat in de avond, eind november. Hij had driehonderd kilometer gereisd, liggend op de achterbank, om de pijn een beetje te verzachten. Het was me gelukt een afspraak te maken voor een onderzoek de volgende dag.
Ik heb in mijn broek geplast, herhaalde hij, beschaamd als een klein kind, zichzelf verexcuserend en met die voor hem zo typische zelfspot, staan we op onze oude dag toch nog voor schut.
Het is oké, zei ik, en we begonnen zijn kleren uit te trekken in de hal, terwijl we de deur naar de woonkamer dichtdeden.
Ik ben bang, fluisterde mijn dochter in mijn oor. Nu besef ik dat zij de eerste was die het merkte. Ik wist het nog niet, ik wilde het niet weten.
Laat ik hier al verklappen dat aan het einde van dit boek de held sterft. Nee wacht, niet aan het einde maar al ergens in het midden, hoewel hij weer tot levend komt in alle verhalen over hem, of ze zich nu afspelen voor of na zijn dood. Omdat, zoals Gaustin ook al zei, in het verleden de tijd niet slechts in één richting stroomt.
Toen ik klein was, pakte ik uit de boekenkast altijd een boek dat geschreven was in de eerste persoon enkelvoud, omdat ik dan zeker wist dat de hoofdpersoon niet dood zou gaan. Welnu, dit boek is geschreven in de eerste persoon, ondanks dat de echte held erin sterft.
Overleven doen enkel de vertellers van verhalen, hoewel ook zij op een dag zullen sterven.
Overleven doen enkel de verhalen.
En de tuin die mijn vader aangeplant had, voordat hij stierf.
We zullen hierover zeker vertellen. We zullen nog een parallel pad aanleggen (om in tuintaal te blijven…), waarin de wereld en alles erin op zijn plaats valt, we zullen het verhaal omleiden naar een ander plantenbed wanneer het gevaarlijk dreigt te worden en de dood te dichtbij komt, zoals een tuinman het water omleidt naar het volgende plantenbed in de tuin.
Ik wil dat er licht is op deze pagina’s, een zacht namiddaglicht. Dit is geen boek over de dood, maar over het verdriet over een leven dat er niet meer is. Dat zijn twee verschillende dingen. Een verdriet over zijn met honing gevulde honingraat, maar ook over de lege honingcellen, daarover zelfs nog meer. Verdriet over die honingraat, waar de kaarsen van bijenwas aan doen herinneren als ze opbranden in onze handen.
Niks aan de hand, zoals hij altijd zei.
2
Met dit notitieboekje waarin ik nu schrijf (ik schrijf al dertig jaar in notitieboekjes), ben ik geheel onschuldig begonnen in oktober. Hij had al pijn. De signalen waren al daar, voor onze neus, maar de duiding kwam pas later. Ik was weer ergens naar afgereisd, ditmaal naar Krakau.
Oké, en als je terug bent, kom dan even hiernaartoe, om een paar dagen uit te rusten.
Het was een onmenselijk intensief jaar met ontelbaar veel reizen. Kom even hiernaartoe, om een paar dagen uit te rusten… Ik besteedde er toen geen aandacht aan. Hij mopperde altijd dat we zo weinig langskwamen, dat we geen rust namen. Ik ontwaar nu andere dingen in deze woorden. Kom even hiernaartoe, hoor ik nu, om even bij mij te blijven, ik voel me niet zo goed, ik weet niet of ik de winter doorkom.
Tijdens diezelfde oktobermaand, toen we elkaar nog even zagen, voordat ik vertrok, bij de struik met de laatste rozen van oktober:
Hè verdorie, iets doet pijn in mijn rug.
Je rug?
Ja, en dan trekt het naar boven.
Tot waar precies?
Tot aan de schouders. En het drukt op mijn borst.
Hij ging naar de dokter in de stad. Ze gaven hem pillen. Bij wie deed de rug nou niet af en toe pijn, en dan met al dat werk in de tuin… In het begin hielpen de pillen.
Er stond nog een laatste reis naar Portugal in de agenda en verder niks meer dat jaar.
Hoe gaat het met je, hou je het nog vol?
Niks aan de hand, zei hij. Niks aan de hand, het waren zijn lievelingswoorden. Een kant-en-klaar antwoord op elke vraag.
Doet je rug nog veel pijn?
Welnee, niks aan de hand.
Het lijkt wel alsof je afgevallen bent.
Er is niks aan de hand.
Maar, zo realiseer ik me nu, terwijl ik die oktobermaand opnieuw en opnieuw door mijn hoofd laat gaan, zei hij toen we elkaar bij het afscheid omhelsden, voordat ik in de auto stapte, nog wat: Niks aan de hand, ik wacht wel tot je terug bent.
Had ik het toen door? Ja en nee.
Op zijn negenenzeventigste onderhield hij een enorme tuin vol groente, fruit en bloemen. In die tuin stond alles – tomaten, paprika, aardappelen, mais, aardbeien, pioenrozen, gewone rozen, tulpen, jonge boompjes. Zaaien, wieden, water geven, omspitten, besproeien, opbinden… We hadden afgesproken dat hij zou stoppen, het wat rustiger aan zou gaan doen. Ik herinner me dat ik toen al bij die laatste roos van oktober, die lichtpaarse, zei dat als hij zo zou doorgaan en niet naar de dokter ging, hij er nog eens bij zou neervallen en de tuin voor zijn ogen door onkruid zou worden overwoekerd. Het is vreemd hoe woorden als de tijd, het lot of hoe we dat ene, dat verborgen ligt in de toekomst, ook noemen, zich in onze oren knoopt. Terugblikkend zie ik nu pas hoe wreed mijn commentaar was.
3
Ik wist dat deze tuin speciaal was. De tuin redde zijn leven na de eerste kanker, gaf hem zeventien jaar erbij, maar zou zijn leven ook beëindigen. De tuin ontstond vanuit het niets in een leeg binnenhof van een huis in het dorp, gekocht door mijn broer. Hier voel ik mij het beste, zei hij. De chemotherapieën en bestralingen hadden hem zeker geholpen, maar ook uitgeput. Ik herinner me dat zijn oude lach nooit meer terugkwam, dat heldere en opgewekte humeur. Hij zweeg langer dan gewoonlijk, schudde soms alleen maar met zijn hoofd in een soort geluidloze monoloog.
De tuin was zijn andere mogelijke leven, zijn stem en alles wat verzwegen werd. Hij sprak via de tuin en zijn woorden waren appels, kersen, grote rode tomaten. Het eerste wat hij deed als ik op bezoek kwam, was me rondleiden en me alles laten zien. De tuin was elke keer weer anders.
Ik hield ervan om daar te zijn, vooral in de lente, om mijn hoofd tussen de takken van de vroeg bloeiende pruimenboom te begraven, mijn ogen te sluiten en te luisteren naar het zoemende zen van de bijen. Soms was ik heimelijk jaloers op de tuin, als ik naar mijn vader keek, hoe hij, mager en met blote bast, met de schoffel zwaaide. Hij en de tuin werden één, hij liet de tuin niet met rust, maar ook de tuin liet mijn vader niet meer los. Er was een speciale noodlottigheid tussen hen, een faustische overeenkomst. Ik stelde me voor hoe de tuin hem langzaam van zijn krachten beroofde. Hoe het fruit en de rozen zich met hem voedden en dat hoe roder de kersen, tulpen en tomaten kleurden, hoe bleker mijn vader werd.
Mijn vader slaagde erin om elk stukje grond te veranderen in een tuin, elk huis in een thuis. Dat getuigde van vakmanschap. Elk appartement waar we introkken, en Joost weet waarom maar we verhuisden vaak, werd op een bepaalde manier ‘van ons’. Daarom voel ik me nu los van al het andere ook thuisloos. Ik vergeet nooit hoe hij het zelfs voor elkaar kreeg om de tuin zelf te verhuizen. Hij haalde voorzichtig de bollen van de hyacinten, narcissen en ooievaarsbekjes, de pioenrozen en tulpen uit de grond, hij had een lievelingstulp, een donkerblauwe Hollandse, waar hij nooit afscheid van nam en die hij telkens weer in de tuin van een nieuwe woning plantte.
Zijn bloemen in wezen geen geheime periscopen van de doden die onder hun wortels begraven liggen en die de wereld bekijken door hun steeltjes?
Ja, mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin.>
© 2024 Georgi Gospodinov
© 2026 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Hellen Kooijman