28 november verschijnt Alba de Céspedes’ Niemand kan terug (Nessuno torna indietro) in de vertaling van Manon Smits! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment, en reserveer je boek.
- ‘Deze buitengewoon intelligente roman uit 1938 van De Céspedes (1911–1997), evenaart de moed van de auteur in Verboden schrift.’ – Publishers Weekly (Starred Review)
De jonge vrouwen die studeren aan het Grimaldi-college verlangen naar een nieuw, een ander soort leven. Onder toezicht van de nonnen die het college leiden, vormen acht van hen een hechte groep, waarin ze vertrouwelijke zaken en hun hoop voor de toekomst met elkaar delen. Maar elk van hen heeft ook haar eigen geheimen: een kind uit een vroege liefdesaffaire, gefrustreerde artistieke ambities, brandende verlangens en kleinzielige jaloezie. Naarmate de maanden verstrijken, beginnen hun wegen uiteen te lopen, terwijl elke vrouw worstelt met haar eigen idee van vrijheid.
Niemand kan terug is een virtuoos, aangrijpend groepsportret dat bij zijn verschijning in 1938 radicaal nieuw was in de weergave van het leven van moderne vrouwen en onmiddellijk werd gecensureerd door de fascistische autoriteiten. Een list van De Céspedes’ uitgever Mondadori zorgde gelukkig voor ruime verspreiding.
- Niemand kan terug laat zien waarom De Céspedes een belangrijke plaats in de canon van de vrouwenliteratuur verdient.’ – Chicago Review of Books
I
Op de laatste woorden van de zuster die het avondgebed had voorgelezen, antwoordde het lusteloze koor van meiden: ‘Amen.’ Toen viel er een stilte, doordrongen van ongeduld; sommige meiden staarden als betoverd naar de brandende kaarsen op het altaar, andere keken om naar achter in de kapel, wachtend tot ze met een gebaar van de moeder-overste in vrijheid zouden worden gesteld. Ze praatten niet eens met elkaar, zozeer popelden ze om weg te kunnen. Even later vertrokken ze twee aan twee, in een keurige, compacte rij; ze liepen door de grote vestibule, waar het laatste zonlicht nog bleef hangen op het matglazen raam van de voordeur.
De meiden waren allemaal al jonge vrouwen, en ze droegen verschillende kleren; ze trokken hun sluier van hun hoofd zodra ze bij de trap aankwamen, alsof dat ook weer een teken was, en vielen uit het gelid. De stilte sloeg om in een druk gebabbel, het gelach klonk eerst nog gedempt en daarna steeds openhartiger en gedurfder.
Ze praatten over de universiteit, over hun professoren, sommigen fluisterden elkaar geheimen toe. Een van de zusters klapte zachtjes in haar handen en zei: ‘Genoeg, meisjes, genoeg, naar jullie kamers.’ Ze was de enige zuster tegen wie de meiden niet in durfden te gaan. Ze was dan ook anders dan de andere nonnen: lang, slank en nog jong, ze had een welluidende stem en dunne, witte handen; als zij sprak luisterden de meiden peinzend, en intussen deden ze als vanzelf wat ze vroeg.
Ze liepen dan ook direct de trap op, alleen Vinca treuzelde en vroeg zoals elke avond: ‘Mag ik bellen, zuster Lorenza?’
De dichtstbijzijnde meiden draaiden zich om en luisterden mee; Valentina trok Vinca zo hard aan haar mouw dat ze haar liet wankelen.
‘Het is al laat, Vinca, je kunt beter morgenochtend bellen.’
‘Maar ik…’
‘Morgenochtend, zei ik. Nu ga je slapen of studeren. Welterusten.’
De vriendinnen rondom haar grinnikten: ‘Mislukt, mislukt…’
‘Ze kan het gewoon niet hebben,’ zei Vinca, ‘omdat zij hier binnen zit opgesloten. Maar het maakt niet uit, ik ben moe, ik ga slapen.’
‘Ik ben ook moe,’ zei Augusta. Zij was de oudste van alle studentes op het Grimaldi. Ze was al minstens dertig; ze was lang, maar ook fors, met een wilde bos zwarte krullen. Ze wenste de zusters goedenacht, pakte Vinca bij de arm en samen liepen ze de trap op.
Intussen liep er een mollige blondine vlug tussen iedereen door naar een paar meiden, tegen wie ze fluisterde: ‘De afspraak is in 63.’
De anderen reageerden met een vluchtig, behoedzaam knikje. Daarna gingen ze op in het donker van de lange gangen en verdwenen in hun kamers.
Kamer 63 geurde naar gedroogde, gevulde vijgen; Silvia kreeg er vanuit Calabrië altijd grote manden vol van, die ze boven op haar kast zette – als haar vriendinnen er zin in hadden klommen ze op een stoel en visten in de mand. Silvia lag op haar bed, het leek of ze sliep. Sinds ze op het Grimaldi was, nu al meer dan drie jaar, droeg ze altijd rouwkleding. Ze had dofzwarte vlechten rond haar hoofd gewikkeld, een olijfkleurige gezichtshuid, donkere, ietwat schele ogen onder haar zware oogleden, die glansden alsof ze vettig waren.
Door de zwarte kleren die aan de muren hingen leek het alsof ook haar kamer in de rouw was, waar de meiden ’savonds na het eten vaak bijeenkwamen om te studeren; eigenlijk zouden ze liever gaan slapen, ze moesten moeite doen om hun ogen open te houden. Alleen Xenia was altijd klaarwakker. Zij bepaalde: ‘We gaan’, en dan durfden de anderen niet te weigeren.
De lamp hing laag boven de tafel waaraan Valentina zat te lezen, verkleumd van de kou; het was half november, maar het beloofde een strenge winter te worden. Even later legde ze haar boek weg, keek naar het bed en vroeg: ‘Slaap je, Silvia?’
‘Nee hoor, ik lig te denken.’
‘Je sliep wel…’
‘Nee. Ik lag te denken dat er morgen een groot feest is in mijn dorp; dan bakt mijn moeder pizza met rozijnen, er wordt een groot houtblok in de haard gelegd en al mijn neven en nichten komen bij ons thuis eten.’
‘Zou je liever daar willen zijn?’
‘Nee.’ Toen voegde ze er weifelend aan toe: ‘Ik bedoel, ik weet niet. Morgen wel, ja. Voor een paar dagen, misschien. Maar dan zou ik me weer schuldig voelen omdat jullie hier zitten, en omdat ik nog zoveel moet doen. Er is geen tijd te verliezen.’ ‘Ja, dat is zo,’ beaamde Xenia, ‘ik krijg ’snachts soms de zenuwen; dan doe ik geen oog dicht en lig ik maar te piekeren dat ik hier zit opgesloten in dit nonnenklooster, terwijl buiten het leven voorbijglijdt, en wie weet, misschien wel het geluk voorbijkomt, maar ik kan het niet benutten. Je moet je er halsoverkop in storten, je moet het bij de lurven grijpen. Ik ga hoe dan ook nooit meer terug naar Veroli.’
Ze werd onderbroken door Anna, die binnenkwam met de woorden: ‘Hé meiden, hebben jullie de maan gezien vanavond?’ Ze liep naar het raam en deed het open. ‘Augusta is gaan slapen, Vinca heeft niet kunnen bellen. O, ik zou zo graag willen dat ik Spaans kon, zodat ik kon verstaan wat ze elke avond tegen Luis zegt.’
‘Wat zou ze tegen hem moeten zeggen?’ reageerde Xenia. ‘Dezelfde dingen die wij zeggen.’
‘Die wij tegen niemand zeggen,’ preciseerde Valentina.
‘Komt Milly ook niet? En die nieuwe van 28?’
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Valentina. ‘Ik heb het ze wel laten weten.’
‘Milly zegt dat ze moe is, dat ze naar bed gaat, maar vervolgens ligt ze nog uren te lezen. De nieuwe heeft gezegd dat ze komt, maar misschien doet ze hetzelfde als gisteravond.’
‘Ik snap niet wat zij hier komt doen,’ zei Silvia vanuit haar bed. ‘Ze heeft geen enkel boek bij zich, ze zegt dat ze kunstgeschiedenis wil studeren, ik ben benieuwd, ze kent Frans, Engels… zeg maar het soort opleiding van mensen die niks weten. Maar ze is geen gewone meid. Ik vind haar irritant, want ze heeft zich gewoon aan ons opgedrongen.’
‘Nee, dat is niet waar.’
‘Jawel. Zij is de enige die we meteen na aankomst hebben uitgenodigd om bij ons te komen. Toen ze aan tafel kwam, in de refter, was jij, Xenia, degene die meteen tegen haar zei: “Blijf bij ons, de groep van letteren.”’
‘Heb je daar nu spijt van?’
‘Nee, maar…’
‘Zo is het genoeg,’ besloot Anna. ‘Laten we van de maan genieten.’ En voordat de anderen konden instemmen deed ze het licht uit.
Door het raam, half afgedekt door het kozijn, stroomde een golf licht over de vloer. Valentina, die aan de tafel zat, werd erdoor geraakt en sprong overeind. ‘Met deze maan,’ zei Silvia, ‘is in mijn dorp vast iedereen naar buiten gegaan om te zingen.’ Door het kozijn zagen ze maar een kleine rechthoek van de hemel boven de donkere, gezwollen boomkruinen van de Villa Borghese.
‘Er zijn daar gewoon nog mensen aan het wandelen om deze tijd,’ zei Valentina zachtjes.
‘Ja, vrije mensen,’ voegde Xenia eraan toe.
Ze zaten nog steeds met het licht uit toen Emanuela binnenkwam, die hen in eerste instantie niet herkende, ze dacht zelfs dat ze in de verkeerde kamer was beland; ze zei: ‘O… sorry!’ en wilde weer weggaan.
Maar Xenia riep haar terug: ‘Kom binnen, kom binnen, wij zijn het. We zaten naar de maan te kijken, maar doe gerust het licht aan als je wilt.’
Emanuela bleef zwijgend in het halfdonker staan. Toen ze door de gangen liep had ook zij graag naar buiten willen kijken, maar voor de grote ramen waren de luiken dichtgedaan en afgesloten met een hangslot.
‘Wat kom jij hier doen?’ vroeg Silvia.
[…]
© Mondadori Libri S.p.A., Milano, 2022
© 2025 Nederlandse vertaling Manon Smits