Leesfragment: Overgave op commando

15 april 2025, door Nadia de Vries

22 april verschijnt het nieuwe boek van Nadia de Vries, Overgave op commando! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer dat boek.

Schelvis groeit op onder de rook van de staalfabriek in een klein dorp aan de kust. Alle dorpelingen werken in de fabriek, of in een van de omliggende magazijnen, tot aan hun dood. Maar Schelvis en hun vrienden dromen van een ander lot: ze willen geen dienaars, maar meesters worden. De grote stad lijkt mogelijkheden te bieden. Lukt het Schelvis om los te breken? En hoe radicaal moet hen daarvoor zijn? Overgave op commando gaat over het verschil tussen mensen die hun lot mogen kiezen en mensen die hun lot moeten ondergaan.



De zon werpt een held op. Verraadt het land.

Sinds ik volwassen ben voel ik me als iemand die hersteld is van een ziekte. De dagen van dwang waren eindelijk voorbij, de turnbok en de springkast hoefde ik niet langer te vrezen. Noch de grillen van de mensen die zich mijn meerderen noemden. Vanaf de eerste dag dat deze wetenschap de mijne was, ben ik alleen maar gelukkig geweest. Ik overdrijf maar een klein beetje.
In de laatste jaren van mijn jeugd hoorde ik bij een kleine groep zonderlingen. We kwamen allemaal uit gezinnen die bestierd werden door broze mensen, en het merendeel van onze opvoeding was aan toeval onderhevig. We groeiden op met episodes van banaal geweld. Dan vloog er weer een vaas tegen de wand, of veranderde een vuist een meubelstuk in schroothout. Wanneer iets onherstelbaar stuk was, tekenden we het na.
Anderen hadden geluk en doorstonden slechts buitenshuis fysieke schade. Zo ook ik, voel maar – op mijn linkerwang heb ik nog steeds een prominente bobbel littekenweefsel. Er is een periode geweest waarin ik de bobbel routineus insmeerde met een vochtinbrengende crème, in de hoop hem te doen slinken, maar het mocht niet baten. De bobbel herinnert me aan de grenzen die ik heb overschreden.
Als ik een plastisch chirurg kon betalen, zou ik de bobbel laten weghalen. Maar ik kan geen plastisch chirurg betalen en daarom zit ik vast aan wat ik heb, net als mijn oude vrienden, die het dorp nooit hebben verlaten, en die met weemoed terugdenken aan de hoogtijdagen van hun glorie. Zo stel ik ze me, althans, voor.
Mijn oude vrienden waren gewonde mensen. Ze relativeerden de zaken door de lens die hun was aangeleerd. Spot was de taal waarin ze het leven prezen, het leven alsook de mensen erin, en als hun kameraad genoot ik geen uitzondering op de minachting die ze voor anderen hadden. Mijn vrienden leerden me wat rancune was. En manipulatie. Tot mijn spijt ben ik een volgzaam dier dat gedijt bij heldere instructies. Een verteller of een illusionist kan me alles laten doen wat hij wil. Dat is de prijs die ik betaal voor bewondering. Als liefhebber van mooie dingen bewonder ik veel, en het staat me goed: ik ben in mijn element wanneer ik mijn hand onder mijn kin houd en opkijk met een blik van groot verlangen, ook wanneer het me pijn doet, of in gevaar brengt.
Als ik over mijn wang strijk weet ik meteen weer waar ik vandaan kom, ik weet heel goed hoe ik heet. Mijn naam is Schelvis.
Aangenaam!
Het dorp waarin ik opgroeide telde tweeduizend inwoners in de winter. In de zomer kwamen daar nog eens vijfhonderd mensen bij. Deze mensen bezaten een huisje op ons strand, ze beschikten over dure honden en vakantiedagen. Wij, de dorpelingen, hadden weinig met deze mensen te maken. De meesten van ons werkten in de fabriek, die het hele jaar gruis en wolken over de kustlijn uitspuugde. Het werk in de fabriek bezorgde ons rijbewijzen en gevulde koelkasten, we namen de wolken voor lief, alhoewel zij natuurlijk ook nadelen kenden. Dankzij de fabriek bezat geen van ons witte kleren. Zelfs de communiejurken werden grijs na een middag aan de waslijn, en de gemiddelde long in ons dorp leek op röntgenfoto’s Randstedelijk.
Zij die niet in de fabriek werkten, hadden een baan in een van de lokale distributiecentra. Deze mensen waren orderpicker van beroep. Orderpickers ‘vulden’ bestellingen, zoals dat heette, en verplaatsten de hele dag lang objecten van een magazijn naar een depot. In deze magazijnen lagen de boodschappen van de wijde omtrek opgeslagen. Zonder de handen van mijn dorpsgenoten hadden de omliggende steden geen rijkgevulde schappen met koffiefilters, rijstbuiltjes en toiletpapier. In het griepseizoen deed het gebrek aan arbeidershanden de printers ratelen, en werden a4’tjes met vertraagde levertermijn op de landelijke stellages geplakt.
Net als de mensen in de fabriek zagen de orderpickers zelden zonlicht. Hun levens ontvouwden zich in afgesloten ruimten, zonder ramen, en zonder een klok aan de muur. Binnen de muren van de distributiecentra verstreek de tijd op kousenvoeten. De seizoenen kwamen en gingen zonder goed en wel opgemerkt te worden, zodat niemand ooit klaagde over het weer, het licht of de naderende feestdagen. Alle dagen leken op elkaar.
De isolatie van de buitenwereld gaf mijn soortgenoten een zekere vrijheid. In de afgesloten ruimten van onze werkgevers konden we dragen wat we maar wilden, omdat geen klant ons ooit zag. We bepaalden onze eigen kleren, de kleur van onze haardracht en zelfs het volume van onze lichaamsgaten. We staken piercings in onze wenkbrauwen en kinnen, onze neuzen en onze wangen, oren en tepels. Onze armen versierden we met tatoeages van wolven en draken. Wanneer het zomer werd en we onze lange haren zat waren, scheerden we onze schedels in een bijzonder patroon. Niemand kraaide naar de staat van onze lijven: dit is het voordeel van onzichtbaarheid.
Mijn moeder was een orderpicker. Ze droeg leren broeken en stiftte haar lippen dagelijks zwart, uit dedain voor de goden.
In ons dorp was er één supermarkt, die tevens dienstdeed als tabakszaak en apotheek. We kwamen er voor brood, vlees, tomaten, ansichtkaarten, verdelgingsmiddelen en drukverbanden. Bij de balie verkochten ze sigaretten en pijnstillers, en pasjes waarmee je het kopieerapparaat kon gebruiken. Er was ook een plastic stellage gevuld met schepsnoep. Het snoep mocht niet zelfstandig geschept worden omdat de winkeleigenaar ons niet vertrouwde. Mijn favoriete snoep was de apenkop, die tien cent per stuk kostte. Ik beet graag eerst de oren eraf, en sprak de aap dan badinerend toe voordat ik hem genade toonde.
De supermarkt verkocht ook bloemen, die alleen door buitenstaanders werden gekocht. Wij dorpelingen plukten onze bloemen aan de kant van de weg. Daar groeiden klaprozen en margrieten, in de lente was er ook duizendschoon. Regelmatig vonden we hele boeketten, die waren neergelegd voor de pechvogels die stierven in de berm. Ambtenaren van de gemeente kochten bloemstukken met linten en lieten ze achter op de plaatsen van overlijden, om betrokkenheid bij de gevallenen te tonen. Het voelde een beetje kwaadaardig om deze bloemen mee te nemen, maar de pechvogels zelf hadden er toch niets meer aan.
Mert was er zo een. Hij was zes jaar ouder dan ik, maar hij woonde in hetzelfde flatgebouw en zo kende ik hem van gezicht. Op een zondagnacht was hij gaan joyriden met een vriend. De vriend in kwestie had net twee maanden zijn rijbewijs, en door de drank van die avond was hij overmoedig geworden. Hun plan was om naar de pier te rijden, het strand op, en om met de auto lange strepen te maken in het zand. Maar de jongens bereikten het strand niet die nacht. Ze haalden de hoofdweg ernaartoe niet eens, ze hadden het dorp nog niet verlaten of ze vlogen al uit de bocht. Het gebeurde bij de lus onderaan het duin, waar je makkelijk achtjes kan rijden, of dood kan gaan, zo blijkt. De vriend die achter het stuur zat werd uit de auto geslingerd en brak zijn beide benen. Mert, die passagier was, brak zijn nek en overleefde het niet.
Onze school organiseerde een herdenkingsavond in de lokale sporthal, waarvoor het hele dorp uitrukte. Op de plek van het ongeluk werd een gelamineerde foto neergelegd, met een steen op elke hoek zodat hij niet wegwaaide. De supermarkt hing kopieën van de foto in de winkelruit, een gebaar dat de paviljoens op het strand repliceerden. In de klas kregen we de opdracht om engelen te maken van aluminiumfolie, die we in de bomen hingen als talismans. Binnen een week waren alle engelen weggewaaid naar zee, waar ze werden meegevoerd naar een onbekend deel van de bodem. Maar het is het gebaar dat telt. Na een jaar kreeg de gelamineerde foto van Mert een lijst van plexiglas. De lijst werd gemonteerd op een metalen paaltje en in de berm geprikt, als eerbetoon, maar ook als waarschuwing: hier niet joyriden.
In de verte hoorde je altijd de zee, die machtig was. De zee heerste over ons allemaal, met name over onze longen en kelen, en eens in de zoveel tijd legde ze ons het zwijgen op. Haar toorn was onbarmhartig. In mijn jeugd alleen al verslond ze zes kinderen, twintig zelfmoordenaars en een eenzame vakantieganger die de zee nietsvermoedend op zijn jetski betrad. Net als de mensen in het dorp lachte de zee om jetski’s, dat lompe, luide voertuig van de verveelde klasse. Mijn vrienden en ik grinnikten toen de zee de rijke verstekeling verzwolg, maar huiverden toen hij een pagina in een landelijk dagblad kreeg, en onze Mert nog geen enkele regel.
Op de basisschool hield ik een boekje bij met alle kinderen die ik kende. Ik onderwierp elk van mijn klasgenoten aan een vragenlijst, die betrekking had op hun hobby’s en fenotypen. Er zaten altijd wel een paar kinderen bij die de vragen in het boekje niet goed lazen, en die meenden blonde ogen te hebben. Onzorgvuldig als zij waren wonnen deze kinderen een plek in mijn hart, omdat ze me openstelden voor de mogelijkheid van blauw haar. Nadat ik mijn basisschool afrondde kocht ik een pakje haarverf dat Elektrisch Blauw heette, en diezelfde middag hing ik nog boven de gootsteen. De dag erna noemde een vreemde me een kosmische aanwezigheid, en die typering beviel mij zeer. Ik heb mijn haar altijd blauw gehouden.
Mijn echte vrienden heb ik op de middelbare pas ontmoet. Ze heetten Jeremy, Duncan en Celine. We gingen alle vier naar dezelfde school, die als ‘speciale’ school werd aangeduid, niet omdat wij zo bijzonder waren, maar omdat het systeem ons onbruikbaar had geacht. Op de speciale school leerden we geen vreemde talen of wiskunde, in plaats daarvan bakten we brood en timmerden we vogelhuisjes. Een enkele keer metselden we een muur. We werden, met andere woorden, voorbereid om dienstbaar te zijn. In die zin waren we lotgenoten. Maar ik heb een bloedhekel aan het lot. Ik houd niet van bemoeizuchtige dingen, waarvan het lot een prominent voorbeeld is, net als astrologen, en de marechaussee, die ik evenmin op prijs stel. Maar nu dwaal ik af.

 

© Nadia de Vries

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2