Leesfragment: Schijnoffers

19 augustus 2025, door Daan Heerma van Voss

26 augustus verschijnt de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss: Schijnoffers! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek.

In 1985 staat Ella Leeuwin voor een gewichtige keuze. Ze is van plan haar eerste reportage te schrijven over de schaakgrootmeester Max de Nobel. En dan worden ze verliefd. Ze offert haar ambities voor de belofte van een gezin. Hun huwelijk is legendarisch, maar eindigt in een beruchte scheiding.

Veertig jaar later ontdekt hun zoon, journalist David, dat de Nederlandse overheid tijdens de Koude Oorlog betrokken is geweest bij spionageactiviteiten. Zijn vader, die inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt in de Duitse bossen, speelde daar mogelijk een rol in. David staat voor dezelfde keuze als zijn moeder destijds – wat weegt zwaarder, de waarheid of de relatie met je dierbaren?

Daan Heerma van Voss voert de lezer mee van de jaren tachtig tot nu, van Paramaribo tot Amsterdam en Noordwijk, van Mexico tot Bretagne. Een virtuoze, spannende familieroman over liefde en loyaliteit, over waarheid en gerucht.



1
David

Paramaribo, heden

Op het moment dat, ergens in zijn vaderland, een envelop met zijn naam erop wordt geopend, bevindt hij zich aan de andere kant van de wereld, in het geboorteland van zijn moeder. Het is de vooravond van zijn zevenendertigste verjaardag. David Leeuwin is zijn naam.
David Leeuwin doorkruist de hal van het statige Hotel Imperial, zijn hakken klakken op de wit-zwartgeblokte vloer, en nu staat hij op de pseudo-chique rode mat voor de ingang. Hij veegt zijn bezwete voorhoofd af met zijn mouw, zijn licht opgezette voeten tintelen. Na (bijna) zevenendertig jaar ervaring met zijn lichaam zou hij toch moeten weten dat het niet bestand is tegen de klamme evenaarshitte. Maar hij houdt van tradities. Het zijn bakens. Een zo’n traditie: op zijn verjaardag koopt hij graag cadeaus voor een ander. Vandaag hoopt hij iets moois te vinden voor zijn moeder, iets van hier voor daar. Hij werpt een blik achterom, naar de overvolle lobby, waar piccolo’s doen alsof de koffers die ze torsen helemaal zo zwaar niet zijn, zodat de rood aangelopen bagage-eigenaars ongestoord naar de vier grote klokken boven de massieve ebbenhouten balie kunnen blijven staren – zo laat is het in Paramaribo, Amsterdam, Londen, New York, de wereld hun schouwspel. David wilde in een pensionnetje met krakende deuren en kabbelende straatgeluiden slapen, maar het tijdschrift sputterde tegen; het zou niet bij zijn reportage passen, en bovendien hadden ze ‘een regeling’ met het hotel. Het hotel moest natuurlijk wel even genoemd worden, voor wat hoort wat.
Hij richt zijn blik weer naar voren, twijfelt even, linksaf de drukte in, of rechtsaf richting parkje. Linksaf. Hij komt in het lome spoor terecht van toeristen die wijzen naar etalages, en glimlacht bij het kinderlijke besef dat hij zich een ingewijde tussen buitenstaanders waant. Het is een geleend gevoel van herkenning dat hij ervaart als hij om zich heen kijkt, maar toch, die herkenning gaat voor zijn gevoel dieper dan de objectieve, door reisgidsen ingefluisterde waarnemingen van zomaar een toerist. Hij passeert het clubje, knikt ze vriendelijk toe. De horloges in de etalage van Chee’s atelier glanzen, verwarmd door zacht middaglicht. Niet geschikt voor zijn moeder, te protserig. Twee uur geeft hij zichzelf nog, dan moet hij zijn stuk naar de redactie sturen. En dan is hij om middernacht officieel jarig. Toblerones, noten, ja, macadamia’s en geen pinda’s, misschien een redelijke net-geen-champagne erbij, en door. Ouder worden is niks om trots op te zijn.
Hij passeert pasgeverfde façades, bloedrood of koortsig geel. Als hij zijn ogen samenknijpt en door de ramen naar binnen kijkt, tussen de katoenen gordijnen door, vangt hij tekenen op van tropisch verval, barsten in de muren, donkere vochtplekken, het zijn net gaten. Een ex zei ooit dat hij gefascineerd was door gaten. Gaten waarin, vroeg hij, maar ze gaf geen antwoord. Misschien liep ze zelfs de kamer uit.
Bij een halfleeg stalletje op een beschaduwde straathoek koopt hij een paarse lelie, een witte roos en een rode bokkenpoot, voor de buffetdame van het hotel, die zo goed is een oogje dicht te knijpen als hij een appel meeneemt van het ontbijtbuffet. Even later koopt hij van een jochie een overrijpe mango. Het vruchtvlees is draderig, David likt zijn vingers af maar ze blijven plakkerig. Die reportage die hij moet afmaken, wat ziet hij ertegen op. Dat er zo’n niemendal van een stuk voor nodig is geweest om hem hier te krijgen, ver weg van huis maar dichter bij zijn moeder. Dat er een werkreis voor nodig is geweest om te beseffen dat hij helemaal niet weet hoe je dat doet, dichter bij je ouders komen.
Nee, hij moet het pragmatisch bekijken. Stratenmakers maken straten, tafelmakers tafels, dit is nu eenmaal hoe hij al dat gereis van hem bekostigt, hoe hij onderweg blijft, de pen als paspoort. Tweemaal is hem een redacteurschap bij een kwaliteitskrant aangeboden, tweemaal zei hij nee. Uit angst om door de mand te vallen? Ja, maar dat was niet de belangrijkste reden. In een collectief zal hij zijn blik verliezen, om dan op een dag, dat weet hij zeker, tot het besef te komen dat hij iets cruciaals is verloren, iets waar hij zo lang niet aan heeft gedacht dat hij niet eens meer weet wat het is. Een echte journalist leeft in de derde persoon; hij is geen gedupeerde, geen voorvechter, hij is een buitenstaander die op het juiste moment het raam heeft schoongewreven.
Een warme bries speelt door de straten, heel even sluit hij zijn ogen, is hij nergens. Hij blijft wandelen, helemaal tot aan het Onafhankelijkheidsplein, en stapt het kortgesnoeide, dorstige gras op, richting het presidentiële paleis. Op de plek van het beeld van Johan Pengel heeft ooit een beeld van koningin Wilhelmina gestaan, hoort hij een gids vertellen tegen een groepje toeristen, maar dat beeld is kort na de Onafhankelijkheidsverklaring weggehaald, uit angst voor rellen. David kijkt om zich heen, naar de zorgeloze gezichten, de biddende vogels, de stilstand. Steken van schuldgevoel, in zijn maag, zijn borst. Vergoed of niet, het blijft een dure reis, fornuisduur, flatscreenduur. Hij heeft het recht niet om achteloos te zijn. Hij pakt zijn telefoon, sneltoets 1, wordt doorgeschakeld, geritsel, pieptonen.
Dan, de stem van zijn moeder: ‘Hallo? Halloooo?’
Hij is het, David. Zijn echoënde stem doet er lang over om Nederland te bereiken. ‘Ik bel vanaf het Onafhankelijkheidsplein, waarover je vroeger vertelde, weet je nog?’ Een zin die hij onmiddellijk betreurt. Het is alsof hij haar op een foto in een geschiedenisboek heeft gewezen met de vraag: was dit niet jouw leven? Hij weet zeker dat hij haar hoort slikken.
‘Natuurlijk,’ zegt ze. ‘Zo lang geleden is het ook weer niet.’ Een pauze. ‘Zo meteen jarig, zin in? Daar eerder dan hier natuurlijk.’
‘Hoe gaat het met Uxbal?’ Door toeristen geworpen schaduwen schuiven over het paleisgazon. David houdt van schaduwen. Ze kunnen in een flits van een seconde levensgroot worden om vervolgens weer te verdwijnen, zonder dat iemand er een zinnig woord over kan zeggen. En er is niks te vinden dat geen schaduw heeft, geen mens, geen object, geen gebeurtenis.
‘Hij wordt een beetje oud en mopperig, maar ja, wie niet? Kom je snel langs om hem te aaien?’
Zodra hij terug is. ‘Geef je hem niet te veel brokjes?’
‘Overmorgen toch?’
Overmorgen.
‘En lukt het met je stuk?’ De lijn is breekbaar maar houdt stand.
‘Vrijwel af. Hopelijk leest niemand het.’ Om niet te hoeven uitleggen wat hij precies bedoelt, vraagt hij haar snel hoe haar boek loopt.
Gekraak, een onverstaanbare zin. ‘… uitgenodigd op televisie. … een paar weken. Voor mijn nieuwe kookboek.’
‘Eet het hele land binnenkort mijn moeders pom?’ Het klinkt spottender dan hij het bedoelde, en hij accepteert de tegenwerpingen van zijn moeder, die hij al te goed kent, over een regenachtige dag, appeltje voor de dorst, het voor Surinaamse Nederlanders extra wijde aow-gat. Twee donkere wolken, uit het niets verschenen, versperren de zon. Ineens voelt Nederland dichtbij, de naderende herfst, handschoenen, regenplassen, geklaag in bruine kroegen. De stilte duurt te lang. ‘Mama, is er iets?’
‘Hoezo?’
‘Mam?’
‘Je hebt me gevraagd bij je langs te gaan om naar je post te kijken, je kunt me niks verwijten.’
Wat bedoelt ze?
‘In een van de enveloppen zat een voorwerp, iets zwaars. Een moederlijk instinct zei me hem te openen.’
‘Wanneer?’
‘Gisteren. Maakt het uit wanneer?’ Geen nut om boos op haar te worden. Tegen moederlijke instincten is geen zoon opgewassen. ‘Wat zat erin?’
‘Een horloge. Wel een beetje oud. Het metaal kan een poetsbeurt gebruiken. Zal ik dat doen? Kleine moeite.’
‘Wat apart.’
‘Nee, gewoon met zilverpoets.’
‘Hoe bedoel je? En zat er een briefje bij?’
‘Niks.’
‘Valt je iets op? Van welk merk is het?’
‘Op de achterkant is een lamp gegraveerd, een kleine bureaulamp. Eronder staan een paar letters. En het merk, even kijken, Omega. Nou ja, een horloge komt altijd van pas, toch? Je wilt niet dat mensen zeggen dat je een laatkomer bent. En hoe gaat het trouwens met je eczeem? Heb je wel zalf mee? Het staat stil, zie ik nu pas. Ja zeg, dan heb je er helemaal niks aan. Raar ding.’
Hij voelt geen enkele behoefte om haar argwaan te dempen. Waarom eigenlijk niet? ‘Stuur me anders een foto, liefst een beetje scherp. Of doe maar een paar. En kun je het meteen doen, zodra we hebben opgehangen, ben wel benieuwd eigenlijk.’

[…]

© 2025 Daan Heerma van Voss

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3