Leesfragment: Theodoros

02 oktober 2025, door Mircea Cărtărescu

11 oktober verschijnt de nieuwe roman van Nobelprijskandidaat Mircea Cărtărescu, Theodoros, uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos! Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en reserveer je boek!

Het verhaal van Theodoros speelt zich af in de negentiende eeuw en vertelt over de duizelingwekkende opkomst en de daaropvolgende val van de zoon van twee eenvoudige bedienden van een Roemeense aristocraat. Al op jonge leeftijd droomt Teodor ervan om keizer te worden, om de Alexander te evenaren wiens heldendaden zijn Griekse moeder voor hem bezong. Bezeten door deze fantasie werkt de jongen er onophoudelijk aan zichzelf te verheffen, en eenmaal volwassen deinst hij nergens voor terug, geen zonde, geen wandaad. In de koortsachtige brieven die hij aan zijn moeder schrijft, is te lezen hoe hij de Griekse archipel en de Levant doorkruist met een bende gewelddadige piraten. Hij vertelt over zijn avontuurlijke leven en al het wreeds en gewaagds dat hij onderneemt in zijn zoektocht naar de ultieme macht en rijkdom. Uiteindelijk grijpt Teodor – Theodoros – alles wat op zijn pad komt aan en wordt keizer, precies zoals hij gedroomd had: de onwaarschijnlijke Tewodros II, heerser van Ethiopië.



Deel Een
Tudor

1

Als jij met drie bloedbevlekte vingers een kruis slaat en jouw voorhoofd met bloed besmeurt, boven de wenkbrauwen (vanwaar een straaltje langs jouw donkere haakneus omlaagsijpelt tot op jouw aan de linkerkant met gouddraad vastgestrikte snor, waarna het op de malachiettegels van de koninklijke vesting neerdruppelt), en een smet achterlaat op de zoom van jouw tafzijden hemd, zo wit dat het goudkleurig lijkt, en nog eens twee vlekken maakt op de met opalen epauletten getooide schouders, eerst op de rechter, dan op de linker, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen – zal dat kruis van jou dan aanvaard worden? Er is jou altijd voorgehouden dat je een kruis van een man was, een toonbeeld van kracht, en dat was jij inderdaad, zolang jij je kunt heugen – zo ben je immers uit de schoot van jouw uit de Archipel afkomstige moeder gekomen: een kruis van vlees, waarop vele, talloze martelaars de geest hebben gegeven, een kruis van hoogmoed en verlangen, waarop – met jouw in bloed en buskruit gedoopte handen, met jouw smerige vingernagels die jij altijd liet groeien en nooit schoonmaakte, opdat jij geen enkel lichaam zou vergeten, of het nu van een vrouw of een man was in wie jij die nagels hebt geslagen – eerst jouw eigen arme ziel werd gekruisigd: een spookverschijning van doorzichtige lucht, met spijkers doorboorde doorzichtige lucht, zodat jij het uitschreeuwde van de pijn, terwijl bloedbloemen opbloeiden, boven, beneden, rechts en links, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Jij bent een man van het bloed geweest, Theodoros, jij hebt wandaden gepleegd jegens de Heer, jij hebt met bloed gegeten en jij hebt bloed gedronken, en daarom zal jouw offer niet worden aanvaard, want het leven van ieder lichaam berust in zijn bloed. Jouw hele leven lang heb je getracht mirre en bloed te verzoenen, jij hebt een plank toegevoegd aan jouw kruis, beneden, bij de voeten, zoals die voor de gespreide armen, en op de assen aan de uiteinden van de balk heb jij wielen met bronzen spaken bevestigd. Zo vormde jij het kruis om tot een strijdwagen, getrokken door vier spannen paarden, en jij, heerser over de rode Afrikaanse zandgronden, jij, leugenachtige god, jij, profeet der slachting, jij, Tewodros II van Ethiopië, zoals geen van jouw voorvaderen ooit had kunnen bevroeden dat jij zou worden, zoals jij echter vanaf het begin der tijden hebt geweten, alsof niet de Zoon des Mensen, maar jij, een aardworm, de Schepping deelachtig zou zijn en Satan als een bliksemschicht uit de hemel zag neerdalen, jij, die zijn droom bewaarheid zag en wiens ogen noch de vervloeking, noch de zegening verdroegen, jij, de laatste mens op aarde, hield de teugels van de vier spannen paarden vast, nadat je, op jouw met rosse klei besmeurde laarzen, het witte en smetteloze hout, als van een berk, van het kruis hebt beklommen, jouw groen-geelrode vaandel zwaaiend boven de strijdende legers, de vlag met in het midden de zegepralende leeuw van de stam van Juda, Moa Anbessa Ze Imnegede Yehuda, jij, leeuw der leeuwen en keizer der keizers...
Van kindsbeen af heb jij je afgevraagd wat de kracht van het geloof is waardoor je, zelfs als jij niet meer geloof bezit dan een mosterdzaadje, de vijgenboom kunt opdragen zich in zee te planten, en dat deze zich dan ontwortelt en met trillend loof over bergen, dalen en ravijnen vliegt en de rotsige kust van de zee bereikt – de zee van de Archipel, smaragdgroen en als pas gemalen azuursteen; een andere heeft in jouw hart en geest nooit bestaan – en zijn tientallen, honderden gekwetste en blootgelegde worteltjes in het gelatineachtige vlees van de golven steekt en daar houvast vindt, een vijgenboom midden op zee, een ongehoord en ongezien schouwspel, en daar vrucht draagt, en dan worden de eilanden vervuld van de geur van verse vijgen, zo zacht als vrouwenborsten, honingzoet. Je was een voddige snotneus die de Alexanderroman spelde in een hoekje van een overwoekerde tuin, in een ver, door de weergoden geteisterd land, toen voor het eerst, niet groter dan een mosterdzaadje, zich bij jou de gedachte postvatte dat... Maar toen ben jij gestopt, met een vrees die jou ineens een hartverzakking bezorgde, alsof je besefte dat, mits je genoeg geloof had, niet slechts als een mosterdzaadje, maar veel, heel veel, in overvloed, of zoveel als het gewicht van jouw lichaam, jij de constellaties aan het firmament zou kunnen herschikken en de zon en de maan zou kunnen doen stilstaan, zoals Jozua deed toen God hem de Amorieten in zijn hand had gegeven, en jij een oude man zou kunnen doen terugkeren in de moederschoot, om opnieuw geboren te worden, of zou kunnen zweven op cherubs, met onder jouw voeten een saffieren gewelf zoals de hemel in al zijn reinheid. Als het lot van de mens zichtbaar was, als iedere man en vrouw en elk kind een gouden krans rondom het hoofd zou hebben, zoals de in kerken afgebeelde heiligen, dan zou men kunnen zien hoe groot het geloof was dat zij in zich droegen, want sommigen zouden helemaal geen aureool meer bezitten, terwijl bij anderen die ronde schaal van gehamerd goud zo groot zou zijn dat hij niet alleen hun hele lichaam omvatte in het gulden twijgwerk van hun lotsbestemming, maar tevens de huizen en de bomen en de heggen en de velden rondom, en ook zou afdalen onder de akkers, zodat de aarde doorzichtig zou worden en daar het domein der doden te zien zou zijn, de dorpen en de landerijen van hen die tot de eeuwigheid waren overgegaan. En er zouden ook nog anderen te zien zijn, voorbeschikt om geen lotsbestemming te hebben maar hun eigen lot vorm te geven, want dat is hun wil, en hun wil is onwankelbaar en boven twijfel verheven.
Al van kinds af heb jij je afgevraagd – met de sluwheid van jouw door de Alexanderroman en de Aesopica en Het verhaal van Ahikar en de Halima met al zijn wonderen gescherpte geest, en door de eindeloze verhalen van jouw moeder, Sofiana, afkomstig van het eiland Tinos, bakermat van de orthodoxie in de Archipel, bekroond met het heilige klooster Panagía Evangelístria, waaraan later de boeken van Mozes en de Handelingen van de apostel Paulus en de getuigenis van Johannes van Patmos en ten slotte de Kebre Negest, het allerheiligste boek van de Ethiopische Tewahedo Kerk, zijn toegevoegd – je hebt je van kleins af aan afgevraagd of wil en geloof één en hetzelfde zijn, zonder dat jij toen begreep wat je nu maar al te goed begrijpt, hier, in een van de tweehonderd vertrekken van het fort in Magdala, waar jij, ‘bruidegom van Ethiopië en verloofde van Jeruzalem’, zoals jij jezelf zo graag betitelt, de laatste ogenblikken van jouw bestaan beleeft: geloof komt van God; wil komt van de Duivel. ‘Want opstandigheid is een zonde van waarzeggerij, en tegenstreven is afgoderij en beeldendienst,’ had de profeet Samuel tegen Saul gezegd toen de Heer hem verwierp omdat het Hem berouwde hem tot koning te hebben verheven. Dezelfde energie, de ene echter voortspruitend uit een onbezoedeld hart, de andere uit een perverse en afgodische geest waarvan jijzelf de afgod bent. Zolang je je kunt heugen, Theodoros, maak jij een voetval voor jouw eigen voeten, jij hebt geen andere God gekend. En nu, wanneer alles ten einde komt, nu de strijdmacht van Napier het fort heeft verwoest en het daveren van hun geschut nog opklinkt als de stem van de Almachtige, en de soldaten van de koningin van cel tot cel trekken, op zoek naar jou, om je aan jouw baard naar buiten te sleuren en aan de honden te voeren, en keizerin Tiruwork zich met haar zoon heeft teruggetrokken in haar vertrekken, hooghartiger en hartelozer dan jij, gereed om jouw ellendige hals – de hals van een man van het volk, zoon van een verkoopster van middeltjes tegen spoelwormen – door te snijden, omdat jij het hebt gewaagd schennis te plegen met een nakomelinge van Salomo de wijze, nu Ytege Yetemegnu, jouw bijzit, wier buik en billen en dijen onder de blauwe plekken zitten, omdat jij al jarenlang niet meer in staat bent met de vrouw onder jou te paren zonder haar vol haat te slaan, die haar toevlucht heeft gezocht bij de Engelsen, nu er geen knecht of priester in de buurt is, ofschoon één op de vijf mannen in Gods Ethiopië priester is; nu, wanneer er voor jou geen ontkomen meer aan is, nu koningin Victoria, met wie jij aanvankelijk op goede voet stond, haar gezicht van jou heeft afgewend, ketterse en geschifte teef die zij is, nu jij weet dat, als jij je overgeeft, je in een kooi zult belanden om als een bloeddorstig beest, als een barbaarse slachter, rondgedragen te worden door de straten van Londen, waar je uiteindelijk zult worden opgeknoopt te midden van een grijnslachende meute, als een boeket van rotte tanden; nu jij weet dat je over enkele ogenblikken zult worden gegrepen door wezens met langere en zwartere klauwen dan de jouwe en naar een van de eindeloze vertrekken van de hel zult worden gesleept, zo krap als een kleerkast, met muren van roodgloeiend ijzer en vlammen die onder jouw voetzolen zullen opflakkeren met een verwoestende felheid, waar jij zult worden gebraden, opgehangen aan jouw tong, levend gevild en geënculeerd met een gloeiende staaf, met gebroken ogen en met een gebrul dat tussen jouw kiezen opbloeit, en dadelijk wordt opgezogen door de muren van gesmolten koper, en dat niet gedurende een uur, niet gedurende een dag, maar zolang de eeuwigheid duurt, met na de eerste eeuwigheid nog duizend eeuwigheden, zoals de Moeder Gods met eigen ogen heeft aanschouwd toen Zij afdaalde in de Hel; nu, op de gezegende paasdag, in het jaar des Heren 1868, nadat jij je een halve eeuw aan niets anders hebt toegewijd dan het veroveren van de wereld ten koste van jouw eigen ziel, rest jou niets meer dan louter hoogmoed, louter haat, louter de nietsontziende bereidheid om over lijken te gaan, ditmaal over jouw eigen, nog levende maar tevens reeds gestorven lijk, dood in jouw geest en dood in jouw handen, die nu trillen, maar niet genoeg om je van jouw taak af te houden, en die al tasten naar de kilte van de loop, van de haan en van de trekker, als een mond die smacht naar een stroompje koel water.

[…]

 

Copyright © 2022 Mircea Cărtărescu/ Paul Zsolnay Verlag GmbH, Wenen
Copyright Nederlandse vertaling © 2025 Jan Willem Bos

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3