Het beste vakantieboek? Maartje Wortel tipt Judith Hermanns Thuishaven (Daheim), vertaald door Herman Vinckers! Tijd voor een fragment. Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!
In haar roman Thuishaven vertelt Judith Hermann over een nieuw begin: een oude wereld gaat verloren en een nieuwe wordt geschapen. Een vrouw heeft haar oude leven achter zich gelaten, is aan zee gaan wonen, in een huis voor zichzelf. Ze schrijft kleine brieven aan haar ex-man om hem te vertellen hoe het haar vergaat in dit nieuwe leven in het noorden. Ze sluit voorzichtige vriendschappen, probeert een affaire, ze vraagt zich af of ze kan settelen of dat ze verder zal trekken. Thuishaven is het verhaal van een vrouw die veel dingen achterlaat, veerkracht ontwikkelt en iemand anders wordt in het intense, immense landschap van de kust.
Toen, in die zomer bijna dertig jaar geleden, woonde ik in het westen en ver weg van het water. Ik had een eenkamerwoning in een nieuwbouwwijk van een middelgrote stad en werk in de sigarettenfabriek. Het werk was simpel, ik moest erop toezien dat de streng tabak helemaal recht in de snijmachine terechtkwam, dat was alles; eigenlijk deed de machine het, die had een sensor waar de streng snorrend langs kwam, en als hij niet recht lag kwam de machine tot stilstand. (Die deed dat op de manier van iemand die tegen een muur loopt, ze stopte met een vreselijke schok.) Deze sensor werkte vaak niet, daarom stond ik naast de machine om de streng in de gaten te houden, ik trok hem recht als hij schuin kwam te liggen. Van zeven tot twaalf, een halfuur middagpauze en daarna nog eens drie uur. Ik keek best vaak weg. Ik keek naar de snijmachine, waar de streng in afzonderlijke sigaretten werd gesneden, waar duizenden sigaretten uit vielen, al die sigaretten die de mensen in de stad zouden oproken. Voordat ze naar het werk gingen. In de pauze. Na het eten. Tijdens een ruzie. Tijdens het vrijen en na het vrijen.
Rook.
Het werk in de sigarettenfabriek was oké. Ik hield me buiten de sociale verbanden, of anders gezegd: ik liet me niet meeslepen in de sociale verbanden. Ik droeg oordoppen, de andere fabrieksarbeidsters droegen ze niet, zij wilden per se te midden van het helse lawaai in deze hal met elkaar praten, ik kon hen door mijn oordoppen niet verstaan, maar ik kon zien hoe ze tegen elkaar schreeuwden. Hun gezichten liepen rood aan en glommen, de pezen in hun halzen werden sterk en mooi zichtbaar. Ze gesticuleerden, ze hadden precieze, afgemeten gebaren voor neuken en mislukken, woede, voor het einde van iets, voor een overwinning. Ze lachten veel en wezen naar elkaar, sloegen op hun dijbenen van het lachen en veegden hun tranen af met hun handruggen. De meesten van hen waren best knap, ondanks de vormeloze jasschorten, de mutsjes van pluizig gaas, ondanks de hitte in de hal, die van ons allemaal afgepeigerde schepsels maakte.
Tijdens de middagpauze diende je elkaar te begroeten met Mahlzeit. Mahlzeit: in de lift, op de gang, in de kantine, in de rij waar het eten werd uitgeserveerd. Ik wilde eigenlijk liever geen Mahlzeit zeggen, op een gegeven moment viel dat op en werd ik naar het kantoor van de ploegbaas geroepen.
De ploegbaas zat achter zijn bureau, hij rolde met zijn stoel heen en weer en bekeek me van top tot teen, wat hij zag interesseerde hem niet erg. Hij knikte, alsof hij iets sowieso en altijd al had geweten, hij geeuwde verveeld.
Hij zei geeuwend, de middaggroet hoort er hier dus bij.
Ik zei, ik begrijp niet waar u het over hebt.
Hij zei, dat begrijpt u heel goed.
Natuurlijk begreep ik het. Ik was niet van plan om in deze fabriek te blijven, mijn leven daar door te brengen, ik kon het woord Mahlzeit gewoon niet verdragen.
Hij zei, luister, het is heel eenvoudig. Als je niet in staat bent om Mahlzeit te zeggen vlieg je eruit.
Het ging niet om het woord, het ging om de regels en om de macht. Ik dacht even na over het plotselinge tutoyeren, over de temperatuur die er in zijn kantoor hing, het vertrek waar hij zijn tijd doodde; we staarden elkaar aan.
Toen kon ik gaan.
’s Avonds zat ik vaak op mijn balkon op de vijfde verdieping. Een van de vorige huurders had zijn bloembakken achtergelaten, in de bakken groeiden planten die ik nooit eerder had gezien. Tere groene stengels met witte bloemetjes, zo groot als de kop van een lucifer, ik gaf ze nooit water, maar toch zaten ze er. Op de vloer lag kunstgras, er was een klaptafeltje en maar één stoel, en ik had uitzicht op de uitvalsweg en het tankstation.
Ik hield erg van dit uitzicht.
De blauwe lichtreclame van het tankstation, de auto’s die aan kwamen rijden en weer wegreden, de rekken met treurige bossen bloemen in folie, de zakken houtskool voor de deur. De mensen die uit hun auto’s stapten, tankten, stonden te dromen terwijl ze naar de ratelende digitale cijfers op de pompen keken, naar binnen gingen en de kranten doorbladerden, bier kochten, chocola en pepermunt. Ik stelde me voor dat al die mensen een lange rit gingen maken, hun tank volgooiden, echt ver weg wilden, mensen op doorreis, vraag ze naar de weg en ze halen hun schouders op en zeggen, o, ik woon hier niet, ik ben hier ook niet bekend. Het spijt me.
Ik zat op het balkon op die ene stoel, met mijn voeten op de tafel, en rookte de sigaretten uit de fabriek, tikte de as over de reling en liet de peuk in een colablikje vallen, ik rookte toen veel. Die zomer was het heel heet, en ik zat in ondergoed buiten tot het laat en uiteindelijk donker werd. In de woningen gingen een voor een de lichten aan, de koplampen van de auto’s op de uitvalsweg schenen fel, de zon was weg, de warmte bleef. De warmte werd niet minder, bleef tussen de huizen hangen en veranderde niet. Ik maakte er een gewoonte van om naar beneden naar het tankstation te gaan en ijs te kopen. Ik trok een overgooier en teenslippers aan, pakte de sleutel en wat kleingeld en ging naar beneden, ik nam nooit de lift, ik liep door het benauwde, vieze trappenhuis, en ik deed in het trappenhuis nooit het licht aan. Buiten was het nog heter, het asfalt was zacht door de hitte, en overal stonden de ramen open, je kon de televisies horen, de ruzies, het dichtslaan van deuren. De auto’s reden in slow motion naar de pompen, de mensen leken wel te slapen terwijl ze tankten. De toegangsdeur ging vanzelf open, en binnen was het licht en koel. De radio stond altijd aan. Ik schoof de vrieskist met ijs open, bleef zo lang mogelijk voor het open vak staan, dan pakte ik een ijswafel. Uitsluitend een ijswafel, nooit ander ijs, maar toch deed ik elke keer alsof ik niet kon kiezen. Achter de kassa zat een vrouw van de leeftijd die ik nu heb, tot mijn verbazing las ze een boek, en ze legde het, als ze moest afrekenen, met de grootst mogelijke tegenzin opzij, dat maakte indruk op me. Het was avond aan avond dezelfde vrouw, en we wisselden de hele zomer geen persoonlijk woord met elkaar.
Op de avond waarover ik wilde vertellen stonden er twee mensen bij de kassa die getankt hadden en een grote hoeveelheid chips, drop en tabak kochten, ik had erover nagedacht om bij de open vrieskist te wachten, mijn armen tot aan de ellebogen in de droge kou te houden, maar uiteindelijk schoof ik de kist toch dicht en sloot achter in de rij aan. De toegangsdeur ging suizend open, en er kwam een oude man binnen. Hij droeg een eenvoudig, net zwart kostuum, zijn haar was spierwit, zijn gezicht verweerd als hout, hij zag eruit alsof hij van een staatsbegrafenis kwam.
© S. Fischer Verlag GmbH, Frankfurt am Main 2021
© 2025 Nederlandse vertaling Herman Vinckers