Nu in onze boekhandels: Pepijn Keppels tweede boek Zusje! Lees bij ons een fragment en koop dat boek.
Na een dramatische gebeurtenis in hun jeugd dreven Pepijn en zijn zusje langzaam van elkaar weg. Nu ze volwassen zijn, kruisen hun levens elkaar alleen nog op gezette tijden: met verjaardagen, met kerst, tijdens een familievakantie. Ze besluiten samen op reis te gaan om te onderzoeken wat er nog van hun band over is, elkaar opnieuw te leren kennen, onderdeel te worden van elkaars leven. Maar hoe doe je dat eigenlijk?
Zusje is een aangrijpend verslag van een poging te lijmen wat ooit gebroken is. Een zoektocht naar de kracht van familiebanden, naar wat het betekent om broer en zus te zijn.
Vooraf
Mijn herinnering aan die avond in 2002 is kraakhelder. De tweedehands Ford schoot van de weg en hobbelde oncontroleerbaar door de berm. De oorverdovende klap tegen de boom. De allemachtige druk op het chassis. Het water spoot door elke kier. Ik zag hoe de automatten omhoog werden gestuwd. Drijvende eilanden in een brak meer. De geur van modder en rottend dier, de geur van dood. Mijn knuffel was uit mijn handen gerukt en tegen de kunstlederen achterzijde van de bestuurdersstoel geslagen. De oranje vacht verdronk onder mijn bungelende benen. Ik wilde schreeuwen, maar mijn longen vulden zich niet met lucht.
Mijn moeders stem klonk luid en kil, als een bevel van een drilsergeant uit een oorlogsfilm. Ze trok me met een schielijke beweging van de achterbank. Ik wist dat mijn zusje daar nog zat, vastgesnoerd in haar autostoeltje. In de snelheid waarmee het onheil zich voltrok, was enkel ruimte voor mijzelf, toch dacht ik: dit is mijn laatste keer in haar levende nabijheid.
Ik had net mijn a-diploma, maar echt overtuigend was het afzwemmen niet verlopen. Het moet om precies die reden zijn geweest dat mijn moeder ‘Hou je vast, hou je vast aan het riet’ zei nadat ze me naar de kant had geholpen. Ze verdween in de donkerte, in de richting van het gedeukte blik dat steeds meer water maakte. Het gepruttel van de uitlaat, het geluid van stervend ijzer en staal.
Mijn moeder zou ruim twintig jaar later, in de tuin van mijn ouders’ jarendertigwoning aan de rand van de stad, vertellen wat ze zag toen ze weer achterstevoren op de bestuurdersstoel zat: mijn zusje, tot haar kin in de drab.
[…]
I
Ik zit naast haar in de auto, maar ik weet niet meer wie ze is. We rijden zuidwaarts in de Fiat 500 van papa en mama, die nog geen kilometer heeft gereden. De cruisecontrol op 104, de airco blaast een koele bries in onze haren. Het navigatiesysteem leidt ons voorbij Utrecht en Breda, over de grens en dan volgt de ring van Antwerpen. De lucht boven het asfalt zindert. Zo heet waren de zomers in onze jeugd zelden.
Ik durf niet te zeggen wanneer ik haar precies ben kwijtgeraakt, maar op een zeldzaam moment van buitengewoon bewustzijn wist ik zeker dat ze er niet meer was. Het ging zo traag dat wij er allebei niets van hebben gevoeld, net als weefsel dat steeds verder wordt opgerekt en op den duur zonder al te veel verzet zomaar uiteenvalt. Het is maar een theorie, natuurlijk, misschien zie ik een banalere oorzaak over het hoofd. Ik ben ook maar haar bloedeigen broer.
We zijn hier nu toch, op dit onherleidbare punt van wederzijds onbegrip, voor het eerst sinds geruime tijd in elkaars nabijheid. Ik voel het onbehagen, maar het is veel te vroeg om dat te benoemen. Na alles wat er de afgelopen jaren is voorgevallen moeten we voorzichtig zijn. Er is al zoveel stuk. We zijn omringd door brokstukken, memorabilia, herinneringen aan wie we waren en hadden kunnen zijn.
Een paar weken geleden stelde ik voor om samen weg te gaan. Ze liet mijn berichten onbeantwoord. Mama moest zich ermee bemoeien.
Mijn zusje wilde naar Gent. Ik wist niet waarom en vroeg er ook niet naar, zoals we elkaar allang niet meer bevroegen. Dat was er van ons geworden. Als water dat altijd de weg van de minste weerstand volgt, hadden wij ons erbij neergelegd dat we elkaar toch niet zouden begrijpen. Elkaars keuzes een voldongen feit, de wirwar van gedachten die eraan voorafgingen een kluwen waarvan de ander de uiteinden nooit zou vinden. Onze levens waren onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar hadden tegelijkertijd niets meer met elkaar van doen. Individuen die elkaars bestaan slechts stilzwijgend erkenden.
Niets herinnert nog aan toen. Zelfs haar geur is die van een vreemde. Vroeger roomzoet met een hint van vanille, dat weet ik nog goed. Nu hout en tabak, en als de airco hard genoeg blaast een ondertoon van tweedehandskleding.
Denkt ze soms aan vroeger? Aan toen we als kind samen speelden? In roze tutu’s op muziek van K3 dansten? Herinneringen die zijn vastgelegd op videobanden die in een doos op zolder van ons ouderlijk huis zijn verdwenen. Zij speelde die nog wel eens af, daar in hun woonkamer, maar de laatste keer is alweer jaren geleden.
Copyright © 2025 Pepijn Keppel