Leesfragment: De straat

19 juni 2026, door Robert Seethaler

25 juni verschijnt de nieuwe roman van Robert Seethaler, De straat (Die Straße, vertaald door Liesbeth van Nes)! Wij publiceren voor.

De straat ligt niet in het centrum, en ook niet aan de rand. Ze ligt ergens daartussen verstopt. Geen bezoeker komt er per ongeluk terecht, en toch gebeurt er alles wat een mens maar kan overkomen. Een jongen wordt gegrepen door jachtkoorts. Een andere jongen weet geen raad met zijn woede. Een bloemenverkoopster leeft voor een man die haar niet eens ziet staan. Een geestelijke raakt zijn parochie kwijt. Bezorgdheid schudt de bewoners wakker, verlangen drijft hen ’s nachts de straat op, liefde brengt ze in verwarring. Ze hebben dromen en geheimen. Hun wegen kruisen elkaar dagelijks, maar wat weten ze eigenlijk van elkaar?

In zijn nieuwe roman verweeft Robert Seethaler, auteur van de bestseller Een heel leven, hun verhalen tot een mozaïek van momenten – en daarmee van het leven zelf.



 

De jongen spant het elastiek. Zijn bovenlichaam hangt voor de helft uit het dakraam, hij heeft een lichtblauw pyjamajasje aan, zijn haar hangt warrig en vochtig over zijn voorhoofd. Hij knijpt een oog dicht en duwt zijn kleine, roze tong tussen zijn tanden. Ver beneden hem knalt er een raam dicht en de duiven op de nok van het dak schrikken op, gefladder in het gele ochtendlicht. Rode, ronde ogen, magere poten, scherpe klauwen, glanzend paars, mosgroen, zwart. Panisch vliegen ze omhoog, laten zich dan vallen en duiken de straat in. De stoffige vleugelslagen zijn secondenlang te horen en dan is het weer stil. Het licht van de opgaande zon fonkelt in de ramen van de bovenste verdiepingen, blikkert in de vleugelpunt van een vliegtuig, gloeit in rookwolken die uit de schoorstenen opstijgen, door de wind worden neergeduwd en in slierten en spiralen over daken en zolderkamers kruipen voor ze in de dakgoten zakken en oplossen. De jongen knippert met zijn ogen. Hij laat de slinger zakken, veegt met zijn handrug een lok van zijn voorhoofd en staart naar de plek waar daarnet nog de tegen elkaar aangekropen lijfjes van de slapende duiven zaten.

Carl zegt dat we met meer dan honderd zijn, maar wat weet hij nou. Vorige week hebben ze zijn buik leeggehaald. Een nier en het grootste deel van zijn darmen. Daarvan knap je niet zomaar even op. Ik weet precies met hoeveel we zijn, omdat ik met de keuken praat. Van de zusters of de verplegers kun je niet op aan, die hoeven niet zuinig te zijn. In de keuken wordt alles tot op de cent becijferd, bij deze prijzen voor koffie en groente telt elke portie. Gisteren waren we nog met zevenennegentig en vandaag is Greta Bläulein gestorven. Ze hebben haar weggedragen en het naambordje van de deur geschroefd, fluisterend, als dieven in de nacht.

Dit jaar zijn er meer doden. Geen idee waarom. Misschien heeft het met het weer te maken. De oudjes klagen dat het tocht bij de ramen, terwijl iedereen toch weet dat onder perfect afgedichte ramen de schimmel welig tiert. Vannacht is het rustig. Soms praat er iemand in zijn slaap, maar als de radio hier in de zusterkamer aan is, kun je zelfs het hoesten nauwelijks horen. De tijd tussen drie en vier vind ik het fijnst. In de gangen is het donker en stil, alleen boven nummer 14 brandt het nachtlampje. Mevrouw Szevkovic zegt dat ze alleen kan slapen als ze weet dat het lampje brandt. Mij best. Daar liggen ze dan in bed en drijven weg als in bootjes, ieder voor zich, moederziel alleen op de grote zwarte benzodiazepinezee.

De meesten van ons komen hier uit de buurt. Velen zelfs uit de straat. Mettertijd worden de wegen korter. Vroeger was de straat van ons. We hebben de bomtrechters dichtgegooid en bomen geplant. In een gebombardeerd trappenhuis hebben we een hond gevonden. Nooit iets deerniswekkenders gehoord dan dat janken onder het puin. Een raadsel waarom hij eigenlijk binnen is gebleven, terwijl hij toch gemerkt moet hebben dat er wat gebeurde. Misschien dat hij zich heeft verstopt voor het lawaai en de schokken. In elkaar is gedoken onder de trap toen die al begon af te brokkelen en ten slotte krakend instortte. We hebben gegraven alsof het om de laatste mens op aarde ging. Schouder aan schouder en zonder een woord te zeggen. De hond was volkomen in de war en grijs van het stof toen we hem uit het puin trokken, maar hij had mooie ogen. Wat er van hem geworden is, weet ik niet.

Wat een eikel. Óf hij heeft geen idee óf hij liegt. Er waren geen bomtrechters, alleen een paar kleinere inslagen, de bomen stonden er lang voor de oorlog al en dat met die hond heeft hij op tv gezien, beneden in de gemeenschappelijke ruimte op een zondagmiddag toen het regende.

Ik heb het contract vanmiddag getekend en toen ik de pen teruglegde in het bakje van glanzend gepoetst zilver, werd het mij warm om het hart. Beide heren glimlachten en gaven me een hand.
‘Gefeliciteerd,’ zei de makelaar. ‘In de gegeven omstandigheden kan er gewoon niets misgaan.’
Ik knikte alleen maar, omdat ik een beetje duizelig was, en toen moest ik opeens lachen, veel te hard in die glazen ruimte.
De winkel zit op nummer 24, in het pand tussen de bakker en het stadsdeelkantoor. Hij meet drieënzestig vierkante meter als je de zijkamer en de anderhalve meter van het toilet erbij telt. De verkoopruimte zelf is negenendertig groot. Als ik er middenin sta en rondkijk, vind ik het moeilijk te geloven. Maar ik moet het geloven, want het staat zo in het kadaster.
Een paar jaar geleden nog zat hier een kolenhandel, vervolgens stond de zaak leeg. Alles is als het ware met een zwarte sluier bedekt, zelfs de stukjes glas van de kroonluchter aan het plafond. De vloer heeft diepe, met kolenstof gevulde scheuren. De etalage moet opgeknapt worden. Het glas is met de jaren dof en mat geworden. Maar de deur kan ik nog gebruiken. Ik moet alleen het hout afschuren en schilderen en de plamuur bijwerken. Dan kan ik er een bord ophangen met rood op wit: antiquariaat, in de gotische letter van Breitkopf.
In mijn familie hebben we geen zakenmensen. En niemand heeft er ooit gelezen. Mijn vader was slotenmaker en mijn moeder heeft veertig jaar lang bij de groothandel groente staan schoonmaken. Vader zei altijd dat je alleen met vieze handen goud vindt. Ik wist als kind al dat dat onzin was. Mijn ouders zeiden dat ik al las voordat ik echt kon praten. Voor wie niets heeft, is in boeken alles te vinden. Ik heb ze verzameld, te beginnen met de kleurige prentenboekjes vol indianen- en cowboyverhalen, tot en met een uitgave van Das Kapital, in halfleren band, alleen een paar potloodstrepen, verder in prima staat, eerste druk, München, 1932. Zeventienduizend boeken moet ik van huis hierheen sjouwen. Mijn ouders zijn dood, het huis is niet meer van mij en ik heb twee weken de tijd voor de verhuizing. Dat is niet veel, maar ik heb er alle vertrouwen in. Als alles vlot verloopt, ga ik open in oktober, nog voor het straatfeest. Vooreerst kan ik in het zijkamertje slapen.

[…]

 

Copyright © 2026 Robert Seethaler
Copyright Nederlandse vertaling © 2026 Liesbeth van Nes

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2