Nu op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2026: Asta Olivia Nordenhofs Het duivelsboek. Scandinavian Star – deel II (Djævlebogen), uit het Deens vertaald door Michal van Zelm! Tijd voor een fragment.
Het is intussen al meer dan tien jaar geleden dat ik T met een koffer vol geld verliet. De jonge vrouw die met hem mee was gegaan, ken ik niet meer, maar heb ik mezelf eigenlijk ooit gekend, liet ik me niet gewoon meevoeren door een onbegrijpelijke geldstroom? Wat me ervan weerhouden heeft ons verhaal op te schrijven, is in ieder geval niet mijn vermoeden dat T een duivel is, maar misschien eerder deze vraag: als T een duivel is, wat ben ik dan?
Olivia ontmoet in Kopenhagen een Britse zakenman die haar na één afspraak uitnodigt om bij hem langs te komen in Londen. Ze besluit te gaan, ook al moet ze twee weken in quarantaine in het appartement van deze man die ze amper kent. Het zouden wel eens de ideale omstandigheden kunnen zijn om eindelijk die roman te schrijven over T, de man met wie ze in haar tijd als jonge sekswerker een duivels pact sloot.
Het duivelsboek is een bloedstollende, poëtische roman over het geweld van seks en geld.
Asta Olivia Nordenhof (1988) is een van de meest prikkelende stemmen van de Deense letteren. Ze debuteerde in 2013 met een dichtbundel over haar mentale gezondheid, haar jeugd in een kwetsbaar gezin en haar tijd als sekswerker.
De duivel in de torenflat
Dag 1
Het regent in Londen. Ik zit in quarantaine bij een man die ik een paar dagen geleden heb ontmoet op weg van Kopenhagen naar Vejle. Een opeenstapeling van bureaucratische kronkels op de luchthaven van Kopenhagen hadden een stokje gestoken voor het ophalen van de huurauto die hij thuis had geboekt. Hij moest dus met de trein, net zoals ik. Zoals zo vaak op dit traject werden er bussen ingezet, en in het groepje mensen dat zwijgend voor Station Korsør stond te wachten om te worden opgepikt, onderscheidde hij zich door luid te telefoneren. Ik registreerde hem en zijn goed passende, donkerblauwe maatpak en spierwitte sneakers, maar mijn aandacht moet weer zijn afgedwaald, want toen hij plotseling vlak naast me stond, kwam dat als een verrassing. ‘A railway-bus, that’s contradictory,’ zei hij met een geoefende, plotseling afgebroken glimlach, om eraan toe te voegen dat hij me al op København H had opgemerkt.
We gingen naast elkaar zitten in de bus, en tijdens de rit voerden we een ondramatisch gesprek. Hij was onlangs gescheiden en vertelde over zijn op de klippen gelopen huwelijk, over wat volgens hem de reden voor de breuk was geweest (zijn vrouw begreep hem niet). Bovendien vertelde hij over zijn werk, de aanleiding voor zijn bezoek aan Denemarken. Hij werkte als programming architect, een beroepsaanduiding waarvan hij vermoedde dat die nadere verklaring behoefde, en toen ik zijn vermoeden bevestigde, begon hij aan een vrij lang verhaal over geldautomaten en het computersysteem dat daarachter steekt, een verhaal waarnaar ik geïnteresseerd luisterde, maar dat ik hier niet zou kunnen reproduceren.
Zoals gewoonlijk loog ik over wie ik ben. Toen ik jonger was fabriceerde ik grote leugens, maar met de jaren zijn mijn verhalen veel waarschijnlijker, om niet te zeggen ronduit saai geworden. Toch overtrof ik mezelf met het verhaal dat ik journalist was voor een groot landelijk dagblad en dat ik onlangs een monografie over de daling van het opleidingsniveau had geschreven, vraag me niet hoe ik zóiets saais kon verzinnen. Terwijl ik vertelde keek mijn medepassagier me een paar keer aan met een blik die voelde alsof hij digitale precisie bezat, een scan waaraan ik me met plezier blootstelde.
Vejle bleek voor ons allebei de eindbestemming te zijn, en pas toen we elkaar voor het station een vluchtige omhelzing hadden gegeven en we allebei een andere kant op waren gelopen, realiseerde ik me dat we ons hele gesprek op gedempte toon hadden gevoerd, gefluisterd haast, alsof we meteen van elkaar hadden geweten dat we een geheim deelden.
Toen ik op de hotelkamer was gearriveerd waar ik zou overnachten, ging ik op het balkon zitten. Het rook naar natte bomen, zure grond en nacht. Ik had hetzelfde zinderende besef van de nabijheid van mijn telefoon als een hond wel zal hebben, zelfs in zijn slaap, van het bot waar hij zijn poot op heeft gelegd, en inderdaad, het duurde niet lang voor ik een sms ontving. Hij zou nooit meer met de Deense spoorwegen reizen, schreef hij, maar het was hem een genoegen geweest mij te ontmoeten.
De volgende avond zagen we elkaar weer in Kopenhagen. Ik stelde voor om af te spreken in de bar van een hotel waar ik nog nooit was geweest, maar die ik omschreef als mijn stamkroeg. Ik kom hier graag, ik hou ervan om anoniem te zijn, zei ik, wat eigenlijk ook wel zo is.
We namen plaats in het loungegedeelte, waar je merkwaardig laag zat, en hij vertelde verder over zijn verloren huwelijk. Toen zijn schoonvader ziek werd had zijn vrouw erop gestaan dat ze een huis vlak bij dat van haar ouders kochten. Hij had daar als een spook rondgewaard terwijl zijn vrouw steeds dringender wenste (niet uitgesproken maar met heel haar wezen) dat hij zou veranderen in, en de positie zou overnemen van, de vader die op het punt stond te verdwijnen. ‘Well,’ zei ik met gefronste wenkbrauwen, voordat ik, met vrij weinig gevoel voor wat hij me net had verteld, het gesprek een principiëlere kant op stuurde. ‘In de grond geloof ik niet in het huwelijk, voor mij zou het in ieder geval nooit kunnen werken,’ zei ik, en ik verduidelijkte: ‘Ik kan heus wel monogaam zijn, ook al is dat voor mij onnatuurlijk, ik kan prima rekening met iemand houden. Maar wat ik niet kan, is iemand missen, en daar zit hem de kneep. Als een man weg is, is hij weg, en dan mis ik hem niet. Ik vergeet simpelweg dat hij er ooit is geweest. Hij is de deur nog niet uit of swoesj mijn lei is schoon. Ik weet niet hoe ze het aanvoelen, mannen, maar ze voelen het, ze weten dat ze zijn vergeten, en dat verwart ze en zorgt ervoor dat ze zich gaan afvragen wat voor soort mens ik eigenlijk ben.’ Dat zei ik, en na een korte dramatische pauze en op een toon die van nadenkendheid moest getuigen, voegde ik eraan toe dat ik misschien ook wel een beetje afgestompt wás. Die toevoeging was een gok, maar ik voelde dat zijn interesse er nog meer door gewekt werd, hij leunde voorover in zijn stoel en gaf me een kneepje in mijn hand: ‘I don’t think so.’
We dronken nog een glas wijn, sympathiseerden met elkaars leven op dezelfde gastvrije en zorgeloze manier als eerder, en toen namen we voor de hotelbar afscheid met een omhelzing die bijna net zo vluchtig was als die in Vejle.
De volgende dag stuurde hij me een foto die hij had gemaakt voor Heathrow Airport. Op de foto stond een natte hond die met een riem aan iemand vastzat, maar de foto kapte de riem af voor die bij het baasje was. De hond was echt drijfnat en het leek alsof hij baalde van alles aan het leven. I’m this dog without you, schreef hij, en in het direct erop volgende bericht: You should come to London!
Ik moet toegeven (ook al zie ik mezelf graag als iemand die zich niet laat verrassen) dat het me verraste. Onder de huidige omstandigheden kwam de uitnodiging erop neer dat ik direct na aankomst in Engeland veertien dagen in zijn appartement in quarantaine zou moeten. Sure, antwoordde ik meteen, en om te onderstrepen dat dat niet ironisch moest worden opgevat, stuurde ik er nog een bericht achteraan: No really, I’m coming!
Ik bespeurde bij mezelf zowaar een zekere interesse voor deze impulsieve Londenaar, alsof ik benieuwd was of hij ook over zijn leven had gelogen en of hij wist dat ik dat had gedaan, maar dat was niet wat de doorslag gaf om op de uitnodiging in te gaan. Al een paar jaar probeer ik, zonder succes, een roman te schrijven over een persoon die ik ooit heb ontmoet, hij noemde zichzelf T, en toen ik de uitnodiging voor Londen ontving, wist ik met een instinctieve overtuiging dat ik op precies zo’n omlijsting voor mijn verhaal had zitten wachten.
In de loop van de volgende dag lukte het ons de vereiste papieren te regelen die we ieder voor zich moesten ondertekenen om zo naar eer en geweten te verklaren dat we verloofd waren, zodat we er aanspraak op konden maken elkaar te mogen zien, ondanks diverse in- en uitreisverboden.
Toen nam ik het vliegtuig, suisde over een paar landen en over de zee, passeerde verschillende controles op Heathrow en werd ten slotte een ruimte binnengelaten waar mijn gastheer op me zat te wachten. We liepen gespannen en zonder een woord te wisselen naar de parkeergarage, en in die grote ruimte, die koud was als een kerk, voelde ik me tussen de zwartglanzende auto’s heel gelukkig.
En nu zit ik dus hier. Ik heb mijn gastheer verteld dat ik tijdens mijn verblijf een belangrijke klus moet afronden. Ik vroeg hem om zijn begrip voor het feit dat ik door mijn werk in beslag zou worden genomen, en dat gaf hij me volledig. Hij was zo vriendelijk om een tafel en een stoel voor het raam te zetten, zodat als ik van mijn laptop opkeek, ik de Theems kon zien. Het regent, het is allang donker. Als ik morgen wakker word zal ik over T vertellen.
© Nederlandse vertaling: Michal van Zelm
© Asta Olivia Nordenhof, 2023. Uitgegeven in overeenstemming met Ahlander Agency.