Leesfragment: Het zwijgen

25 juni 2026, door J.J. Voskuil

1 juli, op zijn honderdste geboortedag, verschijnt het afsluitende dagboekdeel van J.J. Voskuil: Het zwijgen. Dagboek deel 7. 1987–2006! 29 juni vieren we dat bij SPUI25. Kom je ook? En vandaag publiceren we voor, een fragment uit 1987.

In zijn laatste jaren zoekt Voskuil naar schimmen van verleden tijden, niet zozeer uit heimwee of nostalgie, veeleer ter bevestiging van Jan van Nijlens verzuchting: ‘En weten dat wij nooit iets zullen weten, dat alles nutteloos is: gejuich en kreten, tot aan het einde, tot den laatste snik.’ Frustratie, ergernis en bedreigdheid maken allengs plaats voor berusting en melancholie. Gelukkig is Voskuil echter zelden, met een onvrij bestaan in eigen huis en een omgeving die zienderogen naar de donder gaat.

De lezer ziet hem in zijn voltooide leven, ontdaan van aardse illusies, kwetsbaar, ironisch en voortgedreven door zijn pen. Hij wilde geen schrijver zijn, maar hij bleek er een te zijn, een schrijver van groot kaliber.

Het zwijgen is het waardige sluitstuk van J.J. Voskuils grootse levenswerk.



 

maandag 28 september. Er blijkt een stukje glas in de buitenband te zijn gedrongen, zo klein, dat het aan de buitenkant niet te zien is. Ik ontdek het pas als ik het wiel eraf heb gehaald en de verdroogde stukjes rubber, die ik voor de lekken verantwoordelijk stelde, van de rand loswrijf. De rest van de ochtend besteed ik aan het aannaaien van een knoop, het schrijven van brieven waarin ik lidmaatschappen opzeg, en een telefoongesprek met een meneer Van Schaik van de Postbank. Dat alles doe ik met een ongewone rust, maar als ik na het middagmaal de straat op ga om een brief voor Finland naar het postkantoor te brengen, is het licht zo schel aan mijn ogen dat het lijkt of ik urenlang in het donker heb zitten turen. Ik verbaas me daarover. Zelfs in ontspannen-zijn zijn nog gradaties. Ontspannen, met losse handen, loop ik de brug op en blijf staan om tussen de bladeren van een boom bij de brug naar een zingende vogel te zoeken, zo te horen een ontsnapte parkiet. Een onguur uitziende, ongeschoren man spreekt me aan. Ik herken Van Beek! Hij heeft dertig jaar geleden bij mij gewerkt en toen vond ik hem al onbetrouwbaar. ‘Dat u mij herkent,’ zegt hij, waarop hij verschrikt zijn hand voor zijn mond brengt alsof hij die wil verbergen. ‘En net nu ik geen gebit in mijn mond heb.’
‘Ach, als je ouder wordt,’ zeg ik met een vaderlijke rust.
Hij ziet er goor en geel uit, alsof hij aan de drugs is, maar hij beweert dat het hem nu na lange tijd eindelijk wat beter gaat. Hij heeft een kamertje en een telefonische informatiedienst, weliswaar een eenmansbedrijfje, maar met goede vooruitzichten. Als ik vraag wat voor informatie hij geeft, blijkt hij zijn bemiddeling aan te bieden aan mensen die dure auto’s in de krant te koop aanbieden. Hij vraagt hoe het met Meertens gaat. Die is dood. ‘Ach.’ En met die nette donkere man die in West woonde? ‘Buitenhuis? Die is ook dood.’ – ‘Ach.’ En dan was er nog zo’n hippe, blonde jongen. Daar ging zo’n rust van uit. Hij blijkt daarmee Bert Weijde te bedoelen. Die is dus ook dood. ‘Ach.’ Hij vindt het heel erg. ‘Maar u ziet er nog heel gezond uit,’ zegt hij. Zolang dat duurt. Het begint te regenen. Daarin vind ik aanleiding om door te lopen. In het postkantoor aangekomen, blijken daar zulke lange rijen voor de loketten te staan, dat ik er meteen weer uit loop. Van Gennep. De Athenaeum Boekhandel. Pied à Terre. En dan weer langzaam terug. L. wil weten waar ik geweest ben. Pied à Terre laat ik maar weg. Aan een nieuwe discussie over de vacantie heb ik geen behoefte.

Als ik de krant haal, loop ik nog wat om. Nu de tijd verzet is, wordt het al wat schemerig. Straks gaan de lichten aan. In de sigarenwinkel staat een vrouw in een strak aangetrokken zwarte plastic jas. Ik meen er de moeder van het kleine meisje in te herkennen, maar ik ben daar niet zeker van. Een pafferig, oninteressant gezicht. Ik loop langs de Prinsengracht. Onder de bewolkte lucht, in de invallende schemering, zijn de Noorderkerk en de Noordermarkt kleurloos. In een verveloos pakhuis, waarvan de luiken gesloten zijn, schreeuwt iemand: ‘Wie ben jij?’ Een stem antwoordt iets onverstaanbaars. – ‘Wie ben jij?’ schreeuwt de eerste weer. Ik aarzel. Moet ik ingrijpen? Ik draai me half om om terug te keren, maar bedenk me en loop door.

dinsdag 29 september. De hemel is blauw. Het belooft een mooie dag te worden. Ik besluit te gaan fietsen. Dat maakt haar verdrietig. Vroeger deden we alles samen, maar nu ze Russisch doet, kan dat niet meer. En zij is Russisch gaan doen omdat ik hele dagen ging werken. Dus het is mijn schuld. Als ik de deur uit ga, ligt ze languit op haar rug, poedelnaakt, op de grond in de slaapkamer te huilen, te verdrietig om gymnastiek te doen.
‘Zal ik dan thuisblijven?’ vraag ik.
‘Nee, nee, ga jij nou maar.’
‘Ga dan mee.’
‘En mijn college dan? Ik moet toch naar college? Ga jij nou maar. Ik blijf wel alleen.’
Ten slotte ga ik dan maar. Een beetje schuldig fiets ik langs de Amstel. Er staat weinig wind, soms heb ik hem onverwacht tegen, dan weer heb ik hem achter. In Nes drink ik een kop koffie in De Vergulde Zon. De baas en zijn vrouw heten inderdaad Jan en Mien. Langs de Kromme Mijdrecht is het doodstil. Het riet beweegt onder een plotselinge vlaag wind en komt even later weer tot rust. Een tijdlang fietst een oude man in een nette witte regenjas voor me uit. Ik passeer hem. Op de weg naar Woerdense Verlaat stap ik af om een grote oranjegele rups met een bruin geblokte streep over zijn rug tussen de struiken te leggen. In de bocht dicht bij de Meije eet ik tegen de berm mijn brood. Uit het noorden komt een gitzwarte lucht aandrijven, de zon verdwijnt, de wind neemt toe, het wordt kouder. Als ik opsta en de klipsen aan mijn broek bevestig, passeert de oude man in de witte regenjas me. Hij groet. Ik groet terug. Hij rijdt ongeveer honderd meter voor me uit en neemt de bocht, langs de Meije. Ik zie zijn hoofd boven het riet langzaam voortschuiven, zo langzaam dat ik hem onvermijdelijk zal inhalen. En wat dan? Weer groeten? Dat is gek. Ik zou een opmerking moeten maken, over het weer. ‘Mooi weer vandaag’ of ‘Jammer dat het begint te bewolken’. Ik weeg de woorden en probeer ze uit, en vertraag mijn tempo om de confrontatie nog even uit te stellen. Als ik een warme persoonlijkheid was, zou ik naast hem blijven rijden, vragen of hij ook met pensioen is. Zo krijg je vrienden. Voorbij een bocht stapt hij een meter of vijftig voor me uit weer op. Hij zal een plas hebben gedaan. Ik ga nog langzamer rijden, maar niettemin blijkt de afstand na iedere bocht kleiner geworden. Op de hoek van de weg naar Zegveld stapt hij plotseling af, neemt zijn fiets aan de hand en loopt. Zijn linkerhand is verbonden. Ik kijk ernaar. Als ik dichterbij kom, blijkt het een witte wielrennershandschoen te zijn, zonder vingers, met een rood en blauw bandje om de polsen. Het contrasteert vreemd met de witte regenjas. Het volgend ogenblik passeer ik hem, zwijgend, als een dief in de nacht. Ik ben niet tevreden over mijn onvriendelijk gedrag, maar de wetenschap dat ik geen keus had, geeft me mijn gelijkmoedigheid terug. Ik sla rechtsaf, het rijwielpad door de Nieuwkoopse Plassen. De zon komt even terug. Vanaf het pad fotografeer ik een paar bootjes met vissende mannen onder de wal, met daarachter het in de zon schitterende water. Aan de rand van het meer, bij de weg door Nieuwkoop, ligt tussen wilgen en elzen een bungalowpark. De weg daarachter is druk. In de berm ligt een doodgereden zwarte kat. Kop en buik zijn verpletterd en zitten onder het bloed. De wind wordt harder. Ik heb hem nu recht tegen. De smalle dijk door Aarlanderveen, tussen de verspreide boerderijen met links en rechts het verre, groene polderland. Ter Aar. Papenveer. Een tijdlang lig ik tegen de dijk in het hooi, uit de wind. Drie uur. Bilderdam. Het wordt drukker op de weg. Langs de Westeinderplas, tussen Kudelstaart en Aalsmeer rijden de auto’s bijna zonder tussenruimte hard voorbij. Ik krijg zo weinig ruimte dat ik niet om me heen durf kijken. Ik word moe en moet me inspannen om tegen de wind in nog vooruit te komen. Ik krijg er genoeg van. Half zes thuis.

 

woensdag 30 september. Ik loop naar het Bureau. Rob (Fassaert) staat bij het kopieerapparaat als ik de trap op kom. Hij wil weten wat ik nou de hele dag doe, of ik op terrasjes zit, of ik nog dagboek schrijf. Vragen die voor mij veel te direct zijn om er een bevredigend antwoord op te geven. Ik zit niet, of weinig, op terrasjes en ik schrijf in mijn dagboek, maar zulke antwoorden klinken te veel als generalisaties en zijn daardoor te simpel om waar te zijn. Later bedenk ik dat hij waarschijnlijk graag op terrasjes zou zitten. Dat had ik dan moeten vragen, maar zoiets bedenk ik altijd te laat. Ontevreden loop ik door naar mijn oude kamer. Ze zijn aan het slepen met kasten, het kaartsysteem wordt verplaatst en opgedeeld. John is bang dat ik dat vervelend zal vinden. Ik vind het stom, niet vervelend. Dat gelooft hij maar half. Ze vragen of ik koffie blijf drinken, Koos heeft een gemberbrood gekocht. Maar als we aan tafel zitten, wachten ze af wat ik zal zeggen. Ik zwijg dus, maar als zij ook blijven zwijgen, begin ik maar weer te praten, net als vroeger, anecdotes die niet voor hen bestemd zijn, maar voor de vrienden die ik niet meer heb. Op de terugtocht ontmoet ik Van Marle nog, die net een kind heeft gekregen, een zoon. Alles is goed. Mooi zo. Maar ook verstikkend en ik ben blij als ik weer op straat ben, in mijn eigen wereld, waar ik alleen woon, als de goede God in Zijn hemel.
Als ik thuiskom begint L. weer te huilen. Ze is zenuwachtig omdat ik zo lang ben weggebleven. ‘Je weet hoe moeilijk dat voor me is, als je naar dat Bureau gaat.’ Haar verdriet is een lek in mijn wereld, dat me altijd weer verrast, net als ik er niet meer aan denk.

 

© Copyright 2026 erven J.J. Voskuil en Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3