Leesfragment: M. Het einde en het begin

24 februari 2026, door Antonio Scurati

3 maart verschijnt de nieuwe roman van Antonio Scurati, het vijfde en laatste deel: M. Het einde en het begin (M. La fine e il principio, uit het Italiaans vertaald door Jan van der Haar)! Lees nu vast een fragment.

De ijzingwekkende ontknoping van Scurati’s meesterlijke saga. Op 28 juli 1943, nadat de vergadering van de Grote Raad hem had afgezet, werd Benito Mussolini gedeporteerd naar Ponza. Maar op dit eiland, waar het regime tientallen dissidenten gevangen had gezet, bleef de Duce net lang genoeg om in zijn eentje zijn zestigste verjaardag te vieren. Hij wordt bevrijd door de parachutisten van de Führer en door Hitler aan het hoofd geplaatst van een schijnstaat die de opmars van de geallieerden moet tegenhouden: de Italiaanse Sociale Republiek.

Maar het gewonde beest probeert nog een keer uit te halen.

Dit zijn zeshonderd dagen, van september 1943 tot april 1945, waarin Italië zijn donkerste uur beleeft. In deze apocalyptische maanden toont het fascistische regime zijn ware, wrede gezicht. Van de grandeur van het imperium resteert alleen nog de waanzin van een man die de geschiedenis zal ingaan als architect van zijn eigen ondergang, en daarin zoveel mogelijk verwoesting wil zaaien.



 

1943

Park van Porta Venezia
Milaan, zomer 1943

De aap krijst. Hij welft zijn rug om het geluid door zijn opgezwollen strottenhoofd uit te spuwen, hij slaat zijn tong tegen het tongbeen ter hoogte van de vierde nekwervel, richt de vloek van zijn gladde billen, van zijn uitstekende anus ten hemel en krijst het uit. Met zijn muil zo opengesperd dat zijn ogen bijna dicht zitten, met zijn hoektanden bloot, met zijn kop in de blinde kramp achterover krijst de aap met de hondensnuit als een bezetene.
Het is een snijdend gekrijs, een hysterische sirene in het stil geworden luchtruim. Het gedreun van de viermotorige vliegtuigen is weggestorven, het gedaver van de bommen opgehouden, de mensen zwijgen, haast bang om de aandacht van de verwoesters naar zich toe te trekken, ze liggen sprakeloos, geknakt, behoedzaam neer. Heel even houdt het hele resterende leven zijn adem in. Het is een heldere, schitterende nacht, een zoele zomernacht, als het ware dagverlicht door de volle maan, het zachte schijnsel van het langzaam neerdalende ernstvuurwerk en de vlammende vuurzeeën. Een door de krijsende baviaan vervormde nacht.
Al drie dagen en drie nachten vliegen er bommenwerpers in het luchtruim boven Milaan, in zwermen, in opeenvolgende golven boven deze ongelukkige wereldstad in de grote vlakte, hopeloos ver van iedere zee, in golven die niet breken, die geen branding kennen en toch terugkomen, steeds opnieuw, en die de fascistische oorlog vanuit de steppen van de Don, vanuit de Afrikaanse zandwoestijnen, vanuit de Balkanstroomversnellingen van de Vjosë thuisbrengen naar zijn aanvalsepicentrum.
Drie nachten achter elkaar hebben de Engelse Lancasters honderden en nog eens honderden tonnen explosieven boven Milaan gelost. Alle wijken zijn zonder uitzondering getroffen, van Vigentino tot Ticinese, van Lambrate tot Porta Genova, van de middenstandswijken tot de volksbuurten. Aan puin zijn het Ca’ Grande, het monumentale, door Francesco I Sforza gestichte ziekenhuis, de romaanse kerk van Sant’Ambrogio, de Santa Maria delle Grazie van Bramante, het Koninklijk Paleis brandt uit, het Scala-theater brandt uit door een regen aan brandbare fragmentatiebommen, een immense, tomeloze brand verwoest het Teatro Filodrammatici. De lijst van vernietiging zou lang worden, het register indrukwekkend: 1500 met de grond gelijkgemaakte gebouwen, 11.000 zwaar beschadigd, 15.000 getroffen. Milaan en zijn buitenwijken vormen één grote aanblik van ruïnes. De paarden van de Arco della Pace trekken een wagen van vuur.
Schuddend op haar grondvesten trilt de stad in deze tussenliggende stilte, terwijl het gekrijs van de aap neerstrijkt op brandende balken, skeletten van palazzi, ingestorte muren waarachter het leven binnenshuis zichtbaar wordt.
Uiteindelijk hebben ze ook het dierenpark van Porta Venezia geraakt. De dieren uit de savanne of de jungle die door de verwrongen tralies zijn gevlucht, lopen tussen vrouwen in peignoir die er, al gravend in de puinhopen op zoek naar een zoon, geen oog voor hebben. Als in een boze hof van Eden lopen mens en dier zij aan zij over dezelfde grond, betreden ze samen puin en fosforplaatjes, waardoor bij neergezette voeten of poten vonken en vlammen opschieten.
Benito Mussolini is opgepakt, het fascisme is gevallen, de Anglo-Amerikanen bestoken Italië vanuit de lucht en maken zich op om het vanaf zee binnen te dringen. Niets van dat al klinkt echter door in de primitieve kreet van de bezeten aap. De geschiedenis van de mens verdwijnt in de idiote blik van het dier.

 

Benito Mussolini
Het eiland Ponza, 28-29 juli 1943

‘Ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet.’ Het gerucht gaat dat hij zich, tegenstribbelend als een klein kind, aan de leuning van de loopbrug vastklampte. De vuurtorenwachters zullen het hun leven lang vertellen, bij hoog en bij laag zwerend in wie weet welke achterbuurtkroegjes. Eén ding staat vast: de gevangene is aan wal gekomen in hetzelfde verfomfaaide pak dat hij aanhad bij zijn aanhouding, een hoed diep over zijn hoofd en niet eens een karige bundel onder de arm. De bagage van een asceet, een wijze of waarschijnlijker, iemand die, nadat hij het lange tijd over zich heeft afgeroepen, is overvallen door het lot.
De korvet Persefone C40 van de koninklijke marine is even na negenen ’s morgens voor anker gegaan bij het eiland Ponza, vlak bij het buurtschapje Santa Maria. Twee uur later is Benito Mussolini van de loopbrug aan de westkant gestapt.
De afgezette dictator heeft geen enkel teken van verzet, ergernis of verontwaardiging gegeven. Door zes carabinieri is hij naar het strand gebracht, hij oogde futloos, gelaten, bejaard. Voordat hij zijn schreden richtte naar een groenig huis van twee verdiepingen, op afstand van het dorp, met werkloze vissersboten eromheen, was er nog één blijk van belangstelling voor het leven: hij bleef even staan en tuurde naar de zee in de richting van Ventotene.
De gedetineerde bekende tegenover de cipiers moe te zijn, met als enig verlangen een bed. Maar hij werd naar een grauw vertrekje geleid, vier muren vol zoutwaterschimmel, slechts ingericht met een cafétafeltje, een stoel met een zitting van loszittend riet en een spiraalbodem zonder matras. Ook toen protesteerde hij niet. Hij probeerde een paar seconden de kale spiraalbodem uit en legde zijn hoofd op zijn tot kussen gevouwen jas, vervolgens overheerste bij hem het schrijnende verlangen naar lucht, licht, meer nog dan de afkeer van zichzelf als oude gekooide prooi.
En zodoende ziet de Leider van het fascisme, wanneer hij zich vertoont op het balkon van het huis dat in Ponza bekendstaat als de Villa van de ‘ras’ Maui, omdat een Abessijnse notabele er als gevangene van het regime heeft vastgezeten, zich begluurd door heel het dorp. De balkons en de ramen van dat oude vissersplaatsje en nog oudere gevangenisoord wemelen van de vrouwen en mannen met verrekijkers. De geruchtmakende komst van de illustere gevangene veranderde het middagslaperige kustplaatsje in een stadion, theater, slagveld dat vanaf een hoge heuvel met de kijker wordt verkend.
Opnieuw, misschien voor het laatst, wordt Mussolini gezien, maar ziet hij zelf niet. Hij wordt verblind door de mediterrane zon op de zee in het westen en door zijn dictatorsverziendheid. Maar als ook hij een kijker kon richten naar de horizon, zou hij van nogal wat mannen die hem verbluft aanstaren het gezicht herkennen. Op Ponza zitten namelijk, behalve honderden politieke geïnterneerden uit de Balkan, al jaren talloze tegenstanders van het fascistische regime. Onder hen bevinden zich meervoudig onderscheiden officieren die ten tijde van de verovering van de macht een aanslag pleegden op het leven van de tiran, en oude kameraden met wie hij in de nog langer vervlogen jaren van de socialistische idealen de strijd, de cel, de doop van zijn kinderen deelde. Hij heeft ze verbannen naar die afgelegen tufstenen rots in de Tyrreense Zee.
Nu is híj echter de balling. Nu is híj de bijna-dode van wie het verscheiden nog niet wereldkundig is gemaakt. Nu geldt het ‘kruisigt hem’ hemzelf. Nog steeds en voor altijd bezet hij het centrale toneel in het spectaculaire, razende, bloedige en al met al zinloze fascisme. Maar wat een gigantische schaduw de gevelde Duce ook over de tragedie van drie continenten werpt, zijn slachtoffers van gisteren, zijn celgenoten van nu, zijn beulen van morgen zien enkel iemand in hemdsmouwen die met een smoezelige zakdoek nerveus zijn voorhoofd afwist.

[…]

 

© 2025 Giunti Editore S.p.A.
© 2026 Nederlandse vertaling Jan van der Haar / Wereldbibliotheek

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3