6 maart verschijnt het vierde deel in Antonio Scurati’s geweldige Mussolini-reeks: M. Het uur van de waarheid (M. L’ora del destino, vertaald door Jan van der Haar). Wij publiceren voor. Lees nu een fragment en bestel dat boek!
Veertig jaar zijn verstreken sinds de zoon van de smid uit Dovia zijn eerste stappen in de politiek zette. Bijna twintig jaar sinds hij de scepter van de macht greep. Slechts enkele weken sinds hij de Italianen aankondigde dat het uur van de waarheid naderde. Juist nu, eind juni 1940, biedt het lot de Duce een teken: Italo Balbo, de leider van de Militie en wereldwijd beroemde luchtmaarschalk, wordt tijdens een vlucht neergeschoten door eigen vuur.
Terwijl het immense drama van de oorlog zich voltrekt, groeit in fascistische kringen de ontevredenheid over de Duce. Benito Mussolini zelf is er nog steeds van overtuigd dat hij de veroveringsdrang van Hitler in Europa kan intomen. In werkelijkheid staat hij als een pathetische jakhals te kwispelen naast de Duitse tijger.
1940
Italo Balbo
Tobroek, 28 juni 1940
De man aan het stuur van de bommenwerper houdt vanaf grote hoogte zijn blik op de branden gericht. Vóór hem de rook van de oostwaarts opstijgende vuurzee, achter hem het laatste licht van de al laagstaande zon op de einder in het westen. Dit is trouwens het lot van ieder die in het Avondland wordt geboren.
Zijn ogen, blind voor twee onmetelijkheden, het blauwige van de zee en het goudgeel van de woestijn, pinnen zich via het glimmende dashboard vast op de explosievuurtjes op het vliegveld.
Wat zie je, piloot, in die daar beneden, oostwaarts oplaaiende oranje vlammen? Het verleden, de toekomst of alleen het eeuwige heden? Is die bescheiden, smerige rook van diesel en pek het sinds de dageraad der tijden door de dichters bezongen grootste schouwspel ter wereld, de oorlog?
Terwijl hij persoonlijk zijn driemotorige S.79 bestuurt, krijgt Italo Balbo op 28 juni negentienhonderdveertig om 17.30 uur Tobroek in zicht. Hij is dan vierenveertig jaar oud, vader van drie kinderen en van iedere illusie gespeend.
Op zijn twintigste kapitein van de Alpenjagers in de Grote Oorlog, meteen daarna voorman van de knokploegen in het Po-dal, op zijn zesentwintigste quadrumvir bij de Mars op Rome, op zijn zevenentwintigste generaal van de Militie, op zijn drieëndertigste minister van Luchtvaart, slim, grote mond, gewelddadig, grote donkere ogen, sikje, aardig valse glimlach, was hij, de zoon van een onderwijzeres uit Ravenna, in het begin van de jaren dertig na zijn trans-Atlantische vlucht de Italiaan die in triomf ingehaald is in de Verenigde Staten van Amerika, de held die op het omslag van Time kwam en naar wie de burgemeester van Chicago een straat in het centrum heeft genoemd. Nu, tien jaar later, is hij nog altijd de beroemdste Italiaanse vliegenier, op Mussolini na de befaamdste fascist en de enige van zijn bonzen die een militair commando van primair belang heeft. Als gouverneur van Cyrenaica, Tripolitanië en de Fezzan is de trans-Atlantische vlieger namelijk ook de hoogste bevelhebber van Noord-Afrika.
Terwijl hij met de ondergaande zon achter zich vanuit het westen naar de vesting van Tobroek scheert, die voor het eerst sinds het begin van de oorlog wordt getroffen door een Engelse luchtaanval, is Italo Balbo op deze late middag van 28 juni negentienhonderdveertig ook en vooral een ontgoocheld man.
Al eind jaren twintig uit de politiek verdwenen (‘Politiek interesseert me niet meer. Ze doen maar. Ik hou me bezig met de luchtvaart’), gevreesd en benijd door de Duce (‘Balbo is de enige die me zou kunnen doden’) is hij halverwege de jaren dertig door zijn dictator uitgeleverd aan de exotische ledigheid van een Afrikaans gouden ballingschap (‘Hij heeft me hier naartoe gestuurd om te sterven van verveling’). Sindsdien heeft hij met een kleine hofhouding van oude provinciale vrienden uit de Romagna zijn dagen verdaan met Arabische fantasia’s in oasen, paardenrennen tussen zandheuvels naast bedoeïenen in boernoes en vruchteloos verzet tegen de absolute macht van Benito Mussolini. Hoewel Balbo de Libische Joden aanvankelijk hard aanpakte, werkte hij als een van de weinige hoge vertegenwoordigers van het regime de vervolging van Italiaanse Joden tegen – veel jeugdvrienden van hem zijn Joods en hij heeft ze niet in de steek gelaten –, was hij tegen een bondgenootschap met nazi-Duitsland – hij stelt de Duitsers niet ter discussie, hij haat ze – en sprak hij zich uit tegen de dwaasheid van een oorlog waaruit Italië en het fascisme in zijn ogen verpletterd tevoorschijn zullen komen. Maar al dat tieren is steeds gesmoord in polemisch gereutel gevoed door groepsgeest, door persoonlijk ressentiment, de ultieme troost van de mythomaan die zijn eigen drama voorrang geeft boven dat van de wereld.
Maanden- en maandenlang heeft de legende van het fascisme – beducht om gehoord te worden – tegen oude vrienden gefluisterd: ‘het wordt zwaar, loodzwaar, we zijn niet in staat echt oorlog te voeren’, om er dan nog gedempter aan toe te voegen, trillend in een verkrampt protest, ‘maar wij zijn een jaar of tien jonger dan Hij, laten we volhouden, we hebben de tijd mee’. Maanden- en maandenlang heeft de bevelhebber van Noord-Afrika, met de nieuwe wereldoorlog aan de horizon, gealarmeerde, ontmoedigde en tegelijk vurige brieven aan de Duce en Badoglio geschreven. Hoe kunnen we, Duce, oorlog voeren tegen het Engelse Empire met grote eenheden soldaten voorzien van beperkte, oude artillerie, zonder antitankwapens en luchtafweergeschut? U moet begrijpen, Duce, dat het zinloos zou zijn om duizenden extra manschappen te sturen als we hun niet de benodigde middelen konden leveren om vooruit te komen en te vechten. Nu zou het fraaiste legioen van Caesar nog bezwijken, waarde Duce, voor een groep mitrailleurs. Maanden- en maandenlang heeft de gouverneur van Libië zijn stafchef generaal Badoglio gesmeekt om hem moderne wapens, mobiele divisies en pantservoertuigen te sturen voor zijn aanvalsplan om met snelle, meeslepende, hypergewelddadige agressie in enkele weken door te stoten naar Alexandrië en Suez. Maandenlang hebben Mussolini en Badoglio hem teleurgesteld door hem massa’s weerloze soldaten te sturen en hem te sommeren zich te blijven verdedigen en door zijn zorgen af te doen in oorlogsberaad van niet langer dan een halfuur, waarin niet eenmaal de woorden vrachtwagen, tank en kanon vielen. Je bent soldaat, zeiden ze, hem aansprekend op zijn trots, volg de bevelen op en vecht. Je bent bevelhebber, hielden ze hem voor, doelend op zijn plichtsgevoel, doe wat je kunt met je leger dat van alles mist: zorg dat je standhoudt. Ten langen leste is de oorlog gekomen en heeft hij dat gedaan: hij heeft standgehouden.
De eerste oorlogsdagen van Italo Balbo, luchtmaarschalk van het Imperium, waren bitter. De wereld wachtte met ingehouden adem op een Italiaanse aanval op Malta, die de Britse vloot in de centrale Middellandse Zee zou wegvagen, en hij wachtte op de middelen en het aanvalsbevel voor het oosten om die ‘uithongeraars van volkeren’ uit Noord-Afrika te verjagen. Maar alleen het Alpenoorlogje kwam en bleek een opportunistische, op niets uitlopende, roemloze, lafhartige broedermoord.
Zodoende waren het in Libië de Engelsen die aanvielen. Kleine, maar onthullende, moordende aanvallen. Precisieluchtbombardementen die vooruitgeschoven garnizoenen vernietigen, flottieljes formidabele Spitfires die onverslaanbaar in de grijze lucht verschijnen en wegduiken, van die supersnelle, niet te houden pantserauto’s die de Xe armee in de rug aanvallen, rijen vrachtwagens vernietigen, generaals van de genie met de plattegronden van de mijnenvelden overmeesteren en dan verdwijnen, onvindbaar in de grote woestijn.
Toen ging Balbo over de rooie. Gefrustreerd door de onherroepelijke wanverhouding in voertuigen, door zijn kleine tanks die bij het eerste het beste schot als luciferhoutjes in de fik vliegen, beschaamd door de paniek van zijn soldaten die ze bij het opduiken van de Engelsen laten staan en te voet naar de basis vluchten, beschimpt door die beledigende vijand die op safe oorlog voert, omdat hij weet dat hij geen antitankwapens bezit, raakte Balbo buiten zinnen. Al wist hij dat het faliekant fout was om tegen gemechaniseerde grondvoertuigen de luchtmacht in te zetten, toch gebruikte hij zijn vliegtuigen voor een desperate zoektocht. Dagen- en dagenlang hebben bombardements-, aanvals-, verkenningseenheden, die bijna altijd in ongunstige omgevings- en temperatuuromstandigheden en op geringe hoogte vlogen, zonder het nodige onderhoud aan de toestellen te kunnen plegen en rekening te houden met de karakteristieke techniek, vergeefs geprobeerd die vervloekte pantserauto’s op te duikelen. Als eerste heeft hij, de opperbevelhebber, zich aan de jacht blootgesteld. Koortsachtig, woedend, wanhopig heeft hij, vertrouwend op zijn thaumaturgische kracht, zijn totemlichaam op alle fronten vertoond om de manschappen een hart onder de riem te steken, is hij over zijn krachteloze, verdoolde, ontwapende soldaten in de grenzeloze weidsheid van die gruwelijke woestijnen gevlogen, eindeloos, verzengend, leeg; tevergeefs heeft hij een vijand nagejaagd die ineens kan toeslaan om dan te verdwijnen, in een slag die het tragische kenmerk kreeg van vlees tegenover staal. Zijn vlees, andermans staal. Niet de stevige vlezige hand op het staal dat tegen de vijand wordt opgeheven, maar het diep ingestoken vijandelijke staal dat scheurt door je vlees, dat niets anders teweer te stellen heeft dan zichzelf.
© 2024 Giunti Editore S.p.A. © 2025 Nederlandse vertaling Jan van der Haar / Wereldbibliotheek