Leesfragment: Monsterzicht

10 april 2026, door Jan van Aken

14 april verschijnt de nieuwe roman van Jan van Aken, Monsterzicht! Wij publiceren voor.

Lente 1939. Victor, assistent-psychiater en bevlogen volgeling van Jung, krijgt een aanstelling in het vrouwenpaviljoen van een katholieke inrichting. Terwijl hij nog aangeslagen is door zijn ervaringen in Heidelberg, waar hij het voorgaande jaar studeerde, biedt dit hem een tweede kans.

Victor raakt gefascineerd door Lena, een jonge vrouw die lijdt aan angstwekkende waanvoorstellingen: ze ziet de gezichten van anderen als monstertronies, en soms slaat haar angst om in razernij. Victor herkent in Lena’s aandoening ongekende diepten en talenten.

Als hij tegenover geneesheer-directeur Stalmeijer zijn twijfels uitspreekt over Lena’s diagnose, geeft deze hem toestemming het op jungiaanse wijze aan te pakken. Victor gaat het experiment aan, maar lukt het hem om te ontkomen aan de demonen van zijn eigen verleden?



 

Deel een
De chimerische blik

Hilligenkapel, lente 1939

Sint-Dymphna

Er hangt een gelaagd fluidum in de eetzaal van het Sint-Dymphna. Het zijn de verstikkende geuren van carbol en lysol, de scherpe, zure dampen van ammoniak en azijn, van teerachtig creosoot en bleekwater; het complexe bouquet van al die schoonmaak. en ontsmettingsmiddelen waarmee de zusters de vloeren schrobben en de muren, deuren en ruiten, en verder elk oppervlak dat maar schrobbaar is, alsof ze hiermee de duivel op afstand willen houden, want iedereen weet dat die zich niet alleen kan opblazen tot planetaire proporties, maar zich net zo gemakkelijk vermomt als microbezwerm of als een miasma van schimmels.
De geuren hangen in jurken en schorten, in habijten en sluiers. Ze zitten in de haren en diep in de porien van de harde werkers. Bij deze vrouwen heeft het zweet huns aanschijns zich vermengd met de specifieke aromafs van hun taak in de huishouding.
Moeder-overste Ragnildis, die zelden mee-eet, in wat zij graag het prandium noemt, ruikt altijd naar wierook. Volgens de legende drapeert zij haar habijtrokken in haar eigen vertrek over een walmend wierookvat om ze te impregneren met de complexe tonen van Arabische harstranen. (Vraag Lena voor hoeveel die wierook vorig jaar is ingekocht en ze zal meteen antwoorden: Romeinse wierook, 500 doosjes à ƒ 0,45 en 410 pondszakken à ƒ 1,50, maakt 840 gulden rond.)
Nu komen ze een voor een de zaal binnen, de artsen en assistenten, de koordames, de dienende zusters, de novicen, oblaten en postulanten, sommige met een schuifelende patiënte aan de arm, maar de meeste vrouwen lopen zelfstandig; het zijn ook niet de zwaarste gevallen die hier aan tafel gaan. Het zijn de hysterici en de psychoten, de neuroten en de lijdsters aan zenuwen en dementia praecox. Weinigen is de ziekte aan te zien.
Als ze eindelijk allemaal zitten en de deuren van de zaal al dichtgaan, blijkt niet iedereen present, en het is de regel dat men wacht op de laatkomers. Moeder-overste seint woordeloze signalen naar haar ondergeschikten, ze weet hoe onrustig de patiënten kunnen worden als ze op het eten moeten wachten. De lekenzusters knikken, staan al klaar om in te grijpen. De hongerige vrouwen en meisjes draaien op hun stoelen, ze fluisteren en trekken bekken naar elkaar, en een van hen probeert een stukje brood te pakken, maar een verzorgster grijpt haar vriendelijk bij de pols.
Dan vliegen de deuren open en drie vrouwen persen zich tegelijkertijd door de opening. Ze hebben in de boomgaard gewerkt en het is niet hun schuld dat ze de tijd zijn vergeten; dat is de verantwoordelijkheid van hun begeleidster, die zich al begint te verontschuldigen tegen moeder-overste. Daardoor ziet ze niet dat Babette een poging doet om de tafel met bloesems te bestrooien, wat jammerlijk mislukt omdat ze de pruimenbloesems zo heeft samengeperst tussen haar handen dat die, in plaats van te dwarrelen, deels als compacte massa in de soepterrine plonzen en voor de rest neerkomen op het tafellinnen. De eerwaarde zuster springt toe om de gekneusde klont met een vork uit de soep te vissen en de drie krijgen de slappe lach. Babette laat zich op een stoel vallen, en inmiddels staan er al twee dienende zusters naast Ursula en Maya om ook hen in het gareel te krijgen.
Ragnildis rijst op uit haar zetel en stilte daalt neer over de tafel. ‘Jullie drie,’ zegt ze, ‘als dit zo doorgaat, haal ik jullie uit elkaar. En nu wens ik rust en eerbied. Laten we bidden en in stilte eten.’
Na het gebed, als net alle soepkommen zijn gevuld, ontstaat er weer gerucht, ditmaal komt het van buiten. Geroffel, trompetgeschetter. Sommige vrouwen willen overeind komen om te kijken, maar deze eetzaal heeft geen ramen, de muziek komt door de openstaande bovenlichten, die zelfs voor de langste onder de vrouwen te hoog zitten. Ze beginnen druk te praten en de dienstmeisjes vertellen opgewonden dat dit de kermis moet zijn, die vandaag de stad in zou trekken over het Hilligerspad, dat is waar ook!
Nu ronken motoren, een mannenstem roept, een pijporgel speelt een deuntje vol vrolijke glissandi en...
‘Wanneer gaan we?’ roept Babette. Een groot geroezemoes stijgt op onder de dakbalken en het besef van een kermis zo dichtbij heeft op iedereen een ander effect.
Het zijn de herinneringen die opspelen. Ursula houdt een stotterverhaal dat niemand kan begrijpen – als iemand al zou luisteren –, Lorna barst in tranen uit, Maya lacht gierend en laat zich op de grond vallen.
Op aanwijzing van moeder-overste Ragnildis doen twee zusters met de lange haken de bovenraampjes dicht. Dat dempt in elk geval het kabaal. Zuster Fredegonde heeft al een plaat op de draaitafel gelegd en na wat gekraak vult de ruimte zich met een hemels responsorium.
Victoria, of misschien Lassus? Ragnildis kan de componisten niet uit elkaar houden, maar ze heeft een feilloos oor voor kwaliteit. Hoofdschuddend aanschouwt ze het chaotische tafereel. Het is tenminste een vrolijke chaos, zegt ze bij zichzelf, geen aanvallen van agressie vandaag. Toch maakt ze een aantekening in haar boekje voor de volgende vergadering. Er moet een verzoek naar de gemeente gaan, of die kermisklanten volgend jaar niet via een andere route het dorp in kunnen komen. Het Hilligerspad is immers een oude processieweg, geen route voor plat vermaak.
Ondertussen doet de grammofoon zijn werk, de vrouwen zitten alweer, vele van hen wiegen of zoemen mee.

Victor

De muziek drong door tot in de hal, waar de geneesheerdirecteur zijn nieuwe assistent-psychiater verwelkomde. ‘Stalmeijer,’ zei hij, met een ferme handdruk. ‘Welkom in het Sint-Dymphna, dokter Montanus. Blij dat u er bent, we hebben hier dringend nieuw bloed nodig.’ Hij hielp Victor uit zijn jas. ‘Die hangen we hier maar op, met de hoed... U kunt de koffer hier laten staan, die laat ik zo wel door een jongen naar uw kamer brengen.’ Hij legde een hand op zijn schouder. ‘Maar wat bent u bezweet! Hebt u de hele weg gelopen?’
Victor knikte. ‘Ze hadden bij het busstation in Hilligenkapel gezegd dat het een klein stukje was, maar vertelden er niet bij dat ik een steile heuvel op moest.’
‘En dan moest u zich ook nog door de optocht heen worstelen!’
Victor draaide zich half af van zijn nieuwe patroon, omdat hij bang was dat zijn wangen kleurden van een schaamteblos. Vlak bij het gesticht, toen hem een stoet tegemoet was gekomen, voorafgegaan door een muziekkorps, had hij even de gedachte gekoesterd dat ze daar voor hém waren, in een misschien wat overdreven verwelkoming. Hij was stil blijven staan en had zijn gezicht in een aangename glimlach geplooid, maar de stoet trok voorbij, zonder dat iemand notie van hem nam. En iets in hem had gekermd van gêne.
‘Mooie muziek hebt u hier,’ zei hij, om maar iets te zeggen. ‘Staat die altijd aan?’
Stalmeijer knikte. ‘Mijn smaak is het niet,’ zei hij, ‘en het zal u nog de neus uit komen, maar op de patiënten heeft het een rustgevend effect. Komt u maar mee.’
Hij nam Victor bij de arm, duwde een dubbele deur open en leidde hem de eetzaal in, waar de maaltijd in volle gang was. Dokter Stalmeijer knikte naar de zuster die bij de grammofoon stond en de muziek werd afgebroken. ‘Eerwaarde zusters,’ zei hij, ‘ik stel jullie voor aan dokter Victor Montanus. Hij heeft een paar jaar in Duitsland gestudeerd en onderzoek gedaan. Nu komt hij hier de gelederen versterken. Ga rustig allemaal door met de maaltijd. Kom, collega, laten wij eens kijken of er nog wat overschiet voor de vermoeide reiziger.’
Snelle handen maakten een paar plaatsen vrij aan tafel zodat de heren bij de hoofdzuster en haar koordames konden zitten. Victor liep naar de plek die hem toegewezen was, zich ervan bewust dat nog niemand van de aanwezigen haar middagmaal had hervat en dat alle ogen op hem waren gericht.

[…]

 

Copyright © 2026 Jan van Aken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2