Nu op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2026: Cécile Wajsbrots roman Nevermore, in de vertaling van Josephine Rijnaarts! Tijd voor een fragment.
Een naamloze vrouw, rouwend om de dood van een vriendin, reist naar Dresden in de hoop het beklemmende middendeel ‘Time Passes’ uit Virginia Woolfs To the Lighthouse te vertalen. De verteller verdiept zich in dit prozagedicht van vergankelijkheid en onderwerpt het aan de onnauwkeurige wetenschap en imperfecte kunst van het vertalen. Dit leidt haar tot uitgebreide reflecties op andere voorbeelden van verlies, vernietiging en herstel – de ramp in Tsjernobyl, de High Line in New York, het bombardement op Dresden en Wallmanns herdenkingsrequiem ‘Bell Requiem Dresden’, de evacuatie van het Hebrideneiland Foula, Hiroshi Sugimoto’s foto’s van zeegezichten, Debussy’s ‘La cathédrale engloutie’ en Ceri Richards’ gelijknamige schilderijenserie. Ze reflecteert op plaatsen die gedoemd zijn tot verval en toch weer tot leven komen, gebroken werelden waarin nog steeds kracht is voor een nieuw begin.
In Nevermore verstrengelen vernietiging, verlies en tijd zich. Cécile Wajsbrot schetst op meesterlijke wijze de context waarin het vertalen van literatuur wordt gezien als een reis van herstel. Met een nawoord van vertaalster Josephine Rijnaarts.
Cécile Wajsbrot (Parijs, 1954) heeft zeventien romans, een verhalenbundel en talloze essays geschreven. Daarnaast vertaalt ze literatuur uit het Engels en het Duits. Met haar vertalingen van onder andere Virginia Woolf, Jane Gardam, Arthur Conan Doyle, Charles Olson en Peter Kurzeck won ze de Eugen Helmlé Vertalersprijs. In 2016 ontving ze de Prix de l’Académie de Berlin voor haar werk.
Nacht. Alle lichten zijn uit, zelfs de maan is verdwenen, en het regent. Maar meer nog dan de regen is het de duisternis die alles overspoelt. Het donker overvalt het huis, strijkt neer, dringt door sleutelgaten, door kieren, stoot door, slokt de bloemen op, wist alle vormen en contouren uit en creëert een volle, vage ruimte, iets onduidelijks, iets cruciaals, waaruit het leven misschien is geweken.
there was scarcely anything left of body or mind by which one could say, “This is he” or “This is she.”
Er was nauwelijks iets over van lichaam of geest waardoor je kon zeggen: ‘Dat is hij’ of ‘dat is zij’. Er restte nauwelijks iets van een lichaam of geest waardoor je had kunnen zeggen: ‘Dat is hij’ of ‘dat is zij’. Er was weinig over van een lichaam of geest aan de hand waarvan je kon zeggen: ‘Dat is hij’ of ‘dat is zij’. Lichaam noch geest, man noch vrouw, de scheidingen zijn opgeheven in een vormeloze nacht. Zijn er nog mensen? Is er nog leven? Begint de wereld elke nacht opnieuw?
Zeker op eilanden. To the Lighthouse speelt zich af op het eiland Skye. Haar jeugdherinneringen aan de vakanties in Cornwall heeft Woolf daarheen verplaatst. Cornwall is natuurlijk een finis terrae en voor de kust, in volle zee, staan ook vuurtorens. Maar deze vuurtoren staat op een eilandje dat zelf weer voor een groter eiland ligt, waar een gezin woont dat misschien zijn heil zoekt op een eiland in de tijd, dat ‘vakantie’ wordt genoemd – zodat er sprake is van een hele archipel, die aan het huis, de zee en de nacht een absolute dimensie geeft.
Ik draai eromheen. Ik ben hier omdat ik iets wil. Of eigenlijk omdat ik iets niet wil. Ik heb op het laatste moment een aanvraagformulier ingevuld zoals je dat soms in een opwelling doet. Zonder erin te geloven, maar toch met een zekere hoop, greep ik de reddingsboei die me door het lot werd toegeworpen, en niet veel later kreeg ik antwoord. Mijn voorstel was aangenomen, de samenhang die ik erin had proberen aan te brengen – Virginia Woolf vertalen in Dresden, een tekst over de verwoestende werking van de tijd in een ooit door de oorlog verwoeste stad – was overtuigend geweest. Hadden ze niet genoeg kandidaten? Was ik er werkelijk in geslaagd een verband te leggen tussen twee dingen die niets met elkaar te maken hadden? In een Duitse omgeving iets uit het Engels in het Frans vertalen? Een experiment, had ik geschreven. De markante vreemdheid van een taal. In zekere zin op een eiland wonen om me onder te dompelen in het eiland van die twintig bladzijden midden in de roman, het deel dat ‘Time passes’ heet. Je kunt alles rechtvaardigen als je er je best voor doet. De eigenlijke reden waarom ik solliciteerde was een andere, maar die paste niet in de vakjes van een aanvraagformulier. En ook in Dresden houd ik me met andere woorden bezig, die me weghalen bij wat ik probeer te vermijden, maar me er ook telkens weer naar terugvoeren.
Tien jaar na de roman van Virginia Woolf kwam er een film uit die zich ook op een eiland afspeelt, maar waarop geen vuurtoren te zien is. The Edge of the World. De rand van de wereld, het einde van de wereld. Een film van Michael Powell, opgenomen op het eiland Foula, maar in het verhaal heet het eiland Hirta, hoewel in het begin een grote kaart wordt getoond die overeenkomt met de topografie van Foula. In de film maakt het deel uit van de Hebriden, terwijl de opnamen op de Shetlandeilanden plaatsvonden. Een ruimtelijke verplaatsing, net als in de roman van Virginia Woolf. Maar het verhaal in The Edge of the World, over een eiland waar de bewoners tot de conclusie komen dat ze er niet kunnen blijven, berust op de werkelijke geschiedenis van Hirta, een van de Saint Kilda-eilanden, dat aan het eind van de maand augustus 1930 op verzoek van de bewoners – er waren er nog maar zesendertig – daadwerkelijk in twee dagen werd geëvacueerd. Michael Powell kreeg geen toestemming om op het verlaten eiland te filmen en liet zijn keus op Foula vallen, dat nog wel bewoond was maar waar de natuur, de huizen en de sfeer hem kennelijk geschikt leken, en het eiland was bijna even moeilijk te bereiken als Hirta.
Nothing stirred in the drawing-room or in the dining-room or on the staircase.
Niets bewoog in de zitkamer, in de eetkamer of op de trap. Er bewoog niets in de zitkamer, in de eetkamer of op de trap. Of in het trappenhuis. In de salon. In die roerloosheid is vreemd genoeg de stilte te horen. Je houdt je adem in. Alsof er spanning in de lucht hangt. Alsof de plaats van een misdaad wordt beschreven en alleen de moordenaar en zijn slachtoffer nog ontbreken.
To the Lighthouse heeft geen verteller. Het is de auteur die vertelt en haar personages, haar romanfiguren, om de beurt bespreekt. Maar in het tweede deel van de driedelige roman – wat zijn dat allemaal logge woorden, driedelig, roman, bespreken, in vergelijking met de lichtvoetige gratie, de oceanische vloeibaarheid van het werk – in het tweede deel, dat ‘Time passes’ heet, de tijd gaat voorbij (in het manuscript hebben de delen trouwens geen titel), vind je geen personages, of bijna geen. Ze duiken in het begin op als schimmen, die de deur openen en het licht uitdoen. Mr Carmichael houdt het wat langer vol dan de anderen doordat hij bij kaarslicht Vergilius leest, maar ook hij doet uiteindelijk het licht uit. Leest hij de Aeneis of de Georgica? Waarschijnlijk de Georgica, misschien de volgende passage: ‘Of U ofwel als god van de wijde wereld zult verschijnen, matrozen enkel Uw majesteit eren, het verre Thule in Uw dienst is’, tibi serviat ultima Thule, Thule aan het eind van de wereld, the edge of the world. Aan deze passage, ultima Thule, en de Engelse vertaling ervan, ontleende Michael Powell de titel van zijn film. Ja, Mr Carmichael leest vast in de Georgica, misschien over het oproepen van het moment waarop dag en nacht gelijk zijn, of de beschrijving van wind en regen, van de zeevogels die klapwiekend een veilig heenkomen zoeken.
© Cécile Wajsbrot
Vertaling © Josephine Rijnaarts