Leesfragment: Sterfbed

19 januari 2026, door George Saunders

27 januari verschijnt de nieuwe roman van George Saunders, Sterfbed (Vigil), uit het Engels vertaald door Erik Bindervoet! Wij publiceren voor.

Het is niet de eerste keer – het is maar liefst de 343ste keer – dat Jill ‘Snoes’ Blaine met haar hoofd vooruit en haar achterste omhoog naar de aarde stort om haar nieuwste beschermeling naar het hiernamaals te begeleiden. Ze realiseert zich echter al snel dat deze man helemaal niet lijkt op de anderen.

Sterfbed voert ons in een razend tempo mee in de wilde laatste avond van een episch, gecompliceerd leven. De machtige oliemagnaat K.J. Boone heeft een groots en gedurfd leven geleid, en de wereld is er beter door geworden... toch?

Maar naarmate de dood nadert, verschijnen er menigten mensen en dieren – levend en dood –, zwermen vogels rond in de kamer van de stervende CEO en duiken collega’s uit het verleden op, allemaal schreeuwend om wraak.



 

 

Wat een mooi huis was het waar ik naartoe suisde, terwijl ik in mijn val armen, handen, benen, voeten kreeg, die allemaal zoals gewoonlijk met iedere seconde die verstreek vastere vorm aannamen.
Beneden: een fontein.
Midden in de fontein: een verguld beeld.
Van een hond. (Die hond was vast erg geliefd.)
In de bek van de gouden hond: een gouden eend. De snavel van de ontzielde eend hing open en een pokdalig gebied op zijn flank moest de plek voorstellen waar hij geraakt was door een schot hagel.
Dit sloeg ik allemaal gade toen ik voorbijsuisde, en vervolgens doorboorden mijn hoofd en romp de laag asfalt van een halfronde oprit, om te blijven steken in de prut eronder.
Mijn achterste bevond zich in de lucht, mijn verse nieuwe benen waren energiek aan het luchtfietsen. Ik besefte dat ik afwisselend gekleed en ongekleed was. Dat wil zeggen: het ene moment naakt en het volgende gekleed. Of om preciezer te zijn: gedeeltelijk gekleed. (Dat wil zeggen, na verloop van tijd werden de onderdelen van mijn tenue beter zichtbaar.)
Mijn beige rok werd algauw bijna een blijvertje.
Ondertussen viel er een wroetende wurm te ontwaren en een bruine flessenscherf en de zware geur van het leem dat nu mijn (omgekeerde) bovenkant geheel omgaf.
Toen ik een keer in Tennessee in een normalere rechtstandige houding was geland, stond ik zes uur lang in een manege, met mijn hoofd uitgestoken boven het aardoppervlak, terwijl er keer op keer drie zwarte paarden en een vos over me heen draafden, al die tijd in een staat van paniek vanwege mijn aanwezigheid.
En toch was mijn missie geslaagd bij die gelegenheid.
Want mijn protegé was bovenmate vertroost.

Godzijdank zette de dooi vannacht snel in.
En met pure wilskracht slaagde ik erin gymnastisch uit de grond overeind te schieten en rechtop te blijven staan, helemaal en ook aaneensluitend gekleed.
Beige rok, zachtroze blouse, zwarte pumps.
De gouden hond blonk in de gloed van een sierlijke koetslamp.
Ik begaf me naar de voordeur, en het lopen nog niet helemaal vaardig stortte ik ter aarde als een net losgemaakte marionet, waarna ik snel weer opstond en onverdroten naar mijn werk toog.
De deur (immens, zwaar, op het nachtslot) was geen noemenswaardige hindernis voor me. Toen ik erdoorheen was, kwam ik in een imposante hal, waarna ik omhoogging door een ruim trappenhuis behangen met foto’s van mijn protegé:
Zelfverzekerd geleund tegen een spreekgestoelte, terwijl hij een enorme menigte toespreekt.
Met een kerel in een keffiyeh gehurkt voor de Grote Piramide van Gizeh.
Tot aan zijn knieën in het ondiepe water van een bergmeer, naast een jonge vrouw van wie ik aannam dat het zijn dochter was.
Achter het stuur van een zwaar voertuig (dat hij zogenaamd bestuurt), met een helm op en in driedelig pak.
Poserend voor een jaknikker.
En nog een.
En nog een.
Met zijn vrouw op de Chinese Muur, allebei stralend alsof dit een mijlpaal in hun samenzijn was.
Met haar gearmd in zo te zien de Rozentuin van het Witte Huis.
Weer met haar voor, naar ik begreep, een tweede huis, in Colorado.
En een derde, op Hawaï.
Een vierde, in Key West.
Vaak dezelfde blik op zijn gezicht: eerder een grijns dan een glimlach, ook al valt er een zekere geforceerde inschikkelijkheid te bespeuren.
Op de eerste verdieping liep ik door een gang met aan de muur talrijke schilderijen in vergulde lijsten, allemaal voorzien van een plaquette waarop melding gemaakt werd van een ervaring die onze protegé en zijn vrouw associeerden met de verwerving van het desbetreffende schilderij:
heerlijk diner aan de rotskust, positano.
rondleiding door de catacomben, na het diner heeft dhr. pavarotti heel mooi voor ons gezongen.
gast van senator jepps en maria in hun fantastische woestijnhuis.
De gang kwam uit op een dubbele deur van stevig eikenhout.
Inmiddels hing er een vertrouwd bruin handtasje over mijn schouder. Ik klopte erop (één keer, en nog een keer) zoals ik altijd deed in de tijden van weleer als ik op het punt stond een moeilijke klus te klaren, waarna ik door de deur ging, wetende dat mijn protegé aan de andere kant te vinden moest zijn.

En daar lag hij.
Een gerimpeld mannetje in een immens mahoniehouten hemelbed.
Ik was nog niet te laat.
En ook nog niet te vroeg.
Zijn vrouw, uitgeput van de mantelzorg, sliep volledig gekleed op een tweezitsbank bij het bed. Haar slippers lagen op de grond, naar elkaar toe gekeerd alsof ze gedragen werden door een onzichtbaar individu met naar binnen gekeerde tenen.
Maar om haar hoefde ik me niet te bekommeren.
De slaapkledij van mijn protegé was van zijde, boven het hart voorzien van zijn initialen. Dichterbij gekomen betrad ik de kring van zijn gedachten.
Er school binnen in hem een formidabele koppigheid. Hij was doortrokken van een gestage stroom van voldoening, van triomfantelijkheid zelfs, over alles wat hij had gedaan, gezien, teweeggebracht en gemaakt, vooral gelet op zijn nederige afkomst.
Ik zocht naar tekens van twijfel aangaande de dingen die hij had gedaan of nagelaten; dingen die hij had kunnen zeggen, maar niet had gezegd; fouten die hij nog niet helemaal had toegegeven, allemaal dingen die hem konden belemmeren bij het bereiken van die staat van rust waarnaar zo verlangd wordt in deze kritieke omstandigheden.
En vond niets, of bijna niets.
Hij was zo zelfverzekerd als geen andere protegé die ik ooit gehad had.
Zelfs nu, in de greep van die verschrikkelijke ziekte.
Weer voelde ik die oude, vertrouwde, alomvattende genegenheid:
Voor mij lag iemand die ongewild op deze wereld was gezet en er nu met geweld werd weggehaald, waarbij de vele subnetwerken in hem, die hem altijd zoveel voldoening hadden gegeven, op een pijnlijke manier werden afgesloten. Binnenkort zou het komen, vergezeld van ongeloof en paniek, en dan stond hij plotseling aan de verkeerde kant van een zich snel sluitende deur, waar alles wat hij ooit had gekend en bemind buiten bereik was, er voorbij.
Vooral op dat soort momenten koesterde ik mijn taak.
Ik kon troosten.
Dat kon ik.

[...]

 

Oorspronkelijke tekst © George Saunders, 2026
Nederlandse vertaling © Erik Bindervoet en De Geus, Amsterdam 2026

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2