Hij is er, na tien jaar: de nieuwe Jandy Nelson, Als de wereld wankelt (When the World Tips Over, vertaald door Aimée Warmerdam en Merel Leene). Na het mooie, originele en rijke YA-boek Ik geef je de zon (vertaald door Aimée Warmerdam, #63 in de Grote Vriendelijke Honderd) is haar derde een grotere roman voor een groter publiek, dat toch even organisch grote levensthema’s combineert met magisch realisme als de populaire tweede.
In Ik geef je de zon kwam al zoveel samen! In die roman, die over een tweeling ging, geloofde Jude, het meisje van de tweeling, in geesten. Ze krijgt zelfs raad van haar overleden oma. Nelson beschrijft dat heel organisch, het is nergens storend ongeloofwaardig, en doet me hierin denken aan Isabel Allende, bijvoorbeeld haar Het huis met de geesten. Een andere sterke lijn vond ik dat de coming of age van broer Noah sterk gekleurd was door het onderzoek naar zijn eigen homoseksualiteit. Die lijn pakt emanciperend én smaakvol uit.
Ook Als de wereld wankelt is een heel fijne, mooie leeservaring, en al wat goed was aan het vorige boek, mag je nu in het kwadraat formuleren. Officieel is het dan wel een Young Adultboek, het boek is leeftijdoverstijgend, met ook heel sterke volwassen personages. In het boek volg je de familie Fall in een klein dorpje in Noord Californië. Het sprankelende verhaal draait om een moeder met drie kinderen: twee jongens van negentien en zeventien en een meisje van twaalf. Hun vader is jaren geleden zomaar vertrokken, een wond waarmee het gezin moet dealen.
Ieder doet dat op zijn eigen manier, en ze zijn eerder uit elkaar dan naar elkaar toe gegroeid door allerlei misverstanden binnen het gezin. De oudste zoon is razend aantrekkelijk, goed in muziek maar ook op weg naar zelfvernietiging. De middelste is een verloren ziel die met honden kan praten en niet durft te zeggen dat hij homoseksueel is. Het zusje ziet geesten en zit helemaal in haar eigen fantasiewereld. Best magisch-realistisch allemaal, met dieren praten en geesten zien. Toch schrijft Nelson het zo op dat het allemaal heel vanzelfsprekend lijkt.
Het zijn heel fijne, goed uitgewerkte personages, die je meteen mag. Het zusje, Dizzy, is bijvoorbeeld heel innemend. Met haar begint het boek:
‘Ze stak zonder te kijken de straat over.
En toen, een afgrijselijk geluid, alsof de wereld in tweeën scheurde.
De grond onder haar voeten schudde, de lucht trilde. Dizzy had geen idee wat er gebeurde.
Ze draaide zich om en zag de massieve metalen voorkant van een vrachtwagen op zich afkomen. O, nee, nee nee o, nee nee. Ze kon niet bewegen of schreeuwen of denken. Ze kon niks. Haar voeten zaten vastgeklonken in het beton en de tijd vertraagde en toen ze het begreep, stond de tijd helemaal stil. Dit was het.
Het.
Het einde.
O, ze hoopte maar dat ze een geest werd.
En: ‘En dit was het allerergste van alles: ze zou doodgaan voordat de vader terugkeerde die ze nooit had gezien – omdat zij de nacht dat hij vertrok nog in de baarmoeder zat.’ Maar: ‘En toen gebeurde er iets echt wonderbaarlijks in haar leven. Ze voelde twee sterke, harde handen op haar heupen. Ze draaide zich om en zag een meisje. Een meisje als een stralende, flitsende ster.’ Dit regenboogmeisje — een engel, een geest? — gaat een belangrijke rol spelen. Voordat duidelijk wordt wie het was, zet een noodlottige gebeurtenis alles op scherp. Ik wilde achter elkaar doorlezen, zat er helemaal ín. Het verhaal is totaal niet voorspelbaar en alle lijntjes zijn met elkaar verweven. Hoe doet Nelson dat toch? Razend knap vind ik het.
Met 550 pagina’s is dit boek wel tweehonderd pagina’s dikker, maar toch is het niets te dik. Er zit geen hoofdstuk te veel in, Nelsons toegankelijke stijl is precies goed. Het zou me niet verbazen als deze filmische, zeer gelaagde derde roman net als Ik geef je de zon weer veel lezers en stemmers op de Grote Vriendelijke Honderd gaat bereiken. Want Als de wereld wankelt is misschien nog wel beter.
Maritza Dubravac is kinderboekenverkoper bij Boekhandel Van Rossum.