Hoe maak je verdriet verteerbaar? Als je broer verongelukt is, of als die leuke jongen ongeneeslijk ziek blijkt? Het is een belangrijke vraag, maar zeker voor jeugdboekenschrijvers. Een naïeve en een wijze buurjongen maken bij Mariska Overman en Kris Terwindt (in de Grote Vriendelijke 100 op 12 en 80) het verschil.
Een vriendin vertrouwde me over Overmans boek toe dat ze het had weggelegd, ze had recent al zoveel van dit soort boeken gelezen, en dat begreep ik toen wel: al dat verliezen, en al die vroegwijze kinderen die lekkere, kant-en-klare zinnetjes debiteren... En nu las ik mijn elfjarige Briefjes aan Pelle voor (geweldig boek, vond ik bij eerste lezing), in de tent in Kroatië, en riep zijn moeder uit: nee, gebeurt dát ook nog? Heeft die jongen niet genoeg ellende meegemaakt? Verdriet laat zich verdrijven of even vergeten door dingen te doen en ondergaan, maar het kan ook té.
Niks niet nonchalant: treffende pubertaal
Ik kauw van jou en De zomer die alles was, hoewel voor dezelfde leeftijdscategorie ingedeeld (10+), zijn wat dat aangaat overzichtelijker, minder gecompliceerd ook, meer op de relaties en minder op alles eromheen. In Overmans kinderboekendebuut (ze schrijft al thrillers sinds 2017, in 2025 verscheen In duizend stukjes overal) treft Puca, in de zomer voor de brugklas, haar knappe nieuwe buurjongen Rover. Puca’s ruziënde vader is (gelukkig) nooit thuis, haar broertje is heel druk, en zij begraaft de dode diertjes die ze vindt. Rover gaat dood. (Toch al best veel problemen, bedenk ik me nu.) Die twee vinden elkaar, en heel rustig blijkt Puca in Rovers laatste maanden nog wat voor hem te kunnen betekenen, en hij voor haar.
Daar moet wel wat voor gebeuren, Puca vlucht eerst weg van dat akelige nieuws, zoekt dan weer toenadering, er wordt veel niet uitgesproken, terwijl er evident een verliefdheid opbloeit. Overman weet het (pre)puberale ongemak goed te schetsen:
‘Hij is scherp. “Gewoon. Zomaar.” Ze ziet dat hij haar aanstaart, en probeert heel nonchalant te blijven. Van de zenuwen bijt ze op haar onderlip. Niks niet nonchalant.
“Niks is zomaar,” zegt hij. “Dus, waarom?”
Niks nonchalant kijkt ze hem aan, zonder weg te kijken.’
Maar stilistisch is het niet heel aantrekkelijk, die herhaling van platte woorden. Veel verderop, op die naderende dood na is alles goedgekomen, denkt ze op één pagina over haar breiende buurvrouw, raak: ‘Puca denkt dat het gewoon verveling is, in de vorm van een ellenlang stuk wol.’ Én over haar vader, die zomaar ook op het strand kan rondlopen: ‘Weer prikken er tranen. Mogelijk heeft ze er al zo veel verzameld dat ze zelf een minizee kan maken. In de achtertuin, naast het slangenhuis. Dat zou wat zijn.’ Misschien is de gedachte van die minizee niet onorigineel, maar met ‘mogelijk’ en ‘dat zou wat zijn’ is de taal niet heel sterk.
De vastgemetselde woorden uitgespuugd: uit de rouw getrokken
Waar Overmars verdriet in het verschiet beschrijft, is bij Terwindt (net als in Marlies Slegers’s Pelle) de dood een jaar voorbij. De ontzettend getalenteerde Huug, natuurvorser (hij verzamelde dierenskeletten) en skateborder, is verongelukt. Zijn vader ligt de hele dag op de bank te slapen, zijn zusje Pim durft de deur niet meer uit, en ze eten alle dagen afhaal.
Tot Pim op een dag besluit wel de deur uit te gaan en een ijsje te kopen. ‘“Aardbei? Sufkop!” snuift de jongen zacht.’ Ze bijt van zich af, ze schrikt er zelf van, een oude man valt haar bij, en de ijscoman geeft haar een extra bolletje. Ondanks de valse start wil Thilo, een buurjongen van een flat verderop, vrienden worden. Hij is een opgewekte dromer, die aan een raket bouwt en het verboden landje naast de flats al ontdekt heeft. Hij schiet pijlen naar hun balkon met briefjes en heeft Huugs natuurlab ontdekt onderin Pims flat, met de diepvries met Kauw.
Huug had Kauw gered en opgevoed en sindsdien bleef hij in zijn buurt - wat doet hij daar? En wat moet Pim met de eerste verjaardag van Huugs overlijden? En waarom zou ze niet gaan logeren met Thilo bij zijn tante, voorbij het landje bij het rangeerterrein? Het mag vast weer niet. ‘[Papa] kijkt niet naar mij. Hij kijkt naar mama. En mama zwijgt en kijkt naar hem. Het lijkt wel uren te duren. En de stilte weegt kilo’s en kilo’s.’
‘Die nacht droom ik dat Huug naast mij zit en mijn hand vasthoudt. En verder is er niks. Geen Kauw, geen flat, geen papa en mama. Huug zegt niets en ik ook niet. Alle vastgemetselde woorden en veel te lange zinnen heb ik uitgespuugd en nu is het helemaal leeg. In mijn hoofd, in mijn lijf. Zelfs in mijn dromen.’
Die vastgemetselde woorden uitgespuugd, wat een rake formulering voor het verlangen vrij van rouw te zijn! En Pim vertrekt, ze gaat gewoon logeren, en het slot, waarin alle verhalen samenkomen, ontroert. Terwindt doseert de informatie heel rustig en raak, en Huugs verhaal fascineert. Maar haar personages zijn vooral één ding (bang, moe, vrolijk) en overtuigt Pims avontuur (na dat aardbeienijsje opeens allerlei verbodens doen) niet helemaal.
Je bent niet alleen: kinderboeken over verdriet
Dus ja, die vriendin had een punt, Overman noch Terwindt schreef het oorspronkelijkste, knapste boek over verdriet. Er zijn natuurlijk al heel veel geweldige boeken over verlies en rouw, zoals Astrid Lindgrens klassieker De gebroeders Leeuwenhart, maar ook recenter Sarah Everetts eindedertijdenroman De waarschijnlijkheid van alles, Jason Reynolds' Patina, Conny Palmkvists ziekenhuisnovelle De trein van vier over twaalf, Jowi Schmitz' Kip op je kop en de nummer 1 van de Grote Vriendelijke Honderd, Yorick Goldewijks Films die nergens draaien. En voor jongere lezers Janneke Schotvelds Zoef! of de gedichten van Bette Westera in Doodgewoon.
Maar zelf lezen over iets wat heel herkenbaar is, dat blijft ook van belang. En dan hebben al die boeken hun eigen situatie, hun eigen personages om je mee te identificeren. Wat ze gemeen hebben? Het vertrouwen dat een buurjongen (of -meisje, bij Pelle), of breiende buurvrouw, voor je klaarstaat, dat je niet alleen bent. Dat verlies algemener is, en dat je ook kunt groeien, avonturen kunt beleven met de dood op de achtergrond. Daar mag best nog een boek over geschreven worden.
Daan Stoffelsen is webshopmanager bij Athenaeum | Scheltema en vader van twee.