Nu het onvermijdelijke, maar evengoed schandalige dan toch gebeurd is – Lieke Marsman is dood – denk ik weer heel vaak terug aan hoe ik haar heb leren kennen. Het was in 2008, toen ik samen met Thomas Möhlmann de Dichtersmarathon in Perdu aan het voorbereiden was, de editie die in januari 2009 zou plaatsvinden.
De Dichtersmarathon is een leuke vorm: dertig dichters die achter elkaar, zonder aankondigingen en pauzes, ieder drie gedichten voorlezen, twee van henzelf en één van een buitenlandse dichter in Nederlandse vertaling. Een van de fijne aspecten aan die vorm, is dat hij egalitair is. Grote namen krijgen evenveel ruimte als jonge broekies die net komen kijken, en omdat niemand wordt aangekondigd, krijg je ook van niemand een lijst publicaties en prijzen te horen. Dat is fijn voor de toeschouwer die tegen de drie uur poëzie over zich heen krijgt: geen afleiding, geen ‘o, dit móét ik goed vinden’. Maar het is ook politiek: no kings.
Verbazing en bewondering
In die context vonden we het leuk om op zoek te gaan naar dichters die niemand kende en waarvan het publiek in verbazing en bewondering van zijn stoel zou kunnen vallen. Nu is het natuurlijk wat overdreven om te zeggen dat ‘niemand’ Lieke Marsman kende in 2008. Ik bedoel, ze schreef, ze studeerde, ze zat in de redactie van Met Andere Zinnen, ze publiceerde op het internet, onder andere op de website Meander. Maar Perdu is – zoals alle literaire omgevingen – ook een beetje een gesloten gemeenschap, en het was in elk geval zo dat binnen óns wereldje niemand haar kende. Ik weet nog goed dat ik op het kantoor van de Kloveniersburgwal Meander doorspitte en stuitte op gedichten van haar. Met name ‘Soms moet dat’, dat later (niet veel later) in haar debuut Wat ik mezelf graag voorhoud bij Uitgeverij Van Oorschot terecht zou komen.
Ik viel van verbazing en bewondering van mijn stoel. Altijd de beste indicatie dat het publiek waarvoor je aan het werk bent dat eventueel ook zou kunnen doen. Wat me zo trof, was de eropafheid van Marsmans taal. Ik bedoel, wat me óók trof is gewoon haar vermogen een zin te maken. Altijd de beste indicatie, wat mij betreft, van een goede dichter: dat je een zin kunt maken, een zin die muzikaal is, die gelaagd is, waarin meer vervat zit dan alleen de mededeling, en die tegelijk natuurlijk is (wat iets anders is dan gewoon) in de zin dat je hem accepteert als een werkelijkheid die zich voordoet. ‘Soms moet dat’ is zo’n zin, en ja, het is één zin, anderhalve pagina lang. Dus ja, ik zag een goede dichter.
Moet poëzie vernieuwend zijn?
Maar ik zag ook iemand met een eigenschap waar ik zelf nogal jaloers op was, namelijk een soort eropafheid. Je kunt als dichter eindeloos nadenken over de vraag of het wel goed is wat je doet. Dat heeft Marsman vast ook wel gedaan, we zien schrijvers en dichters nooit wakker liggen ’s nachts, we zien alleen hun eindproducten. Maar in het interview in Meander dat bij de publicatie in 2008 zat, geeft ze dit antwoord, als de interviewer vraagt hoe haar eerdere uitspraak (ze is dan 18, hè) dat poëzie vernieuwend moet zijn, voor haar eigen poëzie geldt:
‘Het is misschien zo dat mijn gedichten niet erg traditioneel zijn, in de zin dat je me niet snel zult betrappen op veertien regels of vaste rijmschema’s. Maar “niet-traditioneel” is natuurlijk iets anders dan “vernieuwend”. Ik weet eigenlijk niet of mijn poëzie wel zo vernieuwend is. Misschien heb ik dat destijds te snel en te hard geroepen en kan ik dat soort claims helemaal niet waarmaken. In elk geval geloof ik niet in het schrijven om nadrukkelijk vernieuwend te zijn – schrijven enkel en alleen om iets “nieuws” te doen. Originaliteit is heel belangrijk, maar je zult in eerste instantie een gedicht moeten schrijven waar je achter staat. Als vervolgens in de tijd blijkt dat wat je schreef grensverleggend was, is dat mooi meegenomen. (Dit is natuurlijk wel erg: ik zou hier het liefst een nieuwe generatie dichters willen vertegenwoordigen, allerlei revolutionaire ideeën hebben, maar weet het niet.)’
Ongehinderd, onverschrokken op het onbekende
Ik zou zeggen, nu, als vijftigjarige, dat ‘het nieuwe’ nooit gemaakt kan worden door iemand die bij voorbaat al helemaal door heeft wat dat ‘nieuwe’ dan wel is en daar bij wijze van spreken alleen zijn eigen Ikea-handleiding voor hoeft te volgen. Want: wie maakte die handleiding dan en op basis waarvan? Nee, ‘het nieuwe’ wordt gemaakt door mensen als Lieke Marsman, die, met de nodige bagage in de vorm van kennis en kunde, er, ongehinderd door een al dan niet gevoelde angst voor het onbekende, onverschrokken op af gaan.
Toen wij de Dichtersmarathon organiseerden, moedigden we de dichters altijd aan een buitenlands gedicht te kiezen dat nog niet vertaald was, en het dan zelf te vertalen. De meeste dichters – jong en oud, nieuw en ervaren – schrokken daar voor terug, hoewel de meesten na wat aanmoediging en geruststelling zich er wel aan overgaven. Lieke dook er meteen bovenop. Ze vertaalde ‘Facts about the moon’ van de door haar toen al bewonderde Amerikaanse dichter Dorianne Laux. We chatten via Facebook over haar vertaling en ik herinner me daarvan vooral haar gretigheid, haar scherpte, haar enthousiasme, haar grote intelligentie en haar ook toen al zeer sterk ontwikkelde ideeën over hoe en wat een goed gedicht moest voorstellen. Mijn bewondering voor haar eropafheid groeide daar alleen maar.
Die eropafheid, in relatie tot ‘het nieuwe’, maakte van haar een schrijver die uitmuntend in staat was om zichzelf in een volslagen onverwachte, nieuwe, unieke situatie terug te vinden, en dáár dan over… nee ik moet zeggen: vanuit daar te schrijven. Dat is een uitstekende eigenschap om gedichten te vertalen, maar ook om het kleine maar belangrijke oeuvre te schrijven dat Lieke Marsman achterlaat. Ieder boek deed ze dit weer, eropaf! Ook toen ze ziek werd, en precies dit is de reden (naast haar immense talent natuurlijk) dat haar literatuur daarover zo ontzettend indringend, uniek en belangrijk is. Hee, ik ben ziek. Wat betekent dat? Eens kijken. Eropaf!
Een nieuwe universaliteit
Robert Creeley schreef aan het einde van zijn leven dat het late oeuvre van Walt Whitman niet op waarde geschat wordt omdat ouderdom geen universele ervaring is. Hetzelfde geldt voor ziekte. Maar er bestaan schrijvers die zulke niet-universele ervaringen dermate als norm kunnen stellen, dat ze vanuit die posities komen tot beelden, ideeën, vormen, uitzichten, die er nog niet waren. Lieke Marsman was zo iemand.
Haar boeken In mijn mand, De volgende scan duurt vijf minuten en Op een andere planeet kunnen ze me redden zijn géén kijk-eens-wat-ik-heb-meegemaakt-memoirs (die leggen zich juist neer bij het niet-universele van de ervaring die ze beschrijven). Het zijn literaire werken waar vanuit een particuliere positie een nieuwe universaliteit wordt gemaakt. Eentje die ‘inclusiever’ is, om het met een modewoord te zeggen. Je kunt ook gewoon zeggen: groter. Lieke Marsman maakte het universum groter.
Mijn lievelingsboeken van Lieke Marsman
Ik denk dat mijn lievelingsboek uiteindelijk Het tegenovergestelde van een mens is. Dat is raar om te zeggen, want ik heb in principe niet veel op met romans, heb een hekel aan de norm dat een dichter altijd maar weer een roman moet schrijven, en dan is het ook nog over een ‘geëngageerd’ onderwerp, namelijk klimaatverandering. Maar Marsman vliegt het zó uniek aan, met zo veel humor, lenigheid, vormbewustzijn – alleen al de openingsscène waarin de hoofdpersoon zich probeert voor te stellen hoe het is om een komkommer te zijn, is tegelijk hilarisch én een veelzeggend antwoord op de vraag waarom we weliswaar veel weten over de klimaatcatastrofe, maar toch passief blijven – dat het mijn schrijvershart altijd weer op hol brengt.
Maar mijn daadwerkelijke lievelingsboek van Lieke Marsman zal het Verzameld Werk zijn. Om al die prachtige, slimme, grappige, indringende en lenige literatuur bij elkaar te zien, ik kan me niet anders voorstellen dan dat dat een zeer vreugdevol genot is. Ik hoop trouwens dat daar dan ook haar vele poëzievertalingen bij zitten, die ze een tijdje maakte voor haar website. Wat zeg ik, maak daar eerst een afzonderlijk boek van. Ook daarin namelijk klonk haar unieke stem in de Nederlandse letteren door, ook daarin vloeide haar pen zoals die alleen bij haar vloeide, ze zijn een integraal onderdeel van dit belangrijke, fijne, lenige en heerlijke oeuvre. Waaraan deze week een wreed en onacceptabel einde is gekomen.
Joost Baars (1975) is dichter, essayist en al dertig jaar boekverkoper in Amsterdam - onder andere bij Boekhandel Van Rossum. Hij was betrokken bij het Amsterdamse poëzietheater Perdu, bij het literatuurfestival Read My World, schrijft over poëzie voor Awater en Poëziekrant en publiceerde vertalingen van Dorothea Lasky, Morani Kornberg-Weiss en Gerard Manley Hopkins. Af en toe treedt hij op met het wereldvermaarde improvisatieduo Boi Akih. In 2018 won Joost Baars de VSB-Poëzieprijs voor zijn debuut Binnenplaats.