Eerst als tragedie, dan als klucht, of: eerst als intellectuele bestseller, dan als film, en uiteindelijk als strip. Umberto Eco’s De naam van de roos heeft meerdere reïncarnaties gehad, maar Milo Manara’s verstripping is een compacte maar visueel overweldigende versie.
Een filosofische detective
Dit tweede en afsluitende deel van De naam van de roos (Il nome della rosa, vertaling Pietha de Voogd; zij vertaalde de Eco’s romandebuut uit 1980 ook in 1983 met Jenny Tuin) gaat verder waar het eerste deel eindigde, met de scène waarin onze verteller, de jonge novice Adson van Melk, ontmaagd wordt door een meisje uit het dorp. Het is een intermezzo in het detectiveverhaal met ernstige filosofische en theologische discussies in een stevige historische inbedding, en een politieke ondertoon. (Ook voor Manara is deze discussie over rechtvaardigheid van belang, hij zegt: ‘Ik denk dat het nog steeds fundamentele actuele kwesties behandelt, bijvoorbeeld de armoede.’)
Want op de dag dat William van Baskerville (let op de Holmes- en Ockhamreferenties) bij een Noord-Italiaanse abdij aankomt met zijn leerling-secretaris, de novice Adson (let op de gelijkenis met Watson), blijkt een jonge monnik vermoord te zijn. William begint de zaak te onderzoeken, terwijl er steeds meer doden vallen, die allemaal met de geheime, beroemde bibliotheek van de abdij te maken hebben. Dat is razendspannend, maar in de strip blijven de slachtoffers namen — er is geen plek voor een uitgebreide kennismaking.
Parallel aan de kerkstrijd waarin William moet bemiddelen — tussen monastieke armoede en pauselijke weeldezucht — blijkt één monnik de toegang tot Aristoteles’ tweede boek van de Poëtica, over komedie, te belemmeren. Waar elke classicus (en menig monnik in het boek) naar dat verloren werk zou snakken, vernietigt hij liever dat heidense boek, mét alle lezers. Eco (1932-2016) voegt daarmee nóg een laag toe aan dit al rijke boek: leven en dood, nieuwsgierigheid en lust, armoede en weelde, ernst en lach.

Umberto Eco, dinsdag 22 mei 1984, bij Athenaeum. Foto Ewoud de Kat
Het beeld: niet alleen de geest maar ook het lichaam
Waar Manara (1945), die naam maakte met softpornografische graphic novels, wel ruimte voor maakt, is die ontmaagding. Hij vervangt de gedragen, met Hooglied-referenties doorspekte beschrijving bijna geheel met tekeningen van twee mooie, jonge naakte mensen. De daad zelf beeldt hij niet af, maar samen met de grafische verbeeldingen van martelingen — de inquisitie is alom aanwezig — maakt dit geen strip voor jonge lezers.
Manara’s gedetailleerde platen van een kerkportaal, visioenen en illustraties van manuscripten zijn oogstrelend. Ze zijn een statement: De naam van de roos gaat in zijn versie zeker niet alleen over de geest, maar ook over het lichaam.

Tegelijk dwong de vorm Manara om ook te kiezen voor gezichten. Eerder tekende hij Marcello Mastroianni als alter ego, en Sean Connery, uit Jean-Jacques Annauds verfilming uit 1986, lag voor de hand. Maar hij wilde zijn eigen kunstwerk maken en koos voor Marlon Brando als model voor William van Baskerville, een effectieve keuze, en ‘aangezien Eco spreekt over een haviksneus en een doordringende blik, leek Brando mij zelfs geschikter dan Connery’.
En om te benadrukken dat Eco zelf ook van meer dan het woord is, staat vóór het eigenlijke boek een citaat van hem vermeld: ‘Als ik zin heb om me te ontspannen, lees ik een essay van Engels, maar als ik me wil inspannen, lees ik Corto Maltese.’ Corto Maltese is de iconische zeeman die Hugo Pratt creëerde, en de Italiaanse stripmaker Pratt op zijn beurt schreef de teksten voor graphic novels van Manara.
Het woord: intellectueel en poëtisch
De paperback van 584 pagina’s is tot twee overzichtelijke strips teruggebracht door Manara. Dat gaat ten koste van de karaktertekening, maar Manara heeft wel essentiële frases bewaard, zoals de opening uit het bijbelboek Johannes (‘In den beginne was het woord’), de frase uit Eco’s inleidende hoofdstuk (‘Ze is een geschiedenis van boeken, niet van beslommeringen van alledag, en onder het lezen zullen we wellicht de neiging voelen om met de grote navolger Thomas a Kempis te zeggen: “In alles heb ik rust gezocht en ik heb die nergens gevonden dan alleen in een hoekje met een boekje.”’ — in de folio-editie heeft Eco het Latijn behouden) en frases uit Hooglied.
Even denk ik dat Manara een wandeling van Adso erbij heeft bedacht om nog wat extra naakt in te voegen, maar ook deze pagina’s lange scène is terug te vinden, en hij heeft daaruit goede zinnen gekozen, zoals: ‘Ik “zag” het meisje: ik zag haar in de twijgen van de kale boom, die trilden wanneer een verkleumde mus erop neerstreek.’ 90% heeft hij geschrapt, zegt de stripmaker, maar wat resteert, is krachtig.

De vertaling: beknopt en modern
Manara’s getrouwheid zal het werk van Pietha de Voogd enigszins vereenvoudigd hebben. Hoewel ze zonder Jenny Tuin (1923-1997, Martinus Nijhoffprijs 1986) moest werken, en binnen de tekstballonnen moest blijven, zullen de grote vertaalproblemen veertig jaar na dato niet nieuw zijn. Eco’s vertelstijl voor de middeleeuwse monnik was ook toen al gedragen. Een voorbeeld uit het slot van deel 1, waarin Adson kennismaakt met het naamloze meisje, dat aanvankelijk schrikt als hij Duits spreekt:
‘Allora sorrisi, ritenendo che il linguaggio dei gesti e del viso sia più universale di quello delle parole, ed essa si quetò. Mi sorrise anch’essa e mi disse poche parole.’ (de roman)
‘Daarom glimlachte ik, overwegend dat de taal van gebaren en gelaat universeler is dan die van de woorden, en ze bedaarde. Ze glimlachte op haar beurt en zei enkele woorden tegen me.’ (de roman, vertaling Tuin en De Voogd)
‘Allora sorrisi, ritenendo che il linguaggio dei gesti e del viso sia più universale di quello delle parole. Mi sorrise anch’essa’ (de strip)
‘Toen glimlachte ik, de taal van gebaren en gezicht is immers universeler dan die van woorden. Ook zij glimlachte.’ (de strip, vertaling De Voogd)
De Voogds keuze voor ‘immers’ is een sterke, vereenvoudigende variant van de gerundiumconstructie, ‘gezicht’ voor ‘gelaat’ moderniseert. Ze zal ook overwogen hebben ‘allora’ met ‘dus’ te vertalen, maar dat had de zin spreektaliger gemaakt, wat niet per se past bij de vertelstem.
Uiteindelijk tellen op dit vormende moment gebaren en gelaat, het beeld, evenzeer als de woorden die elders in de roman en de strips zo intelligent en eloquent uitgesproken worden. Daarmee zet Manara een gelijkwaardig kunstwerk naast dat van Eco, al ging het nu wel kriebelen: moet ik niet de roman weer herlezen?
Daan Stoffelsen is webshopmanager van athenaeumscheltema.nl, classicus en neef van de vertalers van veel van Manara’s graphic novels, René van de Weijer en Stanneke Wagenaar.