Vincent Hunink vertaalde Seneca’s essay De constantia als Onkwetsbaarheid (opgenomen in Levenskunst). Wij vroegen hem de eerste zin toe te lichten. Lees over opsplitsing, de aanhef en het verwijderen van gymnasiaans.



De Romeinse filosoof Seneca ((ca. 4 v.Chr.-65 n.Chr.) is als schrijver vooral bekend vanwege zijn Brieven aan Lucilius. Daarin schrijft hij op veelal luchtige toon over allerlei wijsgerige onderwerpen. Naast de brieven zijn van hem ook een aantal wat langer uitgevallen essays overgeleverd. Deze behandelen wat grotere morele vragen zoals ‘Duurt ons leven te kort?’, ‘Hoe bereik ik innerlijke rust?’, ‘Hoe kan ik zinvol leven als ik niet meer  werk?’

De mooiste van die essays heb ik de afgelopen twee jaar vertaald voor Athenaeum-Polak & Van Gennep. Ze verschenen als losse, fraai uitgevoerde geschenkboekjes. Het vierde en voorlopig laatste deeltje (Onkwetsbaarheid) komt in september 2014. De centrale vraag daar luidt: ‘Hoe kan ik zorgen dat onrecht en belediging mij niet meer raken?’  Een heldere tekst. Maar helder Nederlands wordt het niet vanzelf.

De eerste zin

Veel klassiek Latijnse teksten zijn geschreven in een ingewikkelde stijl met lange volzinnen (perioden). Vaak is het redelijk goed mogelijk om dat getrouw om te zetten, met behoud van de constructie. De eerste zin van Onkwetsbaarheid luidt:

‘Tantum inter Stoicos, Serene, et ceteros sapientiam professos interesse quantum inter feminas et mares non inmerito dixerim, cum utraque turba ad uitae societatem tantundem conferat, sed altera pars ad obsequendum, altera imperio nata sit.’

Dat wordt dan iets als:

‘Dat er zoveel onderscheid bestaat tussen de Stoïci, Serenus, en de anderen die wijsheid verkondigen, als tussen vrouwen en mannen, zal ik wel niet ten onrechte zeggen, aangezien beiderlei menigte evenveel aan de gemeenschap van het leven bijdraagt, maar het ene deel geboren is om te gehoorzamen, het andere voor de heerschappij.’

Tja, als openingszin in het Latijn prima, maar qua Nederlands niet echt een aanbeveling. Weinig eenentwintigste-eeuwse lezers zullen hierna graag verder lezen. Dat moet dus anders.

Beginnen met Serenus?

Seneca schrijft relatief bondig Latijn, maar ook deze zin bevat al gauw zo’n vier betekenisvolle punten, afgezien van het communicatieve element (de aanspreking van vriend Serenus): 1. Verschil tussen filosofische richtingen; 2. vergelijking van dat verschil met die tussen mannen en vrouwen; 3. erkenning dat beide groepen nodig zijn; 4. nadere invulling van dat wezenlijke verschil.

Zeker aan het begin van een tekst is een beetje rust en overzicht wel gewenst. Opsplitsing van de Latijnse periode is dus nuttig en verdedigbaar, maar het mag ook weer niet al te kortademig worden. Ik maak er daarom drie zinnen van, met enige variatie in constructie en ritme.

Lastig is daarbij de aanspreking ‘Serenus’. Helemaal voorop zetten? Dat is een optie, maar wel een flauwe en makkelijke, die geen recht doet aan Seneca’s stijl en woordvolgorde. Later in de zin? Ook niet geweldig. Ergens kort na het begin dus, maar waar? Seneca zet Serenus’ naam direct na die van de stoïcijnen, maar die ereplaats is moeilijk te handhaven.

Opknippen en minder gymnasiaans

Minder lastig is de Latijnse volgorde van ‘vrouwen en mannen’: dat moet natuurlijk omgezet worden naar het idiomatische Nederlandse ‘mannen en vrouwen’ . De nadere bepaling van die twee groepen levert geen begripsprobleem op. Niemand zal denken dat Seneca de mannen ziet als geboren om te gehoorzamen...

Dan nog wat gymnasiaanse wendingen eruit: ‘beiderlei menigte’ is tweevoudig vreselijk, en ‘gemeenschap van het leven’ betekent vrijwel niets. En ook dat ‘ene/andere deel’ moet weg. Net zoals dat zo vaak het geval is met klassieke combinaties als ‘enerzijds/anderzijds’, ‘niet alleen/maar ook’ en trouwens ook het eeuwige ‘zelfs’. Aan zulke woorden valt een ouderwetse vertaling van een Griekse of Latijnse tekst doorgaans binnen een paar regels te herkennen. Weg met het gymnasiaans, we willen Nederlands!

Het voorlopige resultaat van de vertaalingrepen is nu als volgt:

‘Er is een verschil, beste Serenus, tussen stoïcijnen en andere filosofen. Evenveel als tussen mannen en vrouwen, zou ik met enig recht kunnen zeggen. Beide groepen dragen evenveel bij aan de samenleving, maar de ene is geboren om te gehoorzamen, de andere om leiding te geven.’

De opening staat. Inclusief stelling. Seneca’s betoog kan beginnen.

Vincent Hunink vertaalt (overwegend) uit het Latijn en kreeg daarvoor de Prijs van het Nederlands Letterenfonds. Hij vertaalde werk van Cicero, Seneca, Augustinus, Plinius, Sallustius, Petronius, Caesar, Cato, Eutropius, Apuleius.