30 januari verschijnt de nieuwe, grote roman van Bert Natter: Aan het einde van de oorlog! Wij publiceren voor. Lees bij ons een fragment en bestel dat boek.
De elfjarige Ernst, zoon van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf, raakt vermist in de buurt van een concentratiekamp. Zijn broer Reinhart beweert hem te hebben achtergelaten aan de oever van het verraderlijk diepe meer, waar ze aan het vissen waren. Hij zal toch niet in het water zijn gevallen? Terwijl de geallieerde legers in de verte al te horen zijn en iedereen in het kamp beseft dat het einde van de oorlog nabij is, gaat Karl op zoek naar zijn zoon.
lucienne in de trein
Tussen de stammen van de bomen wordt het meer zichtbaar. Na wat een eeuwigheid scheen, is de trein eindelijk in beweging gekomen. Lucienne heeft een plaatsje bij het raam, met een Deense bejaarde half op schoot, die deels op de bovenbenen van de Hollandse naast haar zit. Tussen de banken bivakkeren twee meiden van nog geen twintig uit België en in de gangpaden staan iets oudere vrouwen, zo te zien Scandinavisch, hangend tegen de banken en leunend op elkaar.
Drie jaar geleden is Lucienne gearriveerd in een veewagen en nu vertrekt ze in een passagierstrein.
Er zit dus vooruitgang in.
karl in de feestzaal van de kommandantur
‘Karl?’
Aan het eind van een slapeloze nacht hoorde hij vanochtend de stem van zijn vrouw, gedempt door de deur van zijn slaapkamer. In gedachten speelde hij voor de honderdste keer de sonate door, de partituur lag open op zijn nachtkastje. Geërgerd kwam Karl uit bed en hij liep naar de overloop. Daar stond ze, in een roze ochtendjas die hem niet bekend voorkwam. Zeker nieuw, of nooit eerder goed bekeken. Hij vroeg wat er was. Ze begon over het aanhoudende gerommel in de verte. O, dat.
Het gerommel van Christine kan hij hier, in de drukte van de hal van de Kommandantur, die tot feestzaal wordt omgebouwd, gelukkig niet horen.
De Bechstein klinkt minder vals dan verwacht, maar toch vindt hij het goed dat de stemmer is gehaald, want het concert vanavond dient volmaakt te zijn. De Jood staat voor hem, muts in de hand, met de andere arm een tuba omklemmend. Karl geeft de jonge ss’er die hem heeft gebracht met een handgebaar te kennen dat hij kan gaan.
‘Naam?’
‘Menachem Farkas, Obersturmführer.’
Karl weet natuurlijk wel dat deze man zo heet, hij heeft hem niet voor niets laten komen. Van de week vertelde Oberscharführer Ranken — gezeten op een paard! — dat deze Jood in de Wiener Philharmoniker zou hebben gespeeld. Karl wees zijn ondergeschikte erop dat je dit soort mannetjes altijd maar op hun woord moet geloven, hun verzinsels zijn op geen enkele manier te controleren, in feite kunnen ze je alles wijsmaken.
Nu staat het scharminkel in de hal van de Kommandantur voor Karl, de tuba omklemmend alsof het doffe stuk blik aanzienlijk meer zal opleveren dan de schrootwaarde.
‘Dus u noemt zich pianostemmer. En waar hebben ze u dat geleerd?’
De Jood beweert dat zijn vader als amanuensis aan de Franz-Liszt-Musikakademie heeft gewerkt en onder meer de vele klavierinstrumenten onderhield die men daar bezat: vleugels, tafelpiano’s. ‘Ze beschikten zelfs over een klavecimbel met twee manualen, Herr Obersturmführer. Van hem heb ik het geleerd, later ging ik zelf naar het...’
Karl knikt en de Jood houdt zijn mond.
‘Weg met dat zielige ding en aan het werk.’
Hij kijkt toe hoe de Jood zich moeizaam buigt om zijn instrument weg te leggen en hij zegt voor zich uit: ‘Als deze hardhorende kakkerlak bij de Wiener heeft gespeeld, heet ik Walter Gieseking.’
hanns in de feestzaal van de kommandantur
Zodra Hanns in de Kommandantur van de trap af komt en de feestzaal betreedt, wordt er van alle kanten gesalueerd. Soldaten staan in de houding, gevangenen nemen hun muts af en buigen het hoofd. Hij gebaart dat het goed is. Er is een podium gebouwd waarop ze de vleugel hebben geplaatst die normaal in de kantine staat om de dronkenmansliederen te begeleiden. Karl Zehlendorf, zijn plaatsvervanger, staat ernaast, gewichtig leunend op zijn stok, terwijl een gevangene op een kapotte stoel plaatsneemt, blijkbaar om de piano te stemmen. Alsof er niets belangrijkers te doen valt dan dat.
christine bij de kapper in het stadje
Christine sluit haar ogen, vooral om niet steeds in de spiegel de gedienstige kapper te hoeven zien. Een mankepoot. Als ze haar ogen sluit, lijkt het net of ze thuis is. Daar heeft ze er eentje die zich met soortgelijk gebonk door het leven beweegt.
Vanochtend aan de ontbijttafel vroeg ze haar echtgenoot of het niet verstandig was de jongens thuis te houden, vanwege het gerommel, dat sinds zonsopgang steeds luider leek te worden.
‘Hoezo?’ vroeg hij met volle mond, niet eens opkijkend van het rapport dat hij doorbladerde. Hij nam een slok thee en spoelde een hap brood weg.
‘Vanwege de Russen.’ Het was de tweede keer dat ze het onderwerp aansneed. Vanmorgen vroeg wilde ze alleen bij haar echtgenoot schuilen, maar nu... nu verwachtte ze antwoorden en actie.
‘Jij met je Russen...’ zei hij zacht. ‘Ik heb je toch gezegd dat ze...’
‘Ik ben niet gek. Mijn hart zegt dat mijn jongens als ze uit school komen beter binnen kunnen blijven. En we moeten hier weg.’
Haar echtgenoot zette zijn kop op tafel. ‘Die jongens gaan vanmiddag gewoon naar buiten. Een gezonde geest in een gezond lichaam. En wij blijven. Ik kan toch niet als... als kapitein het schip verlaten.’
Op z’n hoogst is hij tweede stuurman, maar dat zei Christine niet, ze zuchtte alleen diep.
‘Misschien moeten ze dat kettinkje afdoen,’ zei hij even later, terwijl hij van tafel opstond. ‘Het kamp komen ze helemaal niet meer binnen.’
‘Nee, laat ze alsjeblieft dat kettinkje omhouden.’
‘Wat jij wilt.’ Hij draaide zich van haar af, naar de piano, waar hij midden in de nacht nog op had zitten oefenen, tot wanhoop van haar. ‘Ik heb te veel aan mijn hoofd voor dit soort vermoeiende gesprekken. Vanavond moet ik spelen... Goed, ze houden het kettinkje om en als ze uit school komen, gaan ze buiten spelen, ze weten heel goed waar de grens van hun speelterrein ligt en jij ziet erop toe dat ze op tijd thuis zijn, zodat je erbij kunt zijn vanavond.’
Boink-stap, boink-stap, daar komt de kapper weer aan, met een ronde spiegel in een houten lijst. Net als hij die omhooghoudt, zodat Christine haar kapsel van achter kan zien, grijpt de man onder de kreet ‘Mijn been!’ naar zijn houten poot.
De spiegel valt in stukken op de vloer.
lucienne in de trein
Haar adem maakt een condensplek op het venster waar ze met haar wang tegenaan leunt. Lucienne onderdrukt de neiging het vocht van het glas te likken.
Een beker melk, een bad, schone kleren, een opgemaakt bed en iets anders dan zanderige soep, rottende knollen en brood hard als steen, daar verlangt ze naar.
Als die trein maar eens wat sneller ging rijden dan stapvoets.
Vlak bij een gebouwtje aan de oever van het meer gooien twee jongens hun hengels uit. Een onbezorgd beeld van lang geleden, een ansichtkaart die je vanaf je vakantieadres naar huis stuurt: ‘We hebben het goed hier!’
herbert in het stadje
Door de winkelruit van de Damen- & Herrenfriseur ziet Herbert dat mevrouw gelukkig nog steeds in de stoel zit. De kreupele kapper veegt met een bezem de scherven van een spiegel bij elkaar. Op deze feestdag heeft hij zijn zaak speciaal voor mevrouw langer opengehouden.
Zodra mevrouw aanstalten maakt om op te staan, haast Herbert zich terug naar de stoffige dienstwagen.
karl in de feestzaal van de kommandantur
De Jood heeft zijn tuba op de grond gelegd en is aan het werk gegaan. Zelf bladert Karl door de partituur. De lastige passages — en dat zijn er voor hem nogal wat — heeft hij thuis in de verloren uurtjes en tot merkbare ergernis van Christine misschien drie, vier keer geoefend en pas gisteren, toen het middernacht was geweest, na een deprimerend bezoek aan Himmler, vond hij de tijd en de rust de sonate één keer in zijn geheel door te spelen. Of tijd en rust? Hij heeft zichzelf gedwongen, terwijl boven zijn hoofd Christine stampvoetend op haar kamer rondbanjerde. Tot zijn afgrijzen is dat doorspelen bepaald geen foutloze exercitie geweest en hij heeft er de hele nacht van wakker gelegen.
lucienne in de trein
De trein is bijna tot stilstand gekomen. Lucienne is bang dat ze weer zal moeten uitstappen. Vrijwel tegelijkertijd hebben de vissende jongens met een vinnige ruk hun hengel opgehaald en nu draaien ze hun lichamen naar elkaar. Afgaand op hun gebaren zijn ze elkaar aan het uitfoeteren.
Het moeten broers zijn.
De lege maag van Lucienne krimpt ineen.
De kleinste doet enkele stappen naar achter en hij neemt een aanloop om als een bok met zijn kop naar voren tegen zijn grote broer aan te beuken, die hij vol in de buikstreek raakt.
johanna in de ziekenbarak
De professor stapt uit zijn spreekkamer en vraagt of Johanna plannen heeft voor vanavond — even denkt ze dat hij haar mee uit wil vragen (waarnaartoe in godsnaam?), maar dan begrijpt ze wat hij bedoelt.
‘Wij vieren het heuglijke feit in besloten kring,’ zegt ze en ze buigt haar hoofd. ‘Met mijn vader, moeder en met...’, ze schrikt van wat ze bijna wilde zeggen. ‘...en met mijzelf. Uiteraard.’
‘Ik zou willen dat ik bij mijn familie kon zijn, maar helaas...’ Zijn stem stokt en hij kucht met een verontschuldigend glimlachje.
Vergist Johanna zich of knippert hij met zijn ogen?
De professor trekt zijn ouderwetse, zilveren horloge tevoorschijn uit de zak van het zwarte uniform dat hij onder zijn witte jas draagt. ‘Dan kunt u wat mij betreft wel gaan, mejuffrouw Löw. Ik wens u een genoeglijke avond.’
Ze heeft nog nooit vrij gekregen en ze weet niet wat ze moet zeggen. Vrij? Het zit haar niet lekker.
Werktuigelijk maakt ze een knicksje dat de professor vriendelijk aanziet, waarna hij weer achter de deur van zijn spreekkamer verdwijnt.
hanns op het bordes van de kommandantur
Het is redelijk weer, eindelijk is de zon gaan schijnen. Voor het eerst sinds vanmorgen vroeg komt Hanns buiten. Overal zijn mensen bezig, alsof ze nog snel dingen af willen maken voor vanavond het feest losbarst. Kalm wandelt hij naar de hoofdpoort van zijn kamp, terwijl hij de tijd neemt om een beetje om zich heen te kijken en te luisteren naar het gerommel in de verte.
lone op de steiger aan de oever van het meer
Voor de hoeveelste keer ze vandaag de kiepkar door de modder naar het meer hebben geduwd en getrokken, Lone kan het onmogelijk zeggen. Ze recht haar rug, ook al mag dat niet. Ze moet zodra ze op de spekgladde steiger staat zonder treuzelen een zware kei uit de platbodem tillen en naar de kiepkar brengen. Een ander aankijken om te overleggen, je uitrekken of een paar seconden je ogen sluiten: het kan het laatste zijn wat je doet. Even op je hoofd krabben en je zit een week in de Bunker te hongeren tussen de ratten die aan je tenen beginnen te knabbelen zodra je in slaap dreigt te vallen.
Toch blijft Lone op de steiger staan en kijkt in de richting vanwaar ze zijn gekomen.
Ze wil weten of iedereen nog leeft.
Copyright © 2025 Bert Natter