Gerwin van der Werf heeft het Boekenweekgeschenk 2025 geschreven: De krater. Het geschenk, dat de winnaar is van een novellewedstrijd, is ons cadeau bij besteding vanaf € 15,- aan boeken tijdens de Boekenweek (12 t/m 23 maart). Tijd om de schrijver beter te leren kennen, tijd voor een fragment uit Een onbarmhartig pad (2018). Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!
In Een onbarmhartig pad van Gerwin van der Werf pikken Tiddo en Isa een lifter op tijdens een reis door IJsland. De lifter raakt bevriend met het stel en reist langer mee dan gepland. Maar als Tiddo hem in een opwelling een geheim toevertrouwt dat als een bom onder zijn huwelijk met Isa ligt ziet Tiddo in dat hij de lifter moet afschudden. Dat leidt tot een wilde tocht over een van de gevaarlijkste wegen ter wereld. Een onbarmhartig pad is een razendspannende roadnovel over een man die tot het uiterste gaat om te behouden wat hij eigenlijk al kwijt is.
Het zwarte land is kaalgeschoren door wind en duizend winters. Geen levend wezen heeft er iets te zoeken, zelfs de morsdode stenen liggen er tegen hun zin. Astronauten verbleven er een week om te oefenen voor de eerste maanlanding. Het is niet moeilijk te geloven dat het er op de maan zo uitziet als in Askja, stoffig en levenloos. Maar dan heb je Öskjuvatn nog niet gezien, het kratermeer, het houdt zich verborgen achter een bergrug en is zo magnifiek dat je van pure opwinding iets heel anders gaat geloven: dat alles mogelijk is, zelfs troost of verlossing in een woestijn van as. Öskjuvatn, grijs als lood. Maar niet bij helder weer, dan ligt er ineens een stuk hemel aan je voeten. Het meest onvoorstelbare is dit: er gaat een weg naartoe, een tweehonderd kilometer lang pad waarvan je al na een kilometer gaat denken dat het met evenveel zorg als kwaadaardigheid door trollen en duivels in precies de juiste rampzalige staat wordt gehouden, vermits de weg al zichtbaar is, en niet bedekt door sneeuw of verdwenen in een snelstromende rivier zonder naam.
Dat is wat de lifter mij vertelde over Askja. Ik vond het nogal bombastisch klinken, alsof hij het voorlas uit een ouderwetse reisgids. Maar hij sprak begeesterd, zonder haperen en geheel uit zijn hoofd.
Deel I
De ringweg
1
Het moest de reis van ons leven worden, met een camper door IJsland toeren. Zolang ik Isa ken wil ze al naar IJsland. Vroeger konden we het niet betalen, na de geboorte van Jonathan vonden we een korte vakantie in eigen land al een opgave. Nu was er geld, Jonathan was oud genoeg, en ik, tja, ik had ook mijn redenen. Geloof het of niet, ik was ervan overtuigd dat deze reis mijn huwelijk ging redden.
Op de dag van ons vertrek bracht ik nog een bezoek aan mijn moeder. Ze had mij de avond ervoor door de telefoon laten weten dat ze me nog iets wilde geven. ‘Je moet me niks geven,’ zei ik. ‘Ach schei uit,’ antwoordde ze, ‘maar als je niet kan komen zou het wel jammer zijn.’ Het was een half uur rijden naar het dorp waar ik was opgegroeid en onze vlucht naar Keflavík vertrok pas om vijf uur ’s middags. Dus had ik gezegd dat het wel zou lukken.
Om een uur of tien parkeerde ik mijn auto bij haar voor de deur. Moeder zat niet op haar vaste plek, haar leesstoel voor het raam. Dat betekende dat ze in de keuken koffie aan het zetten was. De bezoekjes aan mijn moeder verlopen volgens vaste patronen. Ik zou een kop koffie met een wolkje melk van haar krijgen, ze weet dat ik geen suiker in de koffie heb. Dat ik al een paar jaar mijn koffie zwart drink, zonder die vette melk, heb ik ooit zonder duidelijke reden verzwegen en als je eenmaal bent begonnen met zwijgen, probeer dan je mond nog maar eens open te doen. Ze zal bij de koffie eerst vragen naar Jonathan, ze vraagt wanneer hij weer eens langskomt. Mijn ontwijkende antwoord neemt ze voor lief. Ze vraagt naar Isa, altijd in combinatie met het werk: ‘Alles goed met Isa, op haar werk?’ Dat is omdat Isa min of meer samenvalt met haar werk. Hoe anders is dat bij mij, ik werk op een kantoor, slechts drie dagen in de week. Ik bén mijn werk niet, integendeel, ik ben allesbehalve mijn werk. Als iemand vraagt hoe het met mij gaat schakel ik meestal in dezelfde zin al over naar Isa, hoe het met háár gaat. Isa werkt ook veel, ze is moleculair biologe en doet onderzoek naar eiwitsynthese. Voorheen onderzocht ze het kweken van blauwalgen voor biobrandstof. Ja, met mijn vrouw kan je aankomen. Overigens, dat ikzelf niet zoveel hoef en een eenvoudig leven nastreef met mijn gezin betekent niet dat ik geen dromen heb en niet weet wat hartstocht is – wat mensen vaak denken als je genoegen neemt met een paar dagen per week doorbrengen op een kantoor. Je maakt er gewoon wat minder werk van en houdt dingen voor jezelf.
Bij de buren waren alle ramen dicht, geen fietsen voor de deur, geen speelgoed in de tuin. In juli bestond het dorp uit spookstraten, merkwaardig leeg en steriel alsof het een filmset was die na de koffiepauze weer bevolkt zou worden door acteurs die leken op je buren. De sleutels van het huis staken in mijn zak, want het was het huis waarin ik was opgegroeid.
‘Hallo!’ riep ik, niet hard want in dit huis werd niet geschreeuwd. Ik trok zoals altijd mijn schoenen uit op de mat en liep door naar de kamer. Ik rook geen koffie, dat vond ik vreemd. In de woonkamer noch de keuken trof ik mijn moeder. Het kwam wel eens voor dat ze een dutje deed rond de middag, maar kwart over tien leek mij wat vroeg. Bovendien verwachtte ze me. Enfin, haar leeftijd stond haar toe te breken met tradities rond mijn bezoekjes. Als ze wilde rusten dan mocht ze rusten, in dat geval kneep ik er wel weer tussenuit.
‘Hallo mam!’ riep ik. Het galmde door de keuken. Een schok van herkenning: het klonk precies als vroeger, wanneer ik uit school kwam, door de achterdeur naar binnen ging, mijn schoenen uittrok en riep. Ik liep op mijn sokken door de kamer, de synthetische vloerbedekking voelde vertrouwd aan mijn voeten. Ik had daarnet niet goed opgelet, want nu zag ik op de salontafel een grote bruine envelop liggen. Voor Tiddo en Isa stond erop, in het handschrift van mijn moeder, krachtige letters die vooroverhelden. Ik pakte de envelop op, hij voelde zwaar aan. Ik scheurde hem open en haalde er een stapel bankbiljetten uit. Briefjes van vijftig euro. Er zat ook een ansichtkaart in, met een foto van een spuitende geiser erop. Hoe was ze daaraan gekomen? De volgende woorden stonden achterop: ‘IJsland is erg duur. Maak er een fijne reis van. De reis van jullie leven! Liefs, je moeder.’ Ik telde het geld, het waren twintig biljetten. Ik stopte het geld terug en liep met de envelop in de hand naar de gang. Onder aan de trap riep ik nogmaals. ‘Mam!’ Geen reactie. Ze was natuurlijk een boodschap doen. De koffie was op en ze had het zojuist pas gemerkt. Ik liep terug naar de woonkamer en ging op de bank zitten, tegenover haar leesstoel. Ik haatte het als ze mij geld gaf, omdat het voelde alsof mijn liefde en toewijding betaald werden. Vooruitbetaald, om het maar te zeggen zoals het is. Ik hield van mijn moeder want ik wist dat zulke overwegingen nimmer in haar hoofd zouden opkomen. Ze is een goed mens.
‘Dat had je niet hoeven doen, mam,’ zei ik.
‘Ach jongen, laat mij nou maar.’
‘Het is veel geld.’
‘Zolang het nog kan doe ik het graag.’
Ik haalde de stapel bankbiljetten nogmaals uit de envelop, speelde ermee, en las de tekst op de ansichtkaart opnieuw. De reis van jullie leven.
‘Hoe kom je nou aan zo’n kaart, mam?’
Ik keek naar de lege stoel.
‘Ik denk wel eens,’ ging ik verder, ‘dat jij op alle plekken waar ik naartoe ga al bent geweest, stiekem, om te controleren of het er leuk is, en veilig, en niet al te duur.’
Ik stopte het geld weer terug, speelde een tijdje met de envelop terwijl ik daar zat. Waar bleef ze nou? Veel langer kon ik hier niet blijven zitten, ik moest Isa helpen met de koffers, Jonathan achter de vodden zitten. Een man redt zijn huwelijk niet alleen met reisjes, je moet er ook hand-en- spandiensten voor verrichten. Ik wilde op mijn telefoon kijken of ze me misschien gebeld had, of om Isa te bellen dat ik hier zat te wachten, maar toen ik voelde aan mijn broekzak herinnerde ik mij dat het ding thuis aan de oplader hing. Mijn moeder was natuurlijk helemaal vergeten dat ik nog zou komen, die envelop lag er al sinds gisteren en zij was koffie gaan drinken bij een buurvrouw of een oud dametje uit de kerk. Nee, ik kon echt niet langer blijven wachten. Dan maar een boodschap achterlaten. Ik zag nergens papier, maar kon desnoods op de achterkant van de envelop schrijven. Dus ging ik op zoek naar schrijfgerei, eerst op tafeltjes en de vensterbanken. Daarna trok ik de kast open waarvan ik wist dat er serviesgoed in zat. Ten slotte opende ik alle keukenlades. Niets.
‘Ik bel je wel, mam,’ zei ik hardop om mijn schuldgevoel terug het hok in te jagen. ‘Vanmiddag nog.’
Enkele ogenblikken later reed ik de straat uit.
[…]
© 2018 Gerwin van der Werf