Zojuist is bekendgemaakt dat Gerwin van der Werf het Boekenweekgeschenk 2025 heeft geschreven: De krater. Het geschenk, dat de winnaar is van een novellewedstrijd, is ons cadeau bij besteding vanaf € 15,- aan boeken tijdens de Boekenweek (12 t/m 23 maart). Tijd om de schrijver beter te leren kennen, tijd voor een fragment uit Wilgeneiland. Lees de eerste pagina’s en koop dat boek!
De dertienjarige Natan wil het mysterie ontrafelen rond de dood van een kluizenaar die op een woonboot in de Hollandse veenplassen woonde. De dorpsbewoners zitten daar helemaal niet op te wachten. Oud Zweiland houdt de gelederen gesloten, en de torenklok wijst hardnekkig kwart voor vijf aan.
Wilgeneiland is een spannende roman over vier ontwortelde mensen die proberen grip te krijgen op zichzelf en de wereld.
Aalt
(1978)
Alles is hier water, het land zelf is water, de bodem is onvast en een mens hoeft maar een schop in de grond te steken, een plag los te wrikken, en hij heeft alweer natte voeten. Het regent al dagen, het moet toch een keer ophouden maar het houdt niet op. Het wilgeneiland is half ondergelopen en het water in de Zwarte Poel staat zo hoog dat het tegen de onderkant van de steiger klotst. Aan die steiger ligt maar één woonboot, een oude platte schuit met een houten opbouw waar het weer in is gaan zitten. Binnen sist een oude petroleumkachel, naast de kachel ligt een hond te snurken, gekras van een paletmes over een schilderdoek, regen tegen de ramen.
De schilder zet met olieverf vegen op een doek, laag over laag, zwart op zwart. Hij drinkt veel koffie, eet nauwelijks en stuurt de hond tweemaal per dag naar buiten zonder zelf mee te lopen. Hij kijkt naar zijn schilderij, het is alsof hij het niet zelf gemaakt heeft, wat is er toch gebeurd met hem? Ik zal de hemel en aarde doen beven. Ik zal wegvagen... Ik weet niet of ik het ga redden, zegt hij tegen de hond, ik weet het niet maar ik moet dit doen, snap je? Snap je dat?
De hond knikt.
Nee, natuurlijk niet. De hond knikt helemaal niet, de hond snurkt, hij is het zelf die knikt, alsof ze even van plaats zijn gewisseld. Hij is de hond en de hond is hem en ze snappen het allebei. In Oud Zweiland zeggen de mensen: van iedereen die hier niet helemaal thuishoort, is die man met die hond wel de vreemdste.
Aan de overzijde van de ronde veenplas, op de Poeldijk, draait de molen overuren om het overtollige water uit de achtergelegen polder weg te pompen. De mensen hier denken dat ze het water beheersen, maar dat is een misvatting, ze kunnen zichzelf niet eens beheersen.
Als de kerkklok vier uur slaat trekt hij zijn jas aan. De ijzerzaag ligt al een paar dagen midden op tafel, als een herinnering aan wat hij moet doen. Hij moet iets doen en nu is het tijd. Het is tien minuten roeien naar het haventje, dan vijf minuten lopen naar de kerk, vervolgens kost het hem naar schatting vijf minuten om met een doornatte jas boven in de toren bij het uurwerk te komen. Als dat volgens plan gaat heeft hij twintig minuten om de klus te klaren. Hij heeft berekend dat het in tien kan.
Braaf zijn, zegt hij tegen de hond, en hij stapt van boord, de regen in.
Deel 1
Natan
1992
1
Er staat een jongen op de Poeldijk, hij kijkt uit over de polder. Hij slaat een vlieg van zijn arm, van zijn been, weer van zijn arm en daarna laat hij het maar. Het is zo’n jongen, oud genoeg om zich al verloren te voelen in de wereld en jong genoeg om desondanks te geloven dat hij het middelpunt is. Wie op de Poeldijk staat waant zich vanzelf het middelpunt, het hele land strekt zich voor je uit, de hele zomer ligt aan je voeten. De dagen zijn warm en lang, het is de tijd van klaprozen en fluitenkruid, van de grutto’s die boven het weiland cirkelen om hun jongen te bewaken. Hij draait zich om naar het stille water, er dobberen eenden, futen, lelies en geheimen. Hij haalt een opschrijfboekje en een potlood uit zijn achterzak, gaat zitten in het gras en slaat het boekje open op zijn knie. Er zoemt van alles rond zijn hoofd, bijen en hommels zweven van kruid naar kruid. Hij ziet een libelle, weg is-ie alweer, hij blaast een paar muggen voor zijn gezicht weg en schrijft drie regels op.
De rozen klappen
Het kruid fluit
De grutto blaast het liedje uit
Zijn vader heeft hem over de grutto’s verteld, zijn vader is een autoriteit op het gebied van grutto’s en andere dingen in de polder. Over dat uitblazen is hij niet tevreden, het is kinderachtig en grutto’s kunnen niet blazen. De eerste regels vindt hij goed bedacht en hij vindt ook dat wanneer je een gedicht van drie regels hebt er best één de minste mag zijn, alleen mag de minste regel niet te veel aandacht trekken. Hij vraagt zich af of hij naar de overkant van het meer kan zwemmen, het lijkt te doen maar als je eraan bent begonnen valt het vaak tegen.
Zijn ouders hebben een woonark gekocht, die ligt afgemeerd in de Zwarte Poel. Het is leuk om te zeggen: ik woon op een woonboot in de Zwarte Poel. Hij is nog niemand tegengekomen tegen wie hij dat zou kunnen zeggen. Vanaf de dijk kan hij zijn woonboot zien, de eerste in een rijtje van zes. Hij mist zijn fiets, die hebben ze in de opslag gedaan. ‘Dat komt wel,’ zei zijn vader toen hij ernaar vroeg, wanneer dat komt is onduidelijk, het klonk alsof het vanzelf zou gaan, je kijkt even niet en hup de fiets is er. Je kan hier ook niet echt fietsen, behalve kilometerslang rechtdoor tot je eindelijk in de stad bent.
De rozen klappen
Voor het kruid dat fluit
De grutto zwaait de kievit uit
Dat is een flinke verbetering. Even is hij tevreden en niet eenzaam. Hij wil vanaf de dijk steentjes in het water gooien, hij wil rimpels in het oppervlak maken, maar er zijn geen steentjes. Nieuw riet, fier en frisgroen, verdringt de oude, dorre stengels. Tussen de zuidelijke oever waar het dorp ligt en de noordoever met de woonarken ligt het wilgeneiland. Een oude woonboot ligt daar scheef in het water tussen het riet.
De rozen klappen
Het kruid dat fluit
De grutto lacht de koeien uit
Twijfel, hij weet niet of het gedicht beter is geworden of juist slechter. Hij is die klappende rozen al een beetje zat. En grutto’s maken wel een pesterig geluid als ze boven het weiland cirkelen, grut-to, grut-to, maar waarom zouden ze de koeien uitlachen? Van zijn aanvankelijke bravoure is weinig over. Schrijven is een verschrikkelijk geklungel met woorden. Woorden zijn niks, ze bestaan niet eens echt, je kan ze zelf verzinnen en dan nóg krijg je ze niet klein want je weet nooit precies wat ze gaan doen. Hij steekt het opschrijfboekje terug in zijn achterzak, trekt aan een stengel fluitenkruid, de wortels verzetten zich, hij maakt zich kwaad en wint het, knarsend komen de wortels uit de grond. Hij zwaait de plant wild om zich heen, weg, ga weg, zegt hij tegen zijn eigen stomme gedicht.
‘Wat doe jij?’
De stem van een meisje. Hij zag haar helemaal niet aankomen en nu staat hij voor gek met z’n geroep en dat slappe fluitenkruid in zijn handen. Hij gooit het achter zich en wrijft zijn handen schoon alsof hij iets heeft begraven.
[…]
© 2024 Gerwin van der Werf