Nu in al onze boekhandels en nieuw binnen in de NRC-top 10: de nieuwe Arnon Grunberg, Het aanwezige been, met verhalen over verleiding, verraad en verlies, en de soms verregaande gevolgen daarvan. Lees een fragment en koop dat boek!
In Het aanwezige been onderzoekt Arnon Grunberg met mededogen, humor en niet-aflatende interesse in zijn lotgenoten de mens die telkens weer vatbaar blijkt te zijn voor allerlei soorten verleidelijkheid.
Zoals een vrouw van middelbare leeftijd, werkzaam voor een hulporganisatie, die vanuit een door oorlog geteisterd land een kind naar het Westen probeert te smokkelen, of een vader die voor het huwelijksfeest van zijn dochter de duurdere kreeftravioli besluit te bestellen, of een jongeman die tijdens de Koude Oorlog eerst voor de verleidingen van het socialisme valt om vervolgens die van het kapitalisme aantrekkelijker te vinden – overal in deze bundel klinkt de echo van de Matthäus-Passion: Erbarme dich, mein Gott.
Het aanwezige been
Zijn trein gaat om 17.56 uur, elke dag weer. Toch loopt hij nooit rechtdoor naar het perron. Hij heeft de gewoonte op het laatste moment links af te slaan, alsof het een ingeving is, snel de trap op, om aan de bar van het Italiaanse restaurant, waar een bord pasta net zo duur is als een nacht in een fatsoenlijk motel, een cocktail te drinken, en vervolgens neemt hij de trein van 18.34 uur naar huis. Eigenlijk mist hij vijf dagen per week zijn trein en rent hij de trap van het restaurant op alsof hij niet een trein maar een cocktail moet halen.
‘Er gaat altijd een volgende trein, Tom,’ zegt de barkeeper, maar later dan 18.34 uur wil Tom het niet maken. Hij heet trouwens helemaal niet Tom, ze zijn hem hier Tom gaan noemen en hij heeft zich dat laten aanleunen. Hij laat zich veel aanleunen, niet uit gemakzucht maar omdat het zijn manier van leven is. Hij volgt wegen die anderen voor hem hebben uitgestippeld, maar op werkdagen tussen 17.56 en 18.34 uur is hij Tom en drinkt hij een gin-tonic of een martini, afhankelijk van zijn stemming. Verder drinkt hij nooit, verder permitteert hij zich geen uitspattingen.
Het is niet meer van deze tijd, hoe hij leeft. Het is niet meer van deze tijd om tussen 17.56 en 18.34 uur Tom te zijn en een cocktail te drinken; zijn hoed is niet meer van deze tijd, zijn schoenen evenmin. Hij heeft drie dochters, de middelste belt hem geregeld op en zegt dan: ‘Even kijken hoe het met mijn favoriete bejaarde gaat.’ Ook dat laat hij zich aanleunen, terwijl hij helemaal niet bejaard is, hij heeft nog niet eens de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Hij is uit de tijd gevallen, maar dat was al zo bij zijn geboorte. Toen zijn oudste dochter trouwde moest hij vreselijk huilen, wat niets voor hem is, hij is geen man die te koop loopt met zijn emoties, hij is überhaupt geen man van grote emoties, althans dat heeft hij lang gedacht. Maar hij kon het niet helpen, hij liep over het grasveld van een hotel tussen allemaal mensen die hij amper kende, met zijn oudste dochter aan zijn hand, en de tranen stroomden over zijn wangen. Toen hij eenmaal was begonnen te huilen kon hij niet ophouden. Het leek eindeloos te duren, al die gasten, die verre familieleden, zeker drie huwelijksgasten in een rolstoel, klanten, studievrienden, een handvol Europeanen, twee Argentijnen, vijf Australiërs, drie Pakistanen en één Afrikaan. Niemand kon zeggen dat ze niet internationaal georiënteerd waren, zijn oudste dochter en haar man. In de verte, onder een doek tegen de zon, stond de bruidegom, daar moest zijn dochter naartoe, en verder waren er de tranen die over zijn gezicht stroomden, zijn pak (nieuw), de trouwjurk (ook nieuw, een vreselijk ding, vond hij), en zijn zakdoek, samengeknepen in zijn hand. Hij had het gevoel dat hij doodging, vooral toen zijn dochter fluisterde: ‘Het wordt nu gênant, pap’, maar ook omdat hij helemaal niet wist waarom hij zo onbedaarlijk moest huilen. Hij begreep het niet. De oudste was niet eens zijn lievelingsdochter. In de verte stond de bruidegom nog altijd onder het schaduwdoek, een tikkeltje ongeduldig leek het, een goede man, voor zover een vader zijn schoonzoon ooit werkelijk goed genoeg vindt; hij verhield zich tot zijn schoonzoon zoals hij zich tot klanten verhoudt.
Ooit had hij kunstgeschiedenis gestudeerd, die studie had hij niet afgemaakt, en daarna had hij nog de kunstacademie in Europa gedaan om vervolgens ergens in een verlaten stadje in Alabama oude tractoren om te vormen tot kunst. Een metamorfose. Hij had ook zelf een tractor gemaakt, die niet kon rijden, hij was er maanden mee bezig geweest. Artforum had over zijn werk geschreven dat Gregory Cole met tractoren deed wat Panamarenko met vliegtuigen had gedaan. Maar niemand wilde zijn kunst kopen, verzamelaars niet omdat je een tractor niet in je woonkamer kunt zetten, musea niet omdat Cole niet maakte wat ze zochten; kenners zeiden dat hij met zijn tractoren te laat of te vroeg was. Waarschijnlijk te laat, maar diplomatiek als ze waren sloten de kenners de mogelijkheid van postume roem niet helemaal uit. Een keer had een kleine stad (Annapolis, hij kende er mensen) hem opdracht gegeven voor het maken van een kunstwerk op een plein – een tractor, wat anders? –, maar onder druk van de bewoners moest het gemeentebestuur de opdracht intrekken. De mensen wilden geen tractor in de openbare ruimte, al was het kunst. Daarna had hij nog een tijd schilderijen van tractoren gemaakt, maar meer dan vijfhonderd dollar hadden ze nooit opgebracht en ook dat maar één keer. Even was Cole erg boos geworden op de kunstmarkt en ‘wat tegenwoordig kunst heette’, maar dat duurde niet lang, want voor langdurige woede had hij geen talent.
Kort daarop werd Cole verliefd op een jonge vrouw die interesse toonde in zijn tractoren, niet om er een te kopen, maar ze wilde ze zien, en toen ze de tractoren had gezien ging ze open als een bloem. Nog nooit had hij meegemaakt dat zijn tractoren zo’n effect hadden. Ze noemde zijn kunst ‘monumentaal, bombastisch en toch ironisch’. Dat zou hij nooit vergeten. Monumentaal. Toen dat woord uit haar mond kwam viel hij voor haar. Wat ze verder nog zou zeggen maakte amper uit.
Ze vreeën voor de eerste keer met elkaar in een van zijn dode tractoren, ze raakte zwanger, ze trouwden, en omdat hij acuut geld moest verdienen ging hij aan de slag als verzekeringsagent in het bedrijf van de vader van een van zijn studievrienden. In korte tijd baarde zijn vrouw Lizzy drie dochters en Cole vereenzelvigde zich steeds meer met zijn werk als verzekeringsagent. De Greg Cole die in een heet en verlaten stadje maanden bezig was geweest met oude tractoren was verdwenen alsof hij nooit had bestaan. Er was niets van zijn kunst overgebleven. De tractoren waren opgekocht door mannen die in oud ijzer handelden en die zelf ook uit de tijd waren gevallen. Hele delen van het land waren uit de tijd gevallen, hele delen van de wereld. Over het verleden praatten de Coles niet meer. Er was alleen nog toekomst.
Cole woonde inmiddels in een voorstad in een huis met een tuin. Met zijn kunst was een deel van hemzelf verdwenen zonder dat hij daar rouwig om was. Soms moesten delen van jezelf verdwijnen, desnoods met geweld, amputeren als het niet anders ging. Zijn vrouw wist wie hij was geweest, maar ondanks haar bewondering voor zijn werk, achteraf gezien vooral voor zijn inspanning, leek ze het prettig te vinden dat hij was veranderd in een verzekeringsagent. Als je drie kinderen hebt kan een beetje stabiliteit geen kwaad, al was het maar de illusie van stabiliteit, zodat je ’s nachts niet wakker hoeft te liggen.
Omdat zijn vrouw en hij vonden dat bij hun leven nog een kerk hoorde, waren ze lid geworden van een mild kerkgenootschap (waarvoor abortus en homoseksualiteit geen groot probleem waren). Ze bezochten elke zondag een mooi kerkje dat in een buurt met vrijwel uitsluitend identieke huizen (waarvan zij er ook een bewoonden) stond, eerst met de meisjes en later alleen. Het was allemaal meer om bij een gemeenschap te horen, om te integreren, dan dat ze nu zo vreselijk in God geloofden. De vrouw van Cole was Joods, weliswaar geassimileerd, maar toch vond ze een kerk aangenaam exotisch, zeker in het begin. ‘Jezus geeft me vleugels,’ zei ze. Zo had hij nooit naar Jezus gekeken, maar als zijn vrouw vleugels van Jezus kreeg kon er met de Verlosser weinig mis zijn. Al keken de paar Europese vrienden die hij nog had er wel van op dat hij een kerkganger was geworden. Een van hen mailde hem: ‘Ga je nu ook op kruistocht?’ Hij begreep dat het een grap moest zijn, maar het was een grap die hem niet beviel. Op haar beste momenten zag hij zijn vrouw als een wezen met vleugels.
[…]
Copyright © Arnon Grunberg 2025