Arnon Grunbergs met de AKO Literatuurprijs en de F. Bordewijkprijs bekroonde roman De asielzoeker (2003) staat op plaats 36 in de lijst met beste boeken van de 21ste eeuw. Tijd voor een fragment!
Een beetje humaan uitbuiten, daar doe je de mensen een groot plezier mee. Christian Beck, vertaler van gebruiksaanwijzingen, ontdekt alternatieve vormen van geluk en liefde. Ooit ontmaskerde hij zelfbedrog en illusies terwijl zijn vrouw in de woestijn dieren bestudeerde. Nu leeft hij voor haar. Samen met de nieuwe man van zijn vrouw vlucht hij de werkelijkheid in, omdat de zachte verdoving van de kick, het langzaam vergeten dat je bestaat, een kerker blijkt te zijn.
De asielzoeker is een roman over een man die aan de wetten van de handel probeert te ontkomen. Een tijdlang heeft hij van alles gekocht, nu geeft hij zichzelf weg.
1
‘De vogel is ziek.’ Op een ochtend, het is nog vroeg maar al benauwd in de woning, de hitte van weken is blijven hangen, wordt Christian Beck met deze woorden gewekt door zijn vrouw. Ze heeft haar witte nachthemd aan dat ze ook al had toen ze twaalf was.
Beck is beducht voor gevaar, al weet hij niet precies van welke kant het zal komen; daarom slaapt hij licht. Zijn vrouw heeft niet veel moeite hoeven doen om hem wakker te maken, haar gefluisterde stem was genoeg, het woord ‘ziek’. Beck weet dat de dood bij voorkeur toeslaat waar je hem niet verwacht; om hem te slim af te zijn heeft hij besloten de dood overal en altijd te verwachten. Iets in hem is gestorven, hij wacht tot de rest zal sterven, zodat alle delen weer gelijk zijn, of, dat kan natuurlijk ook, totdat het gestorven deel weer tot leven komt, als een verlamde arm die onverwacht beweegt. Hij geeft de hoop niet op, hij weet niet hoe dat moet.Als er iets krankzinnigs in hem is, is het zijn hoop, daarom heeft hij besloten die te onderdrukken, te veel hoop is levensgevaarlijk.Maar helemaal verdwenen is die natuurlijk niet. Net zomin als bij een moeder die tegen de reporter zegt die vragen stelt over haar verdwenen zoon: ‘Schrijft u op dat ik denk dat hij leeft, schrijft u op dat ik weet dat hij leeft.’
Beck weet dat hij leeft. Hij gaat rechtop zitten, vaag herinnert hij zich dat hij gedroomd heeft over het vertaalbureau waar hij werkt. Daar droomt hij wel vaker over. Het woord ‘ziek’ is in zijn hoofd blijven hangen. Ziek, een woord als een klop op de deur die hij al een paar maanden eerder had verwacht, verbaasd dat ze hem nu pas komen arresteren. Hij weet de schijn van luchthartigheid te bewaren. ‘Jullie hebben er lang over gedaan, heren.’
Hij ziet het angstige gezicht van zijn vrouw, ze drukt haar neus even tegen de zijne; dat gezicht kent hij goed, beter nog dan zijn eigen – hoe vaak heeft hij dat gezicht niet bekeken, bestudeerd zou je moeten zeggen? Net zo goed kent hij de nachtjapon, haar haren. Er kleeft, zoals zo vaak om deze tijd van de dag, een restje nachtcrème aan de neusvleugel, maar de angst is nieuw. De angst lijkt haar gezicht te vervormen.
Christian Beck vertaalt gebruiksaanwijzingen, uit het Engels in het Duits, gebruiksaanwijzingen voor stofzuigers, auto’s, printers, fotokopieerapparaten, elektrische steps. Hij is een gewaardeerd vertaler, want hij is precies en vriendelijk. Ze zijn met zijn zessen op het vertaalbureau, inclusief de coördinatrice.
Soms zegt een vertaler: ‘Ik ben jarig, er staat taart in de keuken.’ Tussen twee gebruiksaanwijzingen door gaat Beck dan naar de kleine keuken, snijdt een stuk taart af, ook als hij daar eigenlijk geen trek in heeft, en feliciteert de jarige vervolgens hartelijk. Bijna altijd neemt hij de moeite nog een paar persoonlijke vragen te stellen die niemand kunnen kwetsen. En als hij zelf jarig is, verklaart hij: ‘Ik ben jarig, ik heb taart in de keuken gezet.’
Het verloop onder de vertalers is groot, de meeste blijven niet langer dan een jaar, hooguit anderhalf, voor hen is het vertalen van gebruiksaanwijzingen een tussenstation. Beck werkt er al meer dan tien jaar. Ze hebben hem een keer aangeboden coördinator te worden, maar dat betekent dat hij langere dagen zou moeten maken,meer verantwoordelijkheid moet nemen, hoewel hij natuurlijk ook beter zou gaan verdienen. Hij heeft er vriendelijk voor bedankt.
Alle vertalers hebben een formulier moeten ondertekenen waarin staat dat ze aansprakelijk zijn voor ongelukken die voortvloeien uit vertaalfouten, maar dat is niet de reden dat Beck secuur is. Hij is van mening dat mensen recht hebben op een apparaat met een deugdelijke gebruiksaanwijzing. Als hij merkt dat een nieuwe collega slordig is, zegt hij: ‘Neem de tijd, we worden per uur betaald, niet per woord.’
Dat hij nooit iets over zichzelf vertelt valt niemand op, het verleent hem ook niet de schijn van een mysterieus en geheimzinnig man, want hij is wat hij voorwendt te zijn: een gelukkig mens, gelukkig met weinig.Gelukkig zijn met weinig is net als tennissen of biljarten een kwestie van oefening.Hij heeft lang geoefend en uiteindelijk is het hem gelukt. Zonder gebruik te maken van God, meditatie of een zeldzame kruidenthee. Dergelijke hulpmiddelen zijn volgens Beck uitsluitend bestemd voor valsspelers. Hij speelt niet vals, hij wil de afgrond zonder vangnet tegemoet treden.
Een enkele keer gaat hij met wat collega’s na afloop van het werk een biertje drinken. Hij is minder ernstig dan men zou vermoeden wanneer men hem gebogen ziet over de gebruiksaanwijzingen. Hij is vooral onopvallend, maar dat is in zijn geval een keuze. Een zekere mate van onzichtbaarheid is een voorwaarde voor geluk.
Beck kijkt naar het gezicht van zijn vrouw, naar haar donkere wenkbrauwen, haar huid – hij is een man die van huid houdt, de vlekken, de korrels, de schilfers, de ongewenste haren, maar ook de zachtheid, de warmte, het zweet, de poriën die zich openen in de hitte. Dan kruipt zijn rechterhand over het kleine bureau naast het bed, op zoek naar zijn bril, alsof hij niet al genoeg ziet, alsof hij nog meer wil zien. Hij ruikt zijn vrouw, hij ruikt haar deodorant die nogal een overheersende geur heeft, op warme dagen wordt die geur hem soms bijna te veel, maar hij zegt nooit iets.Het is zinloos alles uit te spreken wat je denkt, je roept opinies in het leven die beter nooit geboren hadden kunnen worden. Ruzies die ontaarden, het ene woord lokt het andere uit, iemand pakt een vork of een schroevendraaier, en waarom? Er valt niets te winnen.
De werktijden van het vertaalbureau zijn aangenaam, van twaalf tot vijf.Maar Beck gaat vaak al om half tien de deur uit. Zijn vrouw doet wetenschappelijk onderzoek, en dat doet ze sinds een paar jaar thuis. Hij wil haar niet storen. Hij wandelt, hij leest wat in een openbare bibliotheek, bij mooi weer in een park. Ze had eerst een kamertje op de universiteit, maar dat was haar te lawaaiig, en er liepen mensen op de afdeling rond aan wie ze een hekel had. Luidruchtige, oppervlakkige dames, daar viel nog mee te leven, maar ze waren uitsluitend aan het klagen, de hele dag door. Daarom besloot ze haar onderzoek thuis af te ronden.
Het heeft te maken met taalverwervingsexperimenten bij dieren, ze praten er zelden over. Zoals ze ook niet over gebruiksaanwijzingen praten. Ze hebben andere dingen om over te spreken. Werk is niet wat ze delen, ze delen elkaars geur, elkaars verleden, elkaars bed, elkaars eenzaamheid, dat laatste misschien meer nog dan al het andere. Eenzaamheid deel je zwijgend, er komt een zekere berusting bij kijken, je weet dat je isolement niet verder kan worden opengebroken dan deze paar scheuren, je hebt de grenzen van wat ‘ontmoeting’ genoemd kan worden bereikt, dichterbij zal de ander nooit komen. Dichterbij is een illusie, nog dichterbij is gevaarlijk.
Mensen verwachten vaak, ten onrechte, dat hun relatie, hun geliefde een eind zal maken aan de eenzaamheid. Beck en zijn vrouw verwachten dat niet, ze verwachten eigenlijk weinig van elkaar, ook dat delen ze. Beck zoekt ontroering in een vrouw, al kwam hij daar pas laat achter.Geen bevrediging, geen zichtbaar en overdreven geuite liefde, geen bevestiging – wat zou er bevestigd moeten worden, hijzelf? Nee, bevestiging zoekt hij niet meer en mysterie interesseert hem ook al niet bovenmatig. Dat alles is leuk voor even, alleen op ontroering kun je langer teren. Wat Beck zoekt is misschien wel onschuld, en niet alleen in de vrouw. Het is de onschuld die hem ontroert, soms zo erg dat hij moet vechten tegen zijn tranen, maar dat ziet niemand, het gevecht noch de tranen. Net als opinies die worden uitgesproken en zo een eigen leven gaan leiden, zo weet hij dat ook emoties die openbaar worden gemaakt groter kunnen worden dan goed is voor de betrokkenen. Liefde is je reinste discipline, net als massamoord en fabrieksarbeid, zij is niet toegeven aan je emoties maar juist ertegen vechten. Mensen die hun emoties niet in bedwang houden zijn onvoorspelbaar en levensgevaarlijk.
Christian Beck zou je een onschuldzoeker kunnen noemen, een verzamelaar van onschuld, zoals iemand anders vlinders verzamelt. Hij voedt zich met de onschuld van anderen, zijn melancholie komt voort uit het besef dat zijn voedsel aan het uitsterven is, en dat hij bijdraagt aan dat proces.
© Arnon Grunberg