Vanaf 16 september in de boekhandels: Arundhati Roys nieuwste, Mother Mary comes to me, vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen! Wij publiceren voor. Lees een fragment en bestel je boek!
- ‘In dit boek leeft mijn moeder, mijn gangster, voort. Ze was mijn schuilplaats en mijn storm.’ — Arundhati Roy
Diepbedroefd na de dood van haar moeder, Mary, maar tegelijkertijd verbaasd en ‘geplaagd door schaamte’ over haar heftige reactie, begon Roy aan dit boek. Ze probeerde de gevoelens te doorgronden die ze koesterde tegenover de moeder van wie ze zich op haar achttiende had losgemaakt, ‘niet omdat ik niet van haar hield, maar om van haar te kunnen blijven houden.’
Zo begint dit adembenemende, soms schokkende en verrassend grappige verhaal over Roys leven, vanaf haar jeugd in Kerala, India, waar haar alleenstaande moeder een school oprichtte, via de bekroonde romans en essays die ze schreef, tot de dood van haar moeder.
Dit verhaal, dat de grootsheid, reikwijdte en diepgang van haar romans combineert met de passie, politieke helderheid en warmte van haar essays, is een ode aan vrijheid, een eerbetoon aan weerbarstige liefde en nietsontziende onverschrokkenheid.
Gangster
Ze koos september, die schitterende maand, om toe te slaan. De moesson was net voorbij en Kerala lag als een smaragdgroene strook te glinsteren tussen de bergen en de zee. Toen het vliegtuig opzij helde om de landing in te zetten en de aarde zich verhief om ons te verwelkomen, schrok ik van de felle, fysieke pijn die topografie blijkbaar kan veroorzaken. Nooit eerder had ik dit dierbare landschap gezien, nooit eerder had ik het in mijn verbeelding of herinnering opgeroepen, zonder dat zij er deel van uitmaakte. Ik kon niet aan die heuvels en bomen denken, aan de groene rivieren, de slinkende, onder asfalt bedolven rijstvelden met de rijzige billboards die reclame maakten voor vreselijke bruidssari’s en nog vreselijker sieraden, zonder aan haar te denken. Voor mij was ze met alles verweven, groter dan het grootste billboard, gevaarlijker dan een kolkende rivier, hardnekkiger dan de regen, aanweziger dan de zee zelf. Hoe had dit kunnen gebeuren? Ik wist het werkelijk niet. Zonder enige waarschuwing was ze ertussenuit geknepen. Onvoorspelbaar als altijd.
De kerk wilde haar niet. Zij wilde de kerk niet. (Daar zat een nare geschiedenis achter, met God had het niets te maken.) En dus moesten we – gezien haar status in onze stad, gezien onze stad – zelf een passende plechtigheid voor haar verzinnen. Voor de plaatselijke kranten was haar overlijden voorpaginanieuws, en ook de meeste landelijke kranten maakten er melding van. Op internet kwam een stroom liefdesbetuigingen op gang van de vele generaties die op haar school hadden gezeten en wier levens ze zo had beïnvloed, en van mensen die afwisten van haar legendarische en succesvolle juridische strijd om gelijke erfrechten voor christelijke vrouwen in Kerala. Deze stortvloed aan in memoriams bevestigde nog eens hoe belangrijk het was om haar het afscheid te geven dat ze verdiende. Maar hoe moest dat er dan uitzien? Gelukkig was de school gesloten op de dag dat ze stierf en waren de kinderen thuis. We hadden de campus voor ons alleen. Dat was een grote opluchting. Misschien had ze ook dat zo gepland.
Ik was nog maar drie toen ze voor het eerst tegen me begon over haar dood en de gevolgen daarvan voor ons, en dan vooral voor mij. Ze was toen dertig, verzwakt door astma, volkomen platzak (haar enige waardevolle bezit was een onderwijsdiploma) en net weg bij haar man – mijn vader, zou ik moeten zeggen, al klinkt me dat vreemd in de oren. Ze was bijna negenentachtig toen ze stierf, dus we hadden zestig jaar de tijd om het te hebben over haar aanstaande dood en haar nieuwste testament, dat ze – gezien haar obsessie voor erfenissen en testamenten – bijna om de week herzag. Zelfs Houdini zou onder de indruk zijn geweest van het aantal miraculeuze ontsnappingen, loze alarmen en kantjeboords. We hadden een zekere rampenresistentie ontwikkeld. Ik was er oprecht van overtuigd dat ze mij zou overleven. Toen dat niet gebeurde, brak mijn hart in duizend stukken. De hevigheid van mijn reactie verbaasde me en vervulde me met diepe schaamte.
Mijn broer wreef het er nog eens pijnlijk in. ‘Ik snap niet dat het je zo raakt. Ze was tegen niemand zo gemeen als tegen jou.’ Misschien had hij gelijk, al was ik van mening dat die eer hem toekwam. Ik snapte waarom hij vond dat ik mezelf omlaaghaalde door niet te onderkennen wat ons als kind was overkomen. Maar dat had ik allemaal achter me gelaten. Ik heb zulk groot leed gezien en beschreven, zoveel stelselmatige ontberingen, zoveel ongebreidelde slechtheid, zoveel verschillende verschijningsvormen van de hel, dat ik mezelf alleen maar gelukkig kan prijzen. Ik zie mijn eigen leven als een voetnoot bij de dingen die er echt toe doen. Nooit tragisch, vaak lachwekkend. Of misschien maak ik mezelf dat alleen maar wijs. Misschien heb ik mijn kamp daar opgeslagen waar de wind het sterkst is, in de hoop dat mijn hart uit mijn lichaam wordt geblazen. Misschien is wat ik hier ga schrijven een vorm van verraad aan mijn jongere ik door degene die ik nu ben. Dat zou geen geringe zonde zijn. Maar het is niet aan mij om daar een oordeel over te vellen.
~
Toen ik achttien was, sneed ik de banden met thuis door – voor zover je het thuis kon noemen. Ik ging er niet meer naartoe. Dat was aan het begin van mijn derde jaar aan de architectuuropleiding in Delhi.
In die tijd kwamen we op ons zestiende van school. Zo oud was ik dan ook in de zomer van 1976, toen ik, in mijn eentje en zonder een woord Hindi te spreken, voor het eerst op station Nizamuddin uit de trein stapte om toelatingsexamen te gaan doen. Ik was doodsbang en had een mes in mijn tas. Delhi lag een treinreis van drie dagen en twee nachten verwijderd van Kochi, dat een autorit van drie uur verwijderd ligt van onze woonplaats Kottayam, dat weer een paar kilometer verwijderd ligt van het dorp Ayemenem, waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht. Waarmee ik maar wil zeggen: voor mij was Delhi een heel ander land. De taal was anders, het eten was anders, het klimaat was anders: alles was anders. Voor mij was de stad onbevattelijk groot. In mijn geboortestreek wist iedereen wie waar woonde. Schaapachtig vroeg ik aan de bestuurder van een tuktuk of hij me naar mevrouw Joseph kon brengen, de oudere zus van mijn moeder. Ik nam aan dat hij wel wist waar die woonde. Hij nam een flinke haal van zijn beedi en wendde zich met een verveelde blik af. Twee jaar later rookte ik zelf beedi’s en had ik me die blik van verveelde minachting volledig eigen gemaakt. Mijn mes had ik verruild voor een flinke voorraad hasj en een grootsteeds air. Ik was geëmigreerd.
Ik had de banden met mijn moeder niet doorgesneden omdat ik niet van haar hield, maar om van haar te kunnen blijven houden. Dat zou onmogelijk zijn geweest als ik was gebleven. Na mijn vertrek heb ik haar jaren niet gezien of gesproken. Ze is me nooit komen zoeken. Heeft nooit gevraagd waarom ik was weggegaan. Dat hoefde ook niet. We wisten allebei het antwoord. We kozen voor een leugen. Een mooie leugen. Door mij geconstrueerd: ‘Ze hield genoeg van me om me te laten gaan.’ Zo schreef ik het voor in mijn eerste roman, De God van Kleine Dingen, die ik aan haar opdroeg. Ze haalde dat zinnetje vaak aan, alsof het een goddelijke waarheid betrof. Mijn broer zegt altijd gekscherend dat dat het enige echte stukje fictie in het hele boek is. Tot aan haar dood heeft ze me nooit gevraagd hoe ik me staande heb gehouden in die zeven jaar dat ik haar uit mijn leven had gebannen. Ze heeft me nooit gevraagd waar ik woonde, hoe ik mijn studie heb weten te voltooien. Ik heb het haar ook nooit verteld. Ik hield me staande, punt.
Na onze gespannen, aarzelende hereniging haalde ik de banden weer aan; in de loop der jaren ging ik geregeld bij haar op bezoek, als autonome volwassene, als gediplomeerd architect, als production designer en als schrijfster, maar vooral als een vrouw die een andere vrouw gadeslaat met liefde en bewondering – en een flinke dosis onbehagen – niet alleen vanwege haar positieve eigenschappen, maar ook vanwege die andere kant van haar. In die conservatieve, benauwende Zuid-Indiase stad, waar mierzoete deugdzaamheid – of het voorwenden daarvan – destijds de enige optie was voor vrouwen, gedroeg mijn moeder zich als een geslepen gangster. Ik zag hoe ze heel haar wezen – haar intelligentie, haar excentriciteit, haar radicale goedheid, haar militante moed, haar genadeloosheid, haar onbaatzuchtigheid, haar wreedheid, haar autoritaire gedrag, haar zakeninstinct en haar onstuimige, onvoorspelbare temperament – lustig botvierde op onze kleine, geïsoleerde Syrisch-christelijke gemeenschap, die vanwege haar relatieve rijkdom en hoge opleidingsgraad was gevrijwaard van het kolkende geweld en de verlammende armoede die de rest van het land teisterden. Ik zag hoe ze in dat kleine wereldje een plek veroverde voor zichzelf in al haar facetten. Het was een regelrecht wonder – even angstaanjagend als betoverend om te zien.
Op een gegeven moment begon ik zelfs geboeid te raken door haar wrok over het moederschap – toen ik eindelijk in staat was mezelf (althans tot op zekere hoogte) te beschermen tegen de verpletterende wreedheid waarmee die gepaard ging. Soms moest ik lachen als ze er weer eens open en bloot uiting aan gaf. Niet schaterlachen, meer zoals je soms ineens moet gniffelen als je alleen bent. Als je een bepaalde gebeurtenis met chirurgische precisie lossnijdt van de omstandigheden en er emotieloos naar kijkt, zonder context. Alsof ze de moeder van een ander was, alsof niet ik maar iemand anders het mikpunt was van haar wrok.
[…]
© 2025 Arundhati Roy
© 2025 Nederlandse vertaling Inger Limburg en Lucie van Rooijen / Wereldbibliotheek