Leesfragment: ’s Nachts komen de vossen

14 maart 2025, door Cees Nooteboom

Cees Nootebooms met de Gouden Uil bekroonde verhalenbundel ’s Nachts komen de vossen (2009) staat op plaats 13 in de lijst met beste boeken van de 21ste eeuw. Tijd voor een fragment!

In 's Nachts komen de vossen dwaalt Cees Nooteboom naar mensen en gebeurtenissen uit het verleden: weg van de waan van de dag, weg van de levenden. Er is een prachtige lijn te ontdekken in het schrijverschap van Nooteboom. Waar in zijn debuutroman Philip en de anderen de jonge auteur op zoek ging naar de gebeurtenissen en stof zocht voor zijn schrijverschap, blikt hij nu terug en weet hij ontmoetingen, personen en gebeurtenissen te verweven tot ragfijne, maar ook spannende verhalen.



 

Onweer

Ik ben zelf een barometer, had hij tegen haar gezegd toen ze voor de barometer stonden. Ik voelhet tot in mijn skelet. Een ander zou gezegd hebben tot in mijn botten,maar Rudolf zei skelet, omdat hij wist dat Rosita dat irritant vond. Hij wist ook waarom zij het irritant vond, datmaakte het erger. Zij had een letterlijke geest en zág dus ook een skelet, wat ze niet aangenaam vond.De tijd van de vanitasschilderijen is voorbij, zei ze, je zet toch ook geen doodskopmeer op je werktafel. Als je dat een uur geleden gezegd had zou ik niet met je hebben geneukt. Geen zin in zo’n skelet boven opme. Ze zag het voor zich, klapperende ribbenkasten, in elkaar bijtende schedels. Je bent soms een echte klootzak. Alleen maar omdat het weer verandert. Daar zei hij niets op terug, omdat het waar was, zowel het een als het ander. Ineens was de zomer voorbij. Grauwe wolkenkastelen, hetwit van de Spaanse huizen ineens vaal, en straks de tuin onder water, want als het kwam, kwam het goed,met bakken. En de melancholie die erbij hoorde. Deuren die de hele zomer open geweest waren moesten dicht, de grote wandelingen langs de kust moesten naar een vroeger tijdstip verzet worden, er viel een donker gat tussen het uur dat de duisternis inviel en het uur waarop je in Spanje kon gaan eten. Dat betekende vroeger drinken in een bar of in het ineens niet meer zo aangename huis bij een elektrisch kacheltje een beetje kleumerig zitten lezen. Onuitstaanbaar dat zij daar geen last van had. Zij had, als hij er goed over nadacht, eigenlijk nooit ergens last van. Niet van slapeloosheid, niet van verveling. Ze verdween eenvoudig naar haar werkkamer, enwas daar kennelijk gelukkig. Hoe iemand gelukkig kon zijn die al jaren aan een geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging werkte was hem een raadsel. Alles wat ze erover vertelde, van Domela Nieuwenhuis tot en met Henritte Roland Holst, vervulde hem met diep wantrouwen. Allemaal mensen met dubbele namen die het goed gemeend hadden met de uitgebuite klasse. Nuwas het een eeuw later en de te verheffen klasse van ooit stond getatoeëerd als een Maori met een radio keihard aan op een ladder het huis naast je te schilderen. Gejengel en gestamp, vette stemmen van populaire dj’s, en op de televisie plat pratende nieuwe beroemdheden die een seizoen lang de helden waren in een of andere soap. Ze zoudeneens terug moeten komen, zei hij dan, de Gorters ende Van Eedens. Ze zouden zich de pleuris schrikken. Eindelijk gelukt, de dictatuur van het proletariaat, kunst voor het volk. Ik zie d’arbeiders dansen in zilvren rijen aan de rand van de oceaan, zo’n soort regel. Gorter, geloof ik. Gelukt ook nog, in de disco in Torremolinos. Haar antwoord daarop was meestal een zacht neuriën, waarvan hij nooit zeker wist of het niet een uiting van minachting of van groot medelijden was. Een licht, hoog zoemen, een soort vogelgemurmel, alsof ze al bezig was van hem weg te vliegen.
Maar dat was ze niet van plan. Ik heb je gekocht met je gezeur erbij, zei ze bij een van zijn zeldzame aanvallen van berouw. Ze was gevallen op een man die kleine beelden uit hout sneed, een barometer was en aan zonsverduistering leed. Zodra de zon verdween moesten er geheime reservoirs worden aangesproken, strategieën bedacht om een allesomvattende somberheid af te weren. Nacht en winter waren zijn natuurlijke vijanden. Dan lag het hout onaangeroerd in zijn studio, ontstonden er geen gekorven droomwezens en kregen de galeries geen antwoord. Hij werd dan een schip dat zonder koers door het duister voer, ze voelde dat haar eigen gelijkmoedigheid hem hinderde, maar ze wist ook dat haar onkwetsbaarheid voor wat hij zijn zwarte gal noemde, hem overeind hield tot hij weer aan de wisseling van het seizoen en het donker dat daar bij hoorde gewend was. De beste strategie was om er dwars tegenin te gaan.

Zullen we naar San Hilario gaan?
Hij haalde zijn schouders op. San Hilario was een dertig kilometer verderop. Je kwam er door een nogal wild landschap. Het was een kleine baai met een strand dat ze nog maagdelijk gekend hadden, maar waar een projectontwikkelaar een hotel had neergezet. Niet ver daarvandaan lag boven het strand een oud café waar je wat kon eten, zoiets wat de Spanjaarden een chiringuito noemen. Binnen alles witgeschilderd, plastic tafels, een groot stenen terras, aluminium stoelen die een hoog schrapend geluid maakten als je ze verschoof. Bij dit donkere weer zouden de tl-buizen al aan zijn. Neon hielp, dat achtte ze proefondervindelijk bewezen zonder hem dat te vertellen. Een langwerpige witte, koude nepzon als placebo, dat werkte.

Het was het eind van het seizoen, dus weinig of geen toeristen. Onderweg barstte het onweer los. De wolken waren loodgrijs geworden, zware massa’s die over het groen van de oleasters hingen alsof ze die wilden verzwelgen. Plotseling lichtte het landschap vreemd op, de eerste bliksem. Na de scherpe, droge donderslag die volgde joeg nu ook hagel met woeste vlagen tegen de auto aan, roffels op het dak. Ze keek opzij, omdat ze wist dat hij nu opgetogen zou raken. Er moest een taal zijn, dat had hij ooit gezegd, om alle wolkensoorten te beschrijven. Arduin, kalksteen, leisteen, witte pluizen, gevaarlijk gruis. Ze wist dat hij nu het liefst uit de auto wilde stappen, het onweer in. Als het maar dramatisch was. Wat ik nodig heb zijn grote gebeurtenissen van natuurlijke aard, zo had hij het omschreven. Die kreeg hij nu, op zijn wenken bediend, zoals altijd. Ze had moeite de kleine Seat op de weg te houden. Een eenzame motorrijder was afgestapt en werd een ogenblik lang door de bliksem geëtst als een standbeeld in het landschap. De parkeerplaats bij het café was bijna leeg, toen ze uitstapte stond ze tot haar enkels in het water. Terwijl ze naar het overdekte terras renden hoorden ze het geluid van de branding, nog aangejaagd door het fluitende geluid van de storm. Het grauw van de zee ging over in het grauw van de lucht, het kleine eiland dat daar voor de kust lag was nauwelijks te zien.

[…]

 

Copyright © 2009 Cees Nooteboom

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3