Leesfragment: Alles voor de reis

17 januari 2026, door Adriaan van Dis

Vandaag verschijnt de nieuwe roman van Adriaan van Dis: Alles voor de reis! Lees nu een fragment

Een ongeneeslijk zieke vrouw kiest voor een hospice want daar kan ze ook haar minnaar ontvangen. In een aanklikbed. Met morfinepleisters en een verboden glas wijn uit een theekopje. In de weken die haar resten vraagt zij hem haar mee op reis te nemen. ‘Ik wil weg hier!’ Het tweetal maakt een vlucht in de verbeelding, beleeft wonderlijke literaire tochten en vindt steun bij schrijvers en dichters. Maar zij verkennen ook elkaar. Hun verschillen, overeenkomsten, de leugens, vrijages, het verraad en de wonden die hen vormden.

‘Kon ik haar stem maar in woorden klank geven. Zo zacht en warm, zonder sporen van een accent, maar wel ingehouden deftig. Ze was ouderwets beschaafd. Als ik haar in zinnen oproep, hoor ik haar. Zie ik haar… Laat ik dan proberen haar uiterlijk te beschrijven. Ga toch zitten, liefje, dit gaat nog even duren. Ik ga je met wildvreemden delen.’


 

Op zoveel plekken snoof ik je op. In je luie stoel, met de kat op schoot, rook je naar meisje. Fris en warm. In je tuin werd je gras, en donkere aarde. In je hangmat onder de dennen waaide het hars in je haar. Hoor de dennenappels knappen in de hitte! Zullen we de zaadjes laten dwarrelen? Ogen dicht, ik blaas je schoon.
Je kijkt nu uit op een rode beuk. Donkere bladeren ruisen in de ommuurde tuin. Je bent verhuisd naar een vreemd hoog bed, met groene strakke lakens. Je hebt het stijfsel losgetrapt. Ik ruik je angst, ik zie het krommen van je lichaam, het geel in je ogen. Mijn neus verkent je van je enkel tot het holletje in je knie en vandaar naar de heuvel en het vermoeden van haartjes. Voor het eerst sinds weken heb je je lippen gestift: L’Absolu Rouge. Alsof je uitgaat. Zoetheid waar ik niet van mag proeven, je adem is in de rouw. Mijn mond zoekt de vleugels van je neus… Je daar te mogen knuffelen. O lieve Pinokkio. Jok maar. Vlucht maar.

 

 

Het bed stond in de hoogste stand. Ik duwde het kussen in haar rug en zette haar rechtop. Er zong een merel in de beuk.
‘Ik wil weg hier, zullen we op reis gaan?’
De leuning van mijn stoel tikte tegen het valhek om haar bed.
‘Maar waarheen dan?’
Ze pakte mijn hand. ‘Naar de tijd dat ik nog klimmen kon.’
‘Hoe jong wil je zijn?’
‘Van een onschatbare leeftijd…’
‘Dan gaan we naar de dijk bij de Waal, boterbloemen plukken.’
‘Nee, geen boterbloemen, die ruiken naar de dood.’
‘Maar het was wel onze eerste keer.’
Ze kneep me. Een traan welde op.
‘Maak ik je nu verdrietig?’
‘En gelukkig.’

In de eerste week van onze liefde vertelde ze het verhaal: het was een heerlijke lentedag, niet lang na de oorlog. De buitenbanen waren weer open. Moeder uit tennissen. Zusje van twee ontsnapt aan het oog van de boven een boek gebogen oppas. Zusje de gang in. Zusje naar boven. De trap op. De kamers verkennen. Het opklapbed. Eraan gaan hangen. Erin geklommen. Zusje klem. Moeder terug van tennis. Waar is Zusje? Dood. Gestikt in het opklapbed.
En wat doe je dan als zevenjarig meisje voor je gestorven zusje? Boterbloemen plukken voor op het witte kistje.

Achtendertig jaar lang reden we elke lente langs de Waal – tot aan dat zanderige stukje onder aan de oever waar we voor het eerst vreeën en na afloop (afloop? het was een begin, oplopend, hemelhoog) plukten we boterbloemen. Ik werd die dag toegelaten. In haar binnenste – verboden gebied, maar het kierde zo overspelig. Geilheid en geelheid vloeiden die dag. Stoeiden die dag.
En daarna reden we naar het graf.
Vreemd gelukkig.
In de auto poetste ik met spuug de grasvlekken uit mijn broek.
‘Wat ben jij toch een tut,’ zei ze.

 

En weer was het lente, onze laatste samen. De krokussen prikten door de aarde. Elke morgen klom de zon over de muur van de tuin in het hospice. Klopte aan bij het halfgesloten gordijn en kroop dun door de kamer. Elke dag een paar minuten vroeger.
Ik schudde een extra kussen op. Ze klauwde naar de streep licht op haar gezicht…

*

Goudhaartje grijpt naar de zon. Ik sta achter haar, in een cel van het Oranjehotel in Scheveningen. De gevangenis van de Duitse bezetter is tot museum verbouwd. De hoge ruimte maakt haar klein – een getraliede hemel verlicht de muren. Ze leest de namen op het ruwe steen, telt de krassen van gezeten dagen. Haar vader zat ook in zo’n cel. Staat zijn naam erbij?
Wat was het toch een mooie man. Het duurde even voor ik hem mocht leren kennen. Hij had natuurlijk door dat ik verliefd was. Hij ontleedde mij met zijn chirurgenoog en zag aan mijn zitten en opstaan dat ik een rugprobleem had. ‘Afvallen,’ zei hij. ‘Je moet wel de koffer van mijn dochter kunnen dragen.’
Uiteindelijk mochten we elkaar graag. Op zijn oude dag liep hij met een wandelstok waar een dun zwaard in zat. Ik wist toen nog weinig over zijn achtergrond. Eefje leek op hem: dezelfde lach en lichte spot om de mond, even blond en rank, alleen zij minder sportief en gespierd. Er staat een foto van hem op het kastje naast haar hoge bed: een jonge papa die met één arm een baby boven zijn hoofd laat spartelen. Eefje als trofee.
Die rechterarm bracht hem naar de Olympische Zomerspelen van 1936. Als student schermde hij een prijzenkast vol en mocht hij zijn land in Berlijn vertegenwoordigen. Hij schrok van de plakkaten en de hakenkruisvlaggen. En die blonde ariërs in interlock, leek hij daarop? Hij gruwde van de propaganda. De opgeheven rechterarm, het Wir gehören dir als de Führer in het stadion verscheen. Hoorde over Jodenjacht en bekladde winkels. En liep weg. Dan maar geen medaille.
De sportman werd voor spelbreker uitgemaakt. Lafaard zelfs. Niet door die slimme scheikundestudente op het Rapenburg. Dochter van een familie uit de residentie – voorstanders van strikte neutraliteit. Een bevriend staatshoofd beledigde je niet. Zij koos voor een durfal uit Zeeland die zijn mond opendeed. In het blaadje voor schermers waarschuwde hij voor met de nazi’s dwepende nsb’ers in de sport. Mein Kampf vond hij een gevaarlijk boek. Kämpfen werd ook gebruikt in de vechtsport. Maar de strijd van Hitler had daar niets mee te maken.
Ze trouwden nog datzelfde jaar.

Toen in mei ’40 de Duitsers Nederland binnenvielen, was verzet voor hem een vanzelfsprekendheid. Niet met het floret of de sabel. De groep waar hij zich bij aansloot koos voor andere wapens: geweren, pistolen – gestolen uit Duitse kazernes. Acht maanden voor de bevrijding liep hij in de val en werd opgesloten in het Oranjehotel. Hij hoorde de gemartelden schreeuwen, luisterde hoe gevangenen werden weggevoerd om de kogel te krijgen als represaille voor door het verzet omgelegde Duitse hoge pieten. Ook hij kraste zijn naam in de muur. Al konden we die niet vinden omdat bij restauratie maar een paar cellen in hun oorspronkelijke staat gespaard bleven.

[…]

 

Copyright © Adriaan van Dis

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3