Leesfragment: Levende wezens

22 juni 2026, door Iida Turpeinen

Nu op de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2026: Iida Turpeinens roman Levende wezens (Elolliset), uit het Fins vertaald door Annemarie Raas! Tijd voor een fragment.

Op expeditie naar de Noordelijke IJszee doet Georg Steller een unieke ontdekking: de zeekoe. Minder dan dertig jaar later is het reusachtige zoogdier van de aardbol verdwenen.

Levende wezens is het meeslepende en overweldigende verhaal over de drang te doen herleven wat de mensheid in haar onwetendheid heeft vernietigd.

  • ‘Een belangrijke Europese roman over een wereld in vrije val. Je zult dit boek met ingehouden adem lezen.’ – Helsingin Sanomat


 

60°10’16”N 24°55’52”E
Natuurhistorisch Museum
Helsinki

Bij binnenkomst moet je eerst langs een Afrikaanse olifant. De muren hangen vol met vissen, kikkers en vogels zonder huid. Het zou spookachtig kunnen lijken, maar de mensen lopen er zorgeloos en oplettend rond, gaan van de ene vitrine naar de andere om beenderen en informatiebordjes te bestuderen, en uiteindelijk richt iedereen zijn aandacht erop.

In eerste instantie zien ze paarden, beren, zeehonden en slangen, dunne botten die dier voor dier vakkundig en onzichtbaar met elkaar zijn verbonden. Ze vormen herkenbare gestalten, bekend uit prentenboeken en dierentuinen, maar dan ziet de voorbijganger de totaal afwijkende overblijfselen van dit dier voor zich.

De andere skeletten in de zaal zijn wit en schoon; niets doet denken aan de bloederige rotzooi die ontstaat wanneer je botten uit een wezen peutert dat kortgeleden nog leefde. Maar dit skelet heeft een oneffen, versleten oppervlak. De beenderen zijn vergeeld, als een vergeten krant op zolder, de wervels en ribben zijn bezaaid met breuken en scheuren, en op plaatsen waar ze gebroken zijn geweest, onthult het donkere oppervlak een lichtere, poreuze glans. De botten vertonen kneuzingen en markeringen. Op de ribben zijn twee getallen genoteerd: sommige keurig in inkt, andere in potlood. De markeringen helpen ons negentien paar gebogen ribben te tellen. De ribben zijn in een delicaat handschrift genummerd, maar de volgorde van de wervels is met dikke, schaamteloze viltstift op de botten aangebracht. Aan de atlaswervel hangt bovendien een label, een soort vergeeld archiefkaartje, dat je alleen kunt zien als je bukt op een manier die de aandacht van de zaalwachter trekt, maar in die houding kun je het volgende lezen: de getypte woorden rhytina stelleri en het jaartal 1960. En toch: het opvallendst aan dit dier zijn niet de markeringen die de mens erop heeft achtergelaten, maar zijn omvang.

Ontdaan van zijn vlees is een beer als een magere, ellendige hond, en een paard krimpt tot een pony, maar dit dier reduceert ook zonder huid en vlees de andere skeletten in de zaal tot breekbaar speelgoed. Als je de volgende zaal betreedt, zie je dat zijn botten qua sterkte niet onderdoen voor het imposante geraamte van een bultrugwalvis. De omvang van het dier trekt de aandacht. Kinderen rennen erheen en roepen ‘Een dinosaurus!’, want daar verheugen ze zich het meest op. Maar de ouders twijfelen. Ze hebben de kaart van het museum bekeken en weten dat de prehistorische dieren op de tweede verdieping te vinden zijn, niet hier. En dus buigen ze zich voorover en lezen ze hardop voor wat er op het informatiebordje staat:

stellerzeekoe, hydrodamalis gigas

 

 

Stel je de Beringzee voor, de watermassa tussen Siberië en Alaska, tussen de Stille Oceaan en de Noordelijke IJszee. Stel je de Beringzee voor in het jaar 1741.

 

 

I

Al deze schatten in de drie koninkrijken van de natuur, die door de hoogste Meester zo kunstig zijn opgebouwd, die hij toestaat zich te vermenigvuldigen en zo zorgvuldig onderhoudt, lijken puur ter wille van de mens te zijn geschapen. Alles kan door hem worden gebruikt, zo niet direct, dan in elk geval indirect. Andere wezens hebben dit voordeel echter niet. Door zijn verstand temt de mens de wildste dieren, achtervolgt en vangt hij de snelste wezens; ja, hij weet zelfs bij de dieren te komen die zich verborgen houden op de bodem van de zee.

Linnaeus, Oeconomia Naturae, 1749

*

 

53°3’55”N 158°37’32”E
Kamtsjatka, het Russische Verre Oosten
1741

Alle ontdekkingsreizen beginnen met een kopje thee. Kapitein Vitus Bering schenkt thee in, die wordt gedronken door theoloog, natuuronderzoeker en excentriekeling Georg Wilhelm Steller. De kapitein schenkt in, want hij heeft een opdracht. De grootse imperator spoorde hem aan een zeeweg van Azië naar Amerika te zoeken en in kaart te brengen, en Bering ging op weg. Dat was twintig jaar geleden. Hij liet de kust achter zich en zeilde naar de onbekende wateren in het noorden, maar de nevel was volhardend, het weer was slecht, de watervoorraad slonk en ze zetten koers naar huis. Bering keerde terug met een nauwkeuriger kaart van het schiereiland Kamtsjatka, maar de bovenste hoek van de wereldkaart was nog steeds leeg, en Peter de Grote verliet deze wereld zonder te weten waar de Nieuwe Wereld eindigde.

De imperator sterft, maar het idee niet. Er moet een nieuwe poging worden gedaan, een betere poging. Keizerin Anna geeft daartoe de opdracht, en nu drijven er twee schepen in de Avatsjabaai, de Svjatoj Pjotr en de Svjatoj Pavel, de Heilige Petrus en de Heilige Paulus. Die bieden plaats aan een honderdkoppige bemanning; er zijn twintig mannen nodig om de zeilen te hanteren. Eromheen worden een haven, barakken, werkplaatsen en gammele woonruimtes opgetrokken, en op de schepen na is alles smerig, klein en koud.

Voor de Grote Noordelijke Expeditie werden drie wetenschappers geselecteerd, gerespecteerde geleerden van de nieuwe Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg. Er werd niet bespaard op hun uitrusting en entourage. Ze kregen gezelschap van zes assistenten, zes landmeters, twee tekenaars en dertien soldaten, een tolk, een arts, een technicus en een tamboer en trompetter, en van gidsen, roeiers en dragers. Ze hadden een wetenschappelijke bibliotheek met honderden werken bij zich, 9 sleelasten met instrumenten, 4 telescopen, 5 astrolabia, 20 thermometers, 27 barometers, 216 paarden en tonnen vol met kwalitatief hoogwaardige rijnwijn. Waardig feestvierend lieten ze de hoofdstad achter zich; het gezelschap had eerst achtduizend kilometer Siberië voor de boeg, en vervolgens een nog onbekende zee.

Wanneer de professoren in Jenisejsk arriveren, zijn ze al jaren onderweg. Vijf lange, uitputtende jaren, en ze zijn nog niet eens halverwege. In Jakoetsk vliegt hun onderkomen in brand, samen met al hun specimens en aantekeningen. Het werk van jaren gaat in rook op, en iedereen begint er genoeg van te krijgen. De astronoom krijgt ruzie met de etnograaf, en hoe verder ze oostwaarts komen, des te ellendiger wordt het allemaal. Uiteindelijk neemt men een besluit. De professoren schrijven naar de Academie en vragen om ontheffing van hun taken; ze wachten het antwoord niet af, maar laten hun paarden omkeren in westelijke richting.

De kapitein ziet zijn natuurwetenschappers huiswaarts gaan, maar onderweg ontmoeten ze een onderzoeker die niet onder de indruk lijkt te zijn van het barre Siberië. Een bijzondere man, die niet om poeders of pruiken geeft en zijn bier en zijn honingwijn uit één en dezelfde beker drinkt, maar die uitblinkt in zijn werk en met verstand van zaken over grassen en vogels praat die de kou in het oosten verdragen. Professor Gmelin beveelt aan deze man in hun plaats aan te nemen, en kapitein Bering doet wat hij moet doen. Hij schrijft een vriendelijke, gezaghebbende brief waarin hij Georg Wilhelm Steller uitnodigt naar de haven in de Avatsjabaai te komen.

Natuuronderzoeker, theoloog en excentriekeling Georg Wilhelm Steller zit rechtop op zijn stoel. Hij heeft zijn beste pak aangetrokken, maar dat wil niet veel zeggen; vier jaar Siberië laat zijn sporen na op je stijl. Hij is met een hondenspan gekomen en probeert niet te laten merken hoe prettig het voelt om binnenshuis en droog te zitten en sterke, warme thee te drinken. De Academie van Wetenschappen heeft Steller opdracht gegeven de dieren, planten en edelstenen op het Kamtsjatkaschiereiland in kaart te brengen, maar eenmaal in het oosten is er een vuur in hem ontbrand. Hij heeft steppes en bergen gezien, is het Baikalmeer overgestoken in een roeiboot. Nu wil hij nog verder weg, en hij heeft toestemming gevraagd om naar Japan te zeilen. Een expeditie is een expeditie, nietwaar, zegt de kapitein lachend; hij vult het kopje van de wetenschapper en Steller zet het tegen zijn lippen en slikt.

[…]

 

Oorspronkelijke tekst © Iida Turpeinen, 2023
Nederlandse vertaling © Annemarie Raas en De Geus bv, Amsterdam 2025

Gerelateerde boeken

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2