1 april verschijnt het debuut van Marie Lucassen: Uit het midden. Filosofie van de zwangerschap! Wij publiceren voor.
De mens wordt ‘in de wereld geworpen’. Dat moment vormt het startpunt van de mens én van de filosofie. Vrijwel alle grote (mannelijke) denkers lijken het met elkaar eens: pas bij de geboorte, zodra een kind op zichzelf bestaat, begint het domein van de filosofie.
Tijdens haar eerste zwangerschap ervoer Marie Lucassen hoe beperkt dat uitgangspunt is. In Uit het midden betoogt ze dat naast de biologische ook de filosofische oorsprong van de mens juist in de periode van zwangerschap ligt. Het leven ontstaat niet in een moment van afscheiding – de bevalling – maar komt tot stand in een periode van verbondenheid, zonder het harde onderscheid tussen er-zijn en er-niet-zijn. Ons ontstaan is fluïde en ambigu als water.
Lucassen studeerde filosofie, en zag naast alle voordelen van de voor handen zijnde kennis ook de tekortkomingen ervan. In de filosofie wordt met geen woord over de belichaamde ervaring van zwangerschap gepraat: de negen maanden die je doorbrengt ín een ander en mét een ander mens. Die weglating heeft grote consequenties voor ons denken.
Uit het midden is een persoonlijk filosofisch onderzoek naar oorsprong. Het gaat over licht en donker, over versmelting en loskomen. Lucassen herijkt de door mannen gedomineerde kijk. Een eyeopener voor iedereen die is geïnteresseerd in nieuw leven.
Voorwoord
De oorsprong
Het was een broeierig warme zondagochtend. In een opblaasbaar bad lag ik te bevallen van mijn eerste kind. Hoewel de aanloop naar het moment van geboorte eeuwig leek te duren, diende het einde zich toch verrassend abrupt aan: ineens, met bloed, tranen, scheuren en schrammen, ontdeed mijn lichaam zich van een nieuw leven. De verloskundige keek op haar horloge. ‘Kwart over elf,’ zei ze trots. Ik registreerde haar woorden maar half. Mijn handen zochten als vanzelf naar het glibberige, wormachtige lijfje dat tussen mijn benen in het water dreef. Haar ogen dicht tegen het scherpe licht, haar rug gekromd tegen de nieuwe sensaties. Alles nog onbekend, fel en nieuw, behalve het lichaam waar ze net met geweld uit geduwd was. Mijn lijf, het eerste huis dat mijn dochter ooit heeft gekend.
Boven aan de geboorteakte prijkt een combinatie van cijfers: ‘11 uur 15’ op een zomerdag in augustus, hét beginpunt van dit nieuwe leven. Maar mij zeggen de cijfers niks. Terwijl mijn ogen nog verbijsterd naar de vreemdeling in mijn armen keken, wist de rest van mijn lijf allang wie het was. Haar geboorte was geen moment van eerste kennismaking, maar slechts de omkering van binnen naar buiten: het keerpunt van een negen maanden lange verbintenis tussen twee lichamen.
In de acht jaar dat ik filosofie studeerde wist ik nooit op zo’n kernachtige manier door te dringen tot de opgegeven stof als tijdens mijn zwangerschap. In het staartje van mijn bachelor, met het gestage groeien van mijn buik, kwamen bijna alle wezensvragen uit de colleges aan bod. Niet alleen intellectueel bezien, maar lichamelijk, zweterig, plakkerig, luidruchtig en opdringerig. Het idee van menselijke oorsprong ontsteeg in die periode de bladzijden van mijn studieboeken, en kreeg een kleur, een vorm, een geur en gloed.
Toch heb ik geen enkel spoor van deze gebeurtenis in de filosofische canon teruggevonden. Sterker nog: ik had tijdens mijn zwangerschap grote moeite om te zien hoe filosofisch deze periode eigenlijk was. Mijn identiteit, ooit zo vanzelfsprekend, scheurde open; de grenzen van mijn ‘zijn’ werden poreus en gedeeld met een vreemde, waarbij het onduidelijk werd wat nog van mij was en wat van haar. Ik voelde een allesoverstijgende verbondenheid en zocht tegelijk verwoed naar afbakening. Gedurende die negen maanden zette ik die gevoelens en overpeinzingen weg als ‘hormonen’, ‘gewoon even wennen’ of erger, tijdens doorwaakte en donkere nachten, als ‘tóch niet klaar voor het moederschap’. Had ik in die tijd maar geweten dat ik allesbehalve verward was, maar dat mijn ervaring raakte aan een fundamenteel filosofisch onderwerp. Dat de breuklijnen die zich begonnen te vertonen in mijn aangeleerde zwart-en-witte onderscheid van het ‘er-zijn’ en het ‘erniet- zijn’ geen vergissing waren, maar het begin van een wezenlijke ontdekking. Ik zou mezelf nu, achteraf, willen zeggen dat ik nooit had hoeven twijfelen. Dat de boeken die al jaren voor mij lagen geen verlichting zouden bieden, natuurlijk niet, want wat weten Plato, Hobbes en Heidegger nou van baren? Hoewel we allemaal aan hetzelfde beginpunt ontsproten zijn, wordt die gedeelde start gekenmerkt door een zekere onverschilligheid. De mens komt simpelweg te klein en onvolgroeid ter wereld om een (bewuste) herinnering te koesteren aan de bijzondere vorm van samenzijn die eraan vooraf ging. We hebben een collectieve blinde vlek voor onze ontstaansgeschiedenis. Een zwangerschap is in die zin een unieke worp terug in de tijd: hoewel het perspectief van de foetus onbereikbaar blijft, ontstaat een nieuw leven niet in isolatie. Het groeit in een volwassen persoon die wel kan reflecteren op die ervaring. Mits we er aandacht voor hebben, kan het zwangere lichaam tijdelijk toegang bieden tot het geheim van onze oorsprong. Dichter bij een bewuste ervaring van het menselijke beginpunt kunnen we niet komen.
Zou de geschiedenis van de filosofie geschreven zijn door degenen die baren, dan had ons mensbeeld er totaal anders uitgezien. Daar ben ik van overtuigd. Dan was het gevoel van verlies van de grenzen van mijn ‘ik’ tijdens de zwangerschap geen uitzondering op de regel geweest. Integendeel. We hadden dan geweten: het begin van een mensenleven is zo fluïde en ambigu als water.
Deel I
Het vergeten begin
Het moedervormig gat
Op de bank ligt een zwangerschapstest. Ik zit aan de andere kant van de kamer te werken aan een essay dat die middag ingeleverd moet worden. Het is vroeg in de ochtend, mijn vriend ligt nog te slapen. Ik was net de badkamer binnengeglipt en probeerde alles zo zacht mogelijk te doen: de test uit het plastic, het plassen in een bekertje. Ik geloof dat ik me schaamde voor mijn voorgevoel, een hoogmoedige verwachting over iets waar ik eigenlijk geen recht op had. Het schijnsel van mijn telefoon verlichtte de streep in het venstertje. Eentje maar. Zeker weten? Zeker weten. Een voorzichtig gevoel van opluchting, en tegelijk een stille teleurstelling. Hoewel een zwangerschap midden in mijn bachelor op z’n zachts gezegd onhandig zou zijn geweest, hadden mijn gedachten toch een loopje met me genomen na mijn uitblijvende menstruatie. Zwanger op mijn vijfentwintigste, dat was niet helemaal het plan, maar sinds wanneer trok ik me daar iets van aan? Al sinds ik me kan herinneren droom ik ervan om dit mee te maken, mijn schoot gericht op alles wat klein is, mijn armen gemaakt om te omhelzen. Maar nu was er niets. Ik liep de badkamer uit, het ochtendlicht van de woonkamer in, keek nog eens goed naar de test, en gooide hem toen aan de kant. De eenzame streep stuiterde een paar keer op de bank, om uiteindelijk omgekeerd op de kussens te blijven liggen. Het is beter zo, beweerde mijn hoofd.
Mijn vriend wordt wakker in de andere kamer. Er is een uur verstreken, en mijn essay over het boek Zijn en tijd van Heidegger vordert traag. Ik heb nog een uur totdat de deadline verstrijkt, en het lukt niet. Zijn theorie klonk tijdens de colleges zo logisch: tijd is geen simpele opvolging van momenten, maar vormt ons bestaan op een veel diepere manier. Zolang we tijd blijven zien als enkel de neutrale achtergrond waartegen ons leven zich afspeelt, als een meetbare reeks seconden en minuten, missen we het wezen ervan. Tijd gebeurt, wij zijn tijd. We bewegen altijd tussen verleden, heden en toekomst. Een prikkelende gedachte, maar de woorden lijken voor me op de vlucht te slaan zodra ik ze probeer te vangen. Het duizelt me, zoals zo vaak tijdens mijn studie. In de badkamer springt de douche aan, het geluid van het klaterende water vermengt zich met mijn gejaagde, vruchteloze getik.
Terwijl ik verder zwoeg, ligt op een paar meter afstand het plastic staafje nog altijd op de bank. Het weet iets dat ik niet weet. Gisteren lag het nog in de schappen van de Etos, voor een paar euro mocht ik het meenemen. Nu draagt het een toekomst in zich, een wending van de tijd die zich al heeft voltrokken, en tegelijk over een paar minuten het ultieme begin zal vormen van iets nieuws. Ik typ verder. Straks zal ik opstaan, gefrustreerd over mijn worsteling, vloekend tegen mijn vriend dat ik schrijven haat, echt háát, en naast hem op de bank neerploffen, boven op de stick. Dan zal ik weten wat Heidegger bedoeld heeft. Dat tijd gebeurt. Het is al gebeurd. Het is niet langer een abstract concept voor in een essay, maar iets wat zich onvermijdelijk in mij voltrekt, zich aan mij opdringt. Een radicale herschikking van alles wat ik dacht te weten. Een haperende ademhaling, een lichte duizeling, een nieuwe kern waar alles omheen zal draaien. Mijn vriend komt uit de douche, neuriënd, hij aait me over mijn rug. Even later vult koffiegeur de kamer. Ik zucht en lever een middelmatig essay in.
[…]
Copyright © 2026 Marie Lucassen / Athenaeum—Polak & van Gennep, Weteringschans 259, 1017 XJ Amsterdam