Leesfragment: Wat ongezegd blijft

05 mei 2026, door Elizabeth Strout

Vandaag verschijnt de nieuwe roman van Elizabeth Strout: Wat ongezegd blijft (The Things We Never Say, vertaald door Lucie van Rooijen)! Lees nu een fragment op onze site & bestel je boek.

Artie Dam leidt een dubbelleven. Voor de buitenwereld is hij een geliefd leraar, fervent zeiler, gelukkig getrouwde echtgenoot en zorgzame vader van een volwassen zoon. Maar vanbinnen ervaart hij een diepe eenzaamheid en is hij wanhopig op zoek naar manieren om daaruit te komen. En dan komt Artie achter een groot familiegeheim dat zijn leven, de band met zijn dierbaren en de hele wereld in een heel ander perspectief plaatst.

Wat ongezegd blijft is het aangrijpende, diepmenselijke verhaal van een man die gedwongen wordt zijn leven een nieuwe wending te geven en deze verandering moet leren omarmen.



 

1

Het was half juni en de zon straalde al de hele dag door in al zijn lieflijke glorie. ‘Zorg dat je vrolijk blijft, Artie! Dat moet je me beloven. Blijf alsjeblieft de vrolijke Artie die we zo goed kennen!’ Flossie MacDonald had met haar servet haar tranende ogen gedept en dat tegen Artie Dam gezegd, de laatste keer dat ze hem zag, deze schitterende avond in juni. En hij beloofde dat hij dat zou doen.
Ze waren naar Spud’s Bar & Grille gegaan, niet ver van Arties huis, pal aan het water van de kust van Massachusetts; de baai oogde kalm vanachter het raam, en de vele boten lagen er stilletjes bij: zeilboten en vissersboten en boten zo groot dat er wel acht mensen op konden slapen. De zon, die de daling nog niet had ingezet, scheen met een gouden schittering op het water, en toen Artie naar Flossie keek, weerkaatste het zonlicht in haar bril met het grote zwarte montuur.
Sinds Flossies man een jaar terug was overleden, gingen Artie en zij hier om de week op dinsdagavond eten; haar echtgenoot was hoogleraar wiskunde geweest en – in Arties ogen – een magere, overkritische man met een ongenaakbare uitstraling. ‘Hij was toch zó’n schoft,’ zei Flossie elke keer dat ze elkaar zagen, en dan depte ze haar ogen en liep de mascara over haar wangen. ‘En ik mis hem zo ontzettend!’ Maar dit was hun laatste keer hier; Flossie ging naar Ohio verhuizen om dichter bij haar dochter Sophie te zijn.

‘O, Artie,’ had Flossie gezegd toen ze bij hun afscheid buiten voor de ingang haar armen om hem heen had geslagen, ‘wat hou ik toch van je.’ En hij had hetzelfde tegen haar gezegd.
Toen ze samen vertrokken, zag Artie de masten van zeilboten hoog en roerloos uit de baai oprijzen. Hij kon zich niet herinneren dat hij het water ooit zo kalm had gezien. ‘Geweldig,’ had hij tegen Flossie gezegd, en die had gezegd: ‘Jíj bent geweldig.’

Arties vrouw, Evie, had Flossie nooit zo gemogen, ze vond haar ‘té’. En dat snapte Artie wel, maar juist daarom hield hij ook zo van Flossie; hij hield van haar uitbundig opgemaakte gezicht, de te gele dot opgestoken haar op haar hoofd, de walm parfum die haar overal volgde, de voorzichtigheid waarmee ze haar omvangrijke lijf liet zakken nadat ze enthousiast zwaaiend de zware deur van Spud’s was binnengekomen. Hij vond haar heel lief, maar was in de verste verte niet verliefd op haar.
Bij haar kon hij zichzelf zijn; daar ging het om, realiseerde hij zich pas later.

‘Hoe ging het met die arme Flossie?’ vroeg Evie die avond aan Artie; ze zat in de woonkamer met een krant op schoot en keek naar hem op toen hij de kamer binnenkwam. Artie kende bijna geen mensen meer die nog een papieren krant lazen, Evie was een van de weinigen.
‘Ze mist Reginald,’ zei Artie, terwijl hij tegenover haar in een stoel ging zitten. ‘Dat zegt ze elke keer weer. Ik snap het ook wel. Ze waren tweeënveertig jaar getrouwd.’ Hij ging verder: ‘Het water is mooi vanavond. Zo ontzettend glad.’
Evie zei niets. Ze vouwde de krant op en legde hem voor zich op de salontafel.
‘Maar ze zei wel – zoals elke keer eigenlijk – dat hij een schoft was.’ Grinnikend strekte Artie zijn benen voor zich uit.
Nog steeds zei Evie niets.
‘Nou, gelukkig voor hem heeft het niet lang hoeven duren, twee maanden maar.’ Terwijl Artie dat zei, keek hij de kamer rond. Achter de ramen zag hij het lampje op de punt van de kleine aanlegsteiger aan het eind van hun gazon. De kamer waar ze zaten had een hoog plafond met balken; het was een ruim huis, met een pas gerenoveerde keuken die ook uitkeek op het water. In de woonkamer prijkte de vleugel die er al jaren stond (en waar Artie, zonder ooit ook maar één pianoles te hebben gehad, stukjes op componeerde). Verder stonden er verschillende fauteuils en een paar bijzettafeltjes met allerlei fotolijstjes en heel veel kleine – piepkleine – doosjes uit Evies familie.
Hoewel Artie hier nu al bijna dertig jaar woonde, kon hij nog steeds niet geloven dat dit zijn huis was. Samen met nog twee andere huizen stond het aan een eigen weg langs zee, en hoewel Artie vaak had gezegd dat hij het bordje verboden toegang voor onbevoegden maar niets vond, had hij die strijd al jaren geleden verloren. Het was het oude huis van zijn schoonfamilie, en Evie had het lang geleden gekregen toen haar ouders naar Florida verhuisden. Inmiddels waren ze allebei overleden, ruim tien jaar geleden al, en Evies enige zus woonde in Colorado, waar ze jaren geleden had gestudeerd.
‘Reginald MacDonald,’ zei Artie, terwijl hij langzaam zijn hoofd schudde. ‘Die arme, briljante man.’ En hij voegde eraan toe: ‘Hij dronk alleen wel te veel.’
‘Dat moest ook wel, met Flossie als huisgenoot,’ zei Evie, waar Artie niet op inging.
‘Ze drinkt zelf ook te veel,’ voegde Evie eraan toe, en ook daar ging Artie niet op in; dat was inderdaad zo.

***

Het was de eerste week van september, een vrijdag, en het bleef maar warm. De bladeren begonnen nog niet echt te kleuren, en vanuit zijn klaslokaal op de eerste verdieping kon Artie het voetbalveld zien en de bomen daarachter, waarvan er maar eentje rood begon te worden, helemaal bovenin. Het was de laatste les van de dag, hij snapte wel dat de leerlingen onrustig waren. Hij leunde met zijn achterwerk op zijn bureau en vroeg: ‘Willen jullie meer weten over geslachtsziekten tijdens de Burgeroorlog?’
De leerlingen keken naar hem op; hij had hun interesse gewekt.
‘Wooow, Damn-Dam,’ zei één joch met slordig bruin haar, Willoughby heette hij.
‘Daar gaat de les maandag dan over,’ zei Artie. ‘En zoek nu je groepje maar op.’ En ze schoven met hun stoelen tot ze in vier aparte segmenten zaten die Artie eerder had ingedeeld.
Artie gaf geschiedenis aan de vijfdeklassers van de plaatselijke middelbare school. Hij was ook jarenlang assistent-coach geweest van het jongensvoetbalteam; hij was niet lang van stuk en wat gedrongen, en hoewel hij altijd fit was geweest, begon hij een buikje te krijgen, dus sinds een paar jaar draafde hij niet meer over het veld en was hij assistent-coach van het honkbalteam. Maar coach Clark mocht hem graag, net als het voetbal- en honkbalteam, en ook zijn leerlingen en collega’s.
‘Damn-Dam, jij bent the man,’ zeiden zijn leerlingen soms tegen hem, stralend van genegenheid, en dan schudde zijn buik van het lachen. ‘Damn-Dam,’ zeiden ze, en dan zei hij grinnikend: ‘Hup, wegwezen jullie’, terwijl hij met zijn hand wapperde. Hij was zevenenvijftig, en hij was nog steeds dol op zijn leerlingen.
Maar tijdens de pandemie hadden ze het moeilijk gehad, dat was hem in die ruim drie jaar wel opgevallen: de leerlingen waren veranderd. Ze waren voorzichtig en minder fel – tegen hem of tegen elkaar – dan hij gewend was van daarvoor, toen er nog levendige discussies werden gevoerd. Tegenwoordig was het vaak al moeilijk om ze überhaupt aan het praten te krijgen.
Op de eerste dag van ieder schooljaar deelde Artie blaadjes gelinieerd papier uit en zei tegen zijn leerlingen: ‘Je mag alles schrijven wat je wilt. Maar ik wil minstens twee pagina’s zien. Schrijf op aan wie je een hekel hebt, wat je leuk vindt, wat je maar wilt. Maar schrijf.’
‘Waarom dan?’ werd er soms door een leerling gevraagd, en dan antwoordde Artie naar waarheid: ‘Zodat ik jullie leer kennen. Zodat ik kan zien hoe jullie je zinnen opbouwen.’ Hij stond altijd versteld van de bereidheid van de leerlingen om dat te doen. Sommigen bleven minutenlang zitten en begonnen dan heel snel te schrijven, anderen begonnen meteen te schrijven; door de jaren heen had hij de handschriften steeds slechter zien worden. Hij werd vaak enorm geraakt door wat ze schreven. De laatste tijd schreven er veel over de pandemie. Dit jaar waren twee van de leerlingen begonnen met de zin: ‘Ik ben bang.’ En toch hadden ze geen van beiden goed kunnen omschrijven waar ze dan bang voor waren.
Vandaag had Artie de leerlingen in de groepjes gezet die hij had samengesteld op de eerste dag van het schooljaar, nog maar een paar dagen geleden. Elke leerling moest de rol van een soldaat uit de Burgeroorlog of van een verpleegster uit Massachusetts op zich nemen en het met het groepje over die soldaat of verpleegster hebben. Ze zaten nu zacht met elkaar te praten, en hij hoorde een van hen – een jonge vrouw met lang rood haar die Tamera heette – zeggen: ‘Nee, hij schrijft aan zijn vriendin dat hij in dienst is gegaan vanwege de slavernij. Dat schrijft hij haar in zijn brief naar huis. Dat hij vindt dat mensen geen andere mensen moeten kopen.’
‘Goed zo.’ Artie knikte naar Tamera terwijl hij tussen de groepen door liep; hij bleef staan en roffelde op een tafeltje. ‘Dat is precies wat jullie moeten doen, je baseren op hun brieven naar huis.’

[…]

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3