Recensie: Hoe het afgrijselijke gewoon werd: Marga Minco's Het bittere kruid

08 maart 2019, door Daan Stoffelsen

Sommige boeken worden steeds onontkoombaarder, de relevantie groeit nog steeds. Ik werd aangespoord door een goede vriend dit oeuvre op te pakken, en ik trof hem aan tussen de boeken van mijn moeder. De ooievaarpocket uit 1967 – waarschijnlijk had zij Marga Minco’s Het bittere kruid wel op haar leeslijst voor school staan.



Als je doorzet heb je er minder last van

Het knappe van dit kleine boekje, 125 pagina’s met illustraties, is hoe treffend Minco observeert, hoe schijnbaar onthecht ze het verlies vastlegt. (Dit is iets wat de hoofdpersonen in Valeria Luiselli’s Lost Children Archive ook proberen: verlies te documenteren. Dat is moeilijk, maar ook heel schrijnend goed gelukt.) En inhoudelijk: hoe ze het gewone herdefinieert.

Want voor een joods gezin in de Tweede Wereldoorlog veranderde wat normaal was, in een razend tempo. Neem deze passage, waarin de ik beschrijft hoe haar oudste broer het pad effende voor seculiere uitstapjes van zijn zussen:

‘Ik weet nog hoe ik met een vriend in een automatiek voor het eerst een konijneboutje at. Ik deed iets dat streng verboden was. Voor ik mijn tanden er in zette, aarzelde ik even, zoals je dat doet als je voor het eerst in het seizoen aan de rand van het zwembad staat. Maar als je doorzet heb je er de tweede keer al minder last van.’

Zie je hoe Minco de beladen religieuze overtreding ontwapent door dat geweldige, bijna universele zwembadbeeld? Koudwatervrees en overtreding. Maar dan gaat ze door, en komt de historische zwaarte:

‘Onder de bezetting kreeg het woord “verboden” een andere betekenis voor ons. Het was verboden in cafés en restaurants te komen, in schouwburgen en bioscopen, in zwembaden en parken; het was verboden een fiets te hebben, een telefoon, een radio. Er werd zoveel verboden.’

Arme en niet echt warme gezinnen

De jodenster komt, haar ouders moeten naar Amsterdam verhuizen, ze geeft haar tennisracket weg aan het buurmeisje, want tennissen zal ze niet meer, ze verstopt zich, ze is getuige van razzia’s en ontsnapt eraan door grote koelbloedigheid. De volgende dag komt ze terug in de Lepelstraat.

‘Zij lag bezaaid met papier. Overal stonden deuren wijd open. In een donker portaal zat een grijze poes op de trap. Toen ik bleef staan rende het dier naar boven en gluurde naar mij met een hoge rug. Op een van de treden lag een kinderhandschoen.’

Verdomme man. Als van een afstand laat Minco zien hoe laconiek de vervolgden bleven, hoe ze overwogen dat ze onderduiken niet konden betalen, hoe twee bij twee haar familieleden verdwijnen, tot ze alleen over is (‘Er was een heleboel angst van me afgevallen. Wanneer ik nu ook gepakt werd, zou ik tenminste niet meer dat gevoel hebben, alleen achtergelaten te zijn.’), en bij achtereenvolgende arme, en niet echt warme, gezinnen onderdak vindt.

Wie Linda Polmans Niemand wil ze hebben leest, weet dat de oorlog weinig veranderd had aan de bereidheid van mensen, staten, om een huis te bieden aan vluchtelingen. Polman benoemt nadrukkelijk hoe staten hoge bedragen eisten van immigranten – terwijl Nazi-Duitsland ze met niet meer dan tien mark liet vertrekken. Het is beangstigend wat gewoon was. Het is eng wat normaal werd. En dat te beschrijven, zonder het woord ‘angst’ te benoemen – dat is groots.

Daan Stoffelsen is webshopmanager bij Athenaeum | Scheltema.

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks3