Leesfragment: Houris

20 oktober 2025, door Kamel Daoud

30 oktober verschijnt de nieuwe, met de Prix Goncourt bekroonde roman van Kamel Daoud, Houris, vertaald uit het Frans door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre! Wij publiceren voor. Update: Houris is het Boek van de Maand van Athenaeum Boekhandel Spui.

De jonge Algerijnse vrouw Aube heeft de onafhankelijkheidsoorlog niet meegemaakt, maar die mag ze niet vergeten. De burgeroorlog van de jaren negentig, die ze zelf heeft meegemaakt, moet ze juist wél vergeten. Het persoonlijke trauma van die oorlog is echter in haar lichaam gekerfd: een litteken in haar nek en kapotte stembanden, waardoor ze niet meer kan praten. Ze kan haar verhaal alleen vertellen aan haar ongeboren dochter. Maar mag ze dit kind wel houden? Kun je leven geven als het je zelf bijna ontnomen is? In een land waar wetten gelden om iedereen te straffen die het over de burgeroorlog heeft, besluit Aube terug te keren naar haar geboortedorp, daar waar het allemaal begon en waar de doden haar misschien antwoord kunnen geven.



 

deel I
De stem

1

16 juni 2018, ’s nachts, in Oran.

Zie je het?
Ik heb continu een brede glimlach en ik zwijg, of bijna. Om me te verstaan buigen mensen zich ver naar me over, schijnbaar voor een geheim of een nachtelijk tête-à-tête. Ze zijn niet meteen gewend aan mijn ademhaling, die steeds de laatste lijkt, en aan mijn bij eerste kennismaking gênante aanwezigheid. Klampen zich vast aan mijn ogen met hun zeldzame kleuren, goud en groen, net als het paradijs. Iemand die niet op de hoogte is, zou haast denken dat ik word gewurgd met een sjaal door een onzichtbare persoon, maar geen paniek. In het licht zie ik eruit als een slanke vrouw, afgetobd, amper nog levend, waarbij mijn enorme, starre glimlach de mensen die me tegenkomen een nog ongemakkelijker gevoel bezorgt. Die eindeloze, ongeveer zeventien centimeter brede glimlach is in twintig jaar niet veranderd. Hij bevindt zich vlak onder mijn gezicht en rekt mijn woorden en zinnen. Soms verstop ik hem achter een kleurige sjaal; daarvoor kies ik altijd een kostbaar, zeldzaam stofje uit. Mijn kragen zet ik op.
Laten we praten, want dit is een unieke gelegenheid. Ja, jij bent immers de gebeurtenis die ik me nooit had kunnen voorstellen, en die vanuit de hemel op mijn hoofd belandt met de precisie van een meteoriet die de schedel van een zwaar bezochte profeet treft. Laten we babbelen, aan één stuk door. Als ik me inhoud, zal ik je zonder meer om het leven moeten brengen, botweg, haast zo onbekommerd als een slager die geeuwt boven het karkas van een schaap. Ik bedoel, een opening maken in de zak die je omvat en waarin je trappelt, en het beetje leven dat je al hebt vergaard, laten wegglippen. Medisch gezien leef je trouwens niet, en vanuit Gods standpunt ben je ook niet dood. Wat mij betreft, misschien heb ik al eerder een onschuldige ziel gedood. Misschien niet met mijn handen, maar met mijn ogen, door ze dicht te doen. Zelfs Khadija weet dat niet, mijn moeder, die ondanks mijn zesentwintig jaar elke dag naar me wil blijven kijken alsof ik net geboren ben, om haar op haar beurt geboren te laten worden door lief voor haar en gehoorzaam te zijn.

Nu zijn we in mijn slaapkamer. Het is nacht in de wijk Miramar in Oran, een mooie, grote stad aan de Middellandse Zee, die in het donker glinstert als een gebroken halsketting. Het is twee uur in de nacht en ergens schreeuwt een man, er rijdt een politieauto langs en honden spelen voor gemaskerde dieven. Om het moment te vullen stel ik me palmbomen voor die ronddwalen en de zee die weer een manier zoekt om door de straten te stromen. Soms vind ik het een opluchting, doet het me goed om zwijgend, of bijna zwijgend, in de buitenwereld te zijn. Mensen verwachten geen lange zinnen van mij, of discussies met leugens, overdrijvingen of beloftes. Zelfs mensen van wie ik hield, bracht ik met mijn enorme, grijsgroene ogen weleens moedwillig van slag. Die grote goudbruine ogen van me, die van kleur veranderen en de draak steken met het effect dat ze hebben op mannen, want die kunnen dan niet meer uit hun woorden komen. Ze kijken me onderzoekend aan, duiken in mijn oscillerende blik en elke taal schiet tekort.
Luister: in de nacht loeien er koopvaardijschepen op de verdwenen zee en ik kan je niet uitleggen wat de zee is of waar het schip vandaan komt dat naar de zee luistert met zijn grote oor van staal. Zelfs met mijn woorden zijn er dingen die ik je niet kan uitleggen, nuances van de buitenwereld. Ik zou een lang leven nodig hebben om de ontelbare details van dit tafereel op te noemen en die tijd heb je niet. Wat wil je dat ik je nog meer zeg om een beetje vertrouwdheid tussen ons te kweken? Ik praat tegen je en mijn stemgeluid dat je hoort, is geen geluid, het zijn amper vellen papier die omgeslagen worden. Wat zou het trouwens voor zin hebben om de zee, de honden, een schip en palmbomen te beschrijven, of zelfs de grote lijnen van mijn gezicht in het donker? Beschrijvingen zijn voor de levenden, om zich gerustgesteld te voelen. Voor jou zijn het alleen geluiden achter een wand waaraan je zacht krabbelt. Jij bestaat daar in het donker, verstopt door mijn toedoen. Jij zit daar waarschijnlijk wel warm, hè? Je drijft, denk ik, of je doet net als ik, je nestelt je, de streng zal je wel enigszins in de weg zitten, stel ik me voor. Je kunt je niet vrij bewegen. Ik spreek tegen je in mijn prachtig klinkende, stomme taal, de taal waarin ik al jaren mezelf verhalen vertel of die ik gebruik als ik in mijn hoofd praat tegen mijn vijanden, buren, imams, tegen God, die dierbare dingen van me heeft gestolen. Het is vaag de taal van de films waarvan ik hield, die me diep troffen en tot tranen toe roerden. De taal van de droom, van de geheimen, van wat geen taal heeft.
In deze zomernacht zit ik net als jij in het donker, de nachtlucht voelt lauw en diep als een kussen en het lukt me niet te slapen. Als je tijdsbesef had, zou ik je zeggen dat het twee of drie uur ’s nachts is. ’s Zomers zijn de nachten in onze stad kort en nauwelijks hebben ze moeizaam de sterren kunnen verspreiden of de imam komt er in de vroege ochtend alweer een eind aan maken met zijn oproep tot gebed. Maar van waar jij bent kun je niet zien, want je ogen zijn nog amper gevormd. Ik kan tenminste mijn slaapkamer onderscheiden, mijn straat, en de zee die het schip hierheen brengt. Een geslacht heb je ook niet, maar ik weet dat je een meisje bent, mijn Houri, zo zie ik je als ik mijn ogen dichtdoe. Je komt uit het paradijs, denk ik. Van de plaats waar de tijd niet voorbijgaat en waar niet wordt geteld. De timer van de airconditioning aan de tegenoverliggende muur geeft ook de temperatuur aan en bezorgt haast elk voorwerp schaduwen en lichtkransen: het nachtkastje, en mijn bureau, dat nergens meer voor dient sinds ik van de middelbare school ging met een nul voor de vaderlandse geschiedenis van Algerije. Mijn schoenen, die ik nooit opberg, en het grote gordijn met de zwarte flamingo’s die gevangenzitten in de plooien van de stof. Dan de luxaflex. Die heb ik niet goed dichtgedaan: de paal bij het café aan de overkant verspreidt zijn licht en wil als een zwerver in mijn kamer komen gluren. Het is de paal midden op het terras, met roest onderaan en een kastje met elektrische draden. Het café? Café Marhaba (‘Welkom’, vertaal ik voor je in mijn binnentaal). Die bedrijfjes hebben meestal in het hele land dezelfde naam, net als de plaatsen ter ere van de martelaren van de vrijheidsstrijd en de hoofdstraten van de steden. Hier is ook mijn kaptafel en daar, daar is mijn spiegel, die ik gisteren kapot heb gegooid. Arme spiegel! Zoals hij aan gruzelementen ligt, is hij net zo geworden als die mensen die een heleboel dingen tegelijk willen hakkelen, die stotteren, de woorden dooreenhaspelen en uiteindelijk onsamenhangende splinters overhouden waarmee ze zich snikkend in hun handen kerven. Een spiegel die het slachtoffer werd van mijn onvermogen om fatsoenlijk te spreken. Ik heb hem gisteren dus kapotgegooid, weet je nog, dat geluid van zand dat via mijn oren en gedempt door mijn baarmoeder jou bereikte? Ik stel me jou ook voor, daar waar je bent, echt waar. Je dient je aan zonder voornaam, zonder achternaam, met niets dat je aan mij bindt behalve een streng, en bloed. Je kunt me vaag zien, je ziet iets van mijn wereld, mijn slaapkamer, deze stad, die je onverschillig laat, en je weet niet wat ik echt wil. We lijken op van die vreemde landstreken die door een aardbeving elkaar zijn gaan overlappen. Je zwemt tegen de stroom in, met je stilte als spier; de eerste dag van je leven, die nog één geheel vormt met de laatste, wordt doorkliefd door mijn woordenstroom.

Hoe kan een vrouw van zesentwintig zonder stem zoveel praten zonder buiten adem te raken? Waar haalt ze die onweerstaanbare drang vandaan om alles in één ruk te vertellen, als een betrapte zakkenrolster?
Dit is mijn reden: ik heb twee talen. De ene als de nacht, de andere als een wassende maan. De ene eet midden in de andere.
En een vissenbek om ze allebei in de praktijk te brengen.
En een glimlach die mijn beide oren met elkaar verbindt, om mijn wanstaltigheid voor jou aanschouwelijker te maken. Hij zit hier precies op mijn hals. Een vissnoer houdt mijn hals en mijn borst bij elkaar en voorkomt dat ik in de vergetelheid verdwijn of word opgehangen als koopwaar op de Bastillemarkt (daar doe je boodschappen in Oran). Een stuk of vier mannen hebben met hun wijsvinger al over die roerloze glimlach gestreken, om te begrijpen waar hij vandaan kwam. Khadija, mijn moeder, heeft hem uitgebreid geausculteerd, verzorgd, nauwlettend in de gaten gehouden, ongevoelig gemaakt met allerlei middeltjes en jarenlang bijna elke nacht opgemeten. Misschien werd hij wel groter en kon ik eraan doodgaan, hield ze zichzelf herhaaldelijk voor, of kleiner, zodat ik weer kon deelnemen aan het normale leven? Want er is nog nooit een snee gezien die zo breed, zo precies, zo ver van het geluk verwijderd was, zo tegengesteld aan vreugde. Ik kan je in elk geval wel mijn voornaam vertellen. Ik draag hem als een lichtbord in de donkerste nachten. Mijn naam is Aube. Fajr in de buitentaal, Aube in de binnentaal.

[…]

 

© 2024 Éditions Gallimard, Paris
© 2025 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2