Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre vertaalden Kamel Daouds met de Prix Goncourt bekroonde roman Houris – ons Boek van de Maand. We vroegen hun de vertaling toe te lichten. Lees over de verzwegen oorlog waarover Daoud wél schrijft, en de stem van een hoofdpersoon zonder stembanden.
- Lees Bob Kappen over Houris
- Lees een fragment uit
- Lees Arjen van Meijgaard over Zabor
- Lees Ghoos en Van der Sterre ook over hun vertalingen van de boeken van Alain Mabanckou, Emmanuelle Pirotte, Maylis de Kerangal, Ben Fountain en Tan Twan Eng
De verzwegen oorlog
Algerije heeft in de twintigste eeuw twee grote oorlogen gekend. De eerste was de onafhankelijkheidsstrijd tegen Frankrijk in de jaren vijftig. De tweede speelde zich af tussen 1995 en 2000, toen Algerije streed tegen zichzelf. Radicale moslims probeerden namelijk de macht te grijpen om vervolgens een streng islamistisch bewind te vestigen. In hun strijdmethode leken deze radicalen enigszins op de ons bekende IS. Ze leefden in kampen volgens hyperstrenge normen en terroriseerden naar buiten toe de burgermaatschappij. Mensenlevens telden daarbij niet, er vielen ettelijke honderdduizenden doden.
Maar... die oorlog heeft niet plaatsgehad. Dat zegt althans het Algerijnse onderwijs en dat zegt de Algerijnse regering. Wie over die oorlog spreekt wordt van school gestuurd of gaat de gevangenis in.
De schrijver Kamel Daoud schreef er wel over. Hij gaf een vlijmscherp beeld van de vijf oorlogsjaren in de zeer bijzonder geconstrueerde roman Houris. Tot woede van de Algerijnse regering en met voor de schrijver tot gevolg dat hij nu verbannen is, en permanent in Frankrijk woont. Daar won hij vorig jaar de Prix Goncourt met deze roman, die het verhaal vertelt van Aube.
Aube is een jonge Algerijnse vrouw die als vijfjarig meisje in de verzwegen oorlog net niet helemaal haar hoofd is kwijtgeraakt. Terwijl de moordenaar haar keelde, werd hij afgeleid, waardoor Aube kon wegvluchten. Later is de brede snee in haar hals gehecht, met als gevolg dat ze de wereld om haar heen constant met een ongewilde glimlach confronteert.
Aube vertelt in Houris het verhaal van haar leven. Niet hardop – ze heeft geen strottenhoofd meer – maar met de stem van haar gedachten, die zich richt tot de ongeboren vrucht in haar buik. Ze vindt het nodig de foetus haar levensverhaal te vertellen om duidelijk te maken dat ze beter niet geboren kan worden in een land als Algerije, waar het leven voor meisjes en vrouwen erg onvriendelijk is en veel wegheeft van een lijdensweg.
De eerste zinnen
De eerste zin van Houris luidt: ‘Le vois-tu ?’, ‘Zie je het?’ Die vraag stelt Aube aan de foetus in haar buik, aan wie ze vervolgens uitlegt hoe ze eruitziet:
‘Je montre un grand sourire ininterrompu et je suis muette, ou presque. Pour me comprendre, on se penche vers moi très près comme pour partager un secret ou une nuit complice.’
‘Ik heb continu een brede glimlach en ik zwijg, of bijna. Om me te verstaan buigen mensen zich ver naar me over, schijnbaar voor een geheim of een nachtelijk tête-à-tête.’
(Waarbij we lang hebben nagedacht over de vertaling voor ‘une nuit complice’.) Pakweg vierhonderd bladzijden verder komen die twee zinnen bijna letterlijk terug, als onderdeel van een spoiler die we hier achterwege laten. Al mag de lezer weten dat er na Aubes hevig schokkende verhaal uiteindelijk enige reden komt voor een glimlach – een échte.
Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre vertalen al ruim dertig jaar, waarvan de laatste vijftien jaar meestal samen en meestal uit het Frans of het Engels. In die vijftien jaar werkten ze aan teksten van onder andere Édouard Louis, Edmund de Waal, David Foster Wallace, Frans de Waal, John Boyne, Jean Echenoz, Martin Amis, Marcel Proust en Thomas Piketty. Andere recente vertalingen zijn Télémaque van Fénelon, Son odeur après la pluie van Sapin-Dufour en Londres van Céline. Jan Pieter vertaalt ook poëzie; zijn laatste bundel was een bloemlezing uit het werk van Philip Larkin: Het leven met een gat erin.