Athenaeum vierde in 2016 het vijftigjarig jubileum, met feest en korting. Directeur Maarten Asscher opende het jubileumjaar met de vraag: is de boekhandel een gentleman’s occupation? Na hem vierden Niña Weijers, Joubert Pignon (Robert Schuit), Roel Bentz van den Berg, Marja Pruis, Gustaaf Peek, Fouad Laroui, Bo Tarenskeen, Eberhard van der Laan, Tom Lanoye, Wytske Versteeg, Tracy Metz en Daan Stoffelsen de boekhandel.



Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Alle boekhandels zijn gelijk, maar...

1 januari 2016, door

An Occupation for Gentlemen, zo noemde de Engelse Orwell-uitgever Fredric Warburg zijn in 1959 verschenen autobiografie, omdat een topman van het warenhuis Marks & Spencer hem ooit vroeg of het wel een echt bedrijf is, zo’n literaire uitgeverij, of meer een hobby voor heren die zich anders maar zouden vervelen. De vraag is: geldt dat ook voor een boekhandel? 



Ook van de krant wordt wel gezegd dat die ‘un monsieur’ is, waarmee net als bij de literaire uitgeverij van Warburg wordt gesuggereerd dat een krant geen echt instituut is, maar slechts de spreekbuis voor wie er toevallig aan het woord is. Afgezien van het feit dat minstens de helft van de uitgevers en de journalisten vandaag de dag vrouw zijn, kun je inderdaad de vraag stellen of een literaire, academisch-culturele boekhandel wel een echte, serieuze business is, of dat zo’n cultureel bedrijf meer een verlengstuk vormt van de persoon van de oprichter. En is het assortiment van zo’n boekhandel — net als bij de inhoud van een krant — toch niet vooral terug te voeren op wat de beheerder van een bepaalde rubriek in die winkel zelf interessant vindt: die ene ‘monsieur’ of ‘madame’?

Inspirerend symbool

In het geval van de Athenaeum Boekhandel, die op 15 september 1966 werd opgericht en die dus in 2016 zijn vijftigjarig bestaan viert, is de persoon van de oprichter ontegenzeglijk nog steeds een inspirerende aanwezigheid, zij het in symbolische zin. De in 1992 overleden Johan B.W. Polak trok zich al begin jaren zeventig uit de boekhandel aan het Spui terug, om zich volledig aan de eveneens door hem gestichte uitgeverij Polak & Van Gennep te kunnen wijden, de tegenwoordige Uitgeverij Athenaeum. Toch is zijn ideaal van een werkelijk op kwaliteit, veelzijdigheid en diepgang gerichte onafhankelijke boekhandel tot de dag van vandaag leidend gebleven voor het bestaansrecht van het bedrijf.

In die zin — en gegeven de financiële onafhankelijkheid van waaruit Johan Polak zich een aantal jaren aan deze boekhandel wijdde — kun je zeggen dat het bedrijf in elk geval begonnen is als een ‘occupation for gentlemen’. Uit alle verhalen over die vroegste jaren van de boekhandel komt Johan Polak naar voren als een door bonhomie gedreven, klassiek geschoolde, maar enigszins wereldvreemde ‘vader’, die zijn in de boekhandel werkzame ‘kinderen’ op een gegeven moment groot genoeg vond om het bedrijf — tegen een schappelijke prijs — van hem over te nemen. Aan de in 1973 aangetrokken directeur Guus Schut viel vervolgens de schone taak toe om van deze ‘herenbezigheid’ een professioneel en winstgevend bedrijf te maken.

Het feit dat dat laatste door de jaren heen op een goede manier gelukt is, neemt niet weg dat men heden ten dage tevergeefs bij een bank zou aankloppen om krediet te krijgen voor het oprichten van een dergelijke ambitieuze internationale kwaliteitsboekhandel. De oprichting van een onderneming als de Athenaeum Boekhandel zou tegenwoordig slechts door middel een grootschalige crowdfundingcampagne gefinancierd kunnen worden, wat het eigentijdse equivalent is voor het mecenaat dat oprichter Johan Polak bedreef.

Een heer en een dame

‘Un monsieur’ (of ‘une madame’) is de Athenaeum Boekhandel ook nog steeds, en dat is eerder een voordeel dan een nadeel. Ondanks professionalisering, internationalisering en automatisering van het bedrijf is de persoonlijke factor onverminderd doorslaggevend: binnen- en buitenlandse uitgeversaanbiedingen worden stuk voor stuk nageplozen door kenners van onderwerpsgebieden als filosofie, geschiedenis, klassieke oudheid, bellettrie of sociale wetenschappen. De keuzes daaruit worden bij de Athenaeum Boekhandel niet gemaakt door een centrale inkoopcommissie of door een hoofdkantoor elders, maar door precies diezelfde boekverkopers die enkele maanden later voor klanten ook weer het aanspreekpunt vormen over precies diezelfde boeken. En dan weten ze te midden van de 35.000 exemplaren die er op voorraad zijn wat er wel staat en wat er niet staat, en waarom er niet staat wat er niet staat. En wat de snelste weg is om datgene wat er niet staat alsnog in huis te krijgen, als de klant daarom vraagt.

Zelfs de webwinkel van de Athenaeum Boekhandel (Athenaeum.nl) is ‘un monsieur’ of om precies te zijn: ‘un monsieur’ samen met ‘une madame’. Deze twee mensen, Daan Stoffelsen en Ruth Kief, zorgen met persoonlijke hand voor de selectie van titels waar we ons als online boekhandel sterk voor willen maken, in de vorm van recensies, voorpublicaties, leesfragmenten, signalementen van tijdschriften, nieuwsbrieven, tweets en facebookposts. Ze zorgen ervoor dat de bezoeker van de website zo soepel mogelijk boeken kan bestellen uit een database van vele miljoenen titels en dat er met enige regelmaat aantrekkelijke promotiecampagnes en kortingsacties plaatsvinden.

Met, afgezien van die webwinkel, totaal acht fysieke vestigingen en circa vijftig medewerkers, is de Athenaeum Boekhandel een halve eeuw na zijn oprichting beslist wel een volwaardig bedrijf te noemen, maar de geest van de liefhebber die Johan Polak bij uitstek was, is gelukkig toch niet geheel geweken. Onze unieke rubriek met internationale literaire (auto)biografieën, bijvoorbeeld, die je op die manier in geen enkele andere Nederlandse boekhandel vindt, wordt al jaren gedragen door de overtuiging onder de op het Spui werkzame boekverkopers dat dit een heerlijke afdeling is, waarin de ene na de andere bijzondere ontdekking te doen valt. Een dergelijke rubriek ontleent zijn bestaansrecht eerder aan een verliefde voorkeur van een groep klanten en van onszelf dan aan de bedrijfseconomische cijfers van strenge rekenmeesters. Dat zoiets ook geldt voor een afdeling als de poëzie spreekt vanzelf. Vaak zijn het ook diezelfde klanten die ons met zeer gerichte vragen en bestellingen op boeken wijzen, die ons misschien anders zouden zijn ontgaan.

Het verschil

Kees Fens heeft eens in een stuk over de uitgeverij — ik meen over The Bodley Head of over William Heinemann — de theorie verkondigd dat het met een uitgeverij gedaan is zodra de persoon van de oprichter wegvalt. Ik heb dat altijd een vreemde theorie gevonden; Fens’ eigen uitgeverij (Querido) is een tamelijk goed voorbeeld van het tegendeel. Ook voor de boekhandel zou ik zeggen dat er gevallen genoeg zijn die laten zien dat de unieke ‘imprint’ van een oprichter nog decennia later tot inspiratie en voorbeeld kan strekken aan opvolgende generaties. Waar het om gaat is de oorsprong trouw te blijven door die te durven vernieuwen. Door de oprichtingsfilosofie wel naar de geest te respecteren, maar niet altijd naar de letter.

Neem deze website, die nu in verschillende gedaantes zo’n acht jaar bestaat. Ik kan het niet bewijzen, maar ik durf te beweren dat die in zijn opzet en inhoudelijke invulling volstrekt in de geest van Johan Polak is gemaakt, ook al is die reeds voor de doorbraak van het internet overleden. Die geest van Polak is ook vaardig over het academisch-cultureel podium SPUI25 en over de recentelijk geopende Athenaeum-winkels in het Rijksmuseum en op de Roetersstraat. Dat zijn allemaal plaatsen waar, onder verantwoordelijkheid van de mensen die er ter plekke werken, een inhoudelijke selectie wordt gemaakt, met een persoonlijke signatuur die zowel door de daarvoor verantwoordelijke professionals zelf als door de bezoekers wordt beschouwd als inspirerend en aantrekkelijk. Klanten van een boekhandel, bezoekers van een boekenwebwinkel en boekverkopers willen eigenlijk precies hetzelfde. Maar hoe dat onder woorden te brengen?

Na zijn pensionering in 1971 zette Fredric Warburg zich aan een vervolg op de autobiografie die hij over de eerste helft van zijn leven had geschreven. Dit tweede deel, verschenen in 1973, gaf hij als titel All Authors are Equal, een verwijzing naar het beroemde citaat van George Orwell in het door Warburg uitgegeven Animal Farm dat ‘all animals are equal, but some animals are more equal than others’. Afgezien van de ideologische strekking van dit bekende citaat verwijst het als titel voor een boek met uitgeversherinneringen juist naar de waarheid dat het er in het boekenbedrijf en in de leescultuur om gaat het verschil tussen schrijvers te zien. Tussen de ene en de andere roman. Tussen de auteur die je wel in je hart sluit en die waarbij dat niet het geval is. Tussen de uitgeverij die stelselmatig fluttitels op de markt brengt en de uitgeverij van fraai verzorgde prachtboeken. Tussen een boekhandel met grote stapels bestsellers die om pilaren heen gedrapeerd liggen en een boekhandel met een echt assortiment van bijzonderheden. Tussen boeken die je beslist thuis wilt hebben en boeken die je het liefst zo snel mogelijk de deur uit wilt doen.

Kortom, wat klanten van een boekhandel, bezoekers van een boekenwebwinkel en boekverkopers alle drie willen is dat er verschil gemaakt wordt — verschil in belang en smaak en kwaliteit — en dat dat verschil tot uitdrukking komt in een veelzijdige hoeveelheid titels met ruime keuzemogelijkheden, keuzemogelijkheden waarop desgewenst een gezaghebbende toelichting en waar nodig aanvullende service beschikbaar is. Een boekhandel of webwinkel die aan die omschrijving beantwoordt, houdt precies het midden tussen een uitgeverij en een privé-boekencollectie, het midden tussen ‘serious business’ en een ‘occupation for gentlemen’. Alle boekhandels zijn gelijk, inderdaad, maar sommige boekhandels...

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Het middelpunt van de stad

1 februari 2016, door

Uit mijn kindertijd kende ik de Lomanstraat, een donkere straat met reusachtige bomen die als knoestige kobolden de hemel in groeiden. Lomanbomen, naar ik aannam. Mijn oom en tante woonden in die straat. Een paar keer per jaar brachten we hen een bezoek. Ze hadden een oude flipperkast en een jukebox in de woonkamer staan en hun tuin was een minuscuul vierkantje van cement. Dat was Amsterdam: een wirwar van onkenbare straten die uiteindelijk tot de Lomanstraat leidden, het middelpunt van de stad, de plek waar de kruinen van de boomtoppen naar elkaar toe bogen alsof ze verwikkeld waren in een geheim gesprek.



Ik herinner me het moment, zo'n anderhalf decennium later, dat ik nietsvermoedend door Oud-Zuid fietste en de Lomanstraat kruiste. Ik studeerde net in Amsterdam en mocht bij de zus van een vriendin logeren terwijl ik naar een kamer zocht. Met een kaart op zak fietste ik van buurt naar buurt, van hok naar hok, van hospiteeravond naar hospiteeravond. Mijn kaart bleef opgevouwen in mijn jaszak zitten, niet omdat ik de weg wist maar omdat het me acceptabeler leek hopeloos te verdwalen dan om te worden aangezien voor een toerist. Het leverde hallucinante tochten op in de vorm van steeds wijder lopende cirkels en spiralen, tot ik mezelf - half verwonderd, half wanhopig - terugvond aan de randen van Geuzenveld en de Watergraafsmeer, Buitenveldert en de Rivierenbuurt.

Aleph

De Lomanstraat leek een omgekeerd visioen, een portaal naar het verleden dat alleen maar per ongeluk vast was komen te zitten tussen de Valeriusstraat en de Krusemanstraat, het Vondelpark en het Olympiaplein. Het was onvoorstelbaar, zoveel geografische precisie. Hoe kon die straat zo écht zijn, terwijl hij tegelijkertijd onverklaarbaar bleef, een beeld, een associatie, een luchtspiegeling die alweer bijna was vervlogen?

In elke kenbare stad zit een mysterieuze stad verborgen, in elke zichtbare een onzichtbare. Je voelt dat het best op plekken die door jezelf steeds opnieuw worden ingevuld met betekenis. Op zulke plekken lopen verleden en toekomst door elkaar heen, zonder zich iets aan te trekken van chronologie. Zulke plekken zijn als een Borgesiaanse Aleph: ze dragen de hele wereld in zich - het werkelijke en het imaginaire, het concrete en het gedroomde.

Actieradius

Minstens evenzeer als de Lomanstraat, is Athenaeum Boekhandel voor mij zo'n Aleph. Toen ik er voor het eerst binnen stapte, bijna tien jaar geleden, wist ik dat ik naar deze plek had verlangd. Ik zag het aan de rood-witgestreepte luifels, de trappen, de hoeken en bochten, de smeedijzeren Jugendstilkrullen rond de ramen. Ik zag het aan de zorg waarmee de etalages waren ingericht, de expertise van de medewerkers, de manier waarop ze je hielpen en met rust lieten. Ik was negentien en had nog geen flauw idee van wat ik zou moeten najagen in deze nieuwe stad, maar iets ervan lag in deze winkel besloten, ik zag het aan de achterkant van mijn ogen, waar het rood-wit kleurde als ik dacht aan een leven met boeken.

Ik studeerde in de Spuistraat en kreeg daarna een baan aan het Spui, als medewerker bij Academisch-cultureel centrum Spui25. Je zou kunnen zeggen dat ik jarenlang bezig ben geweest mijn actieradius precies rond de boekhandel te centreren. (Niet voor niets is mijn stamkroeg nog altijd De Engelse Reet. En niet voor niets heb ik me aangesloten bij de redactie van De Gids, die is gehuisvest in het pand van De Groene, aan het Singel, op nog geen 200 meter van de boekhandel). Ik leerde het labyrint van kamertjes aan de achterkant van de winkel kennen, kocht boeken van geld dat ik daar soms wel en vaak niet voor had, leverde er talloze boekenbonnen in waarmee ik werd uitbetaald door instanties die (terecht) veronderstelden dat een mens van boekenbonnen kan leven. Inmiddels probeerde ik aan een roman te werken. Heel soms verbeeldde ik me dat het werkelijk zou lukken. Dan zag ik een etalage voor me, bij Athenaeum, de luifels uitgeschoven, een laaghangende avondzon die het Lieverdje een lange schaduw gaf.

Het trappetje naar de poëzieplanken

In Italo Calvino's De onzichtbare steden vertelt Marco Polo aan Koeblai Khan over de wonderlijke steden in diens rijk.

'Ik zou je kunnen zeggen uit hoeveel treden de trapvormige straten bestaan,' zegt hij over de stad Zaira (die eigenlijk, als alle steden die hij beschrijft, een versie van zijn geboortestad Venetië is), 'wat de kromming is van de bogen der zuilengangen, met welk soort zinken platen de daken bedekt zijn; maar ik weet al dat ik je dan eigenlijk niets zou zeggen. Niet hieruit bestaat de stad, maar uit het verband tussen de afmetingen van haar ruimte en de gebeurtenissen uit haar verleden: de afstand van een lantaarn tot de grond en de bungelende voeten van een opgehangen overweldiger; de draad die gespannen is tussen de lantaarn en de balustrade ertegenover en de guirlandes die boven de straat hangen waar de huwelijksstoet van de koningin langskomt; de hoogte van de balustrade en de sprong van de echtbreker die er bij het ochtendgloren overheen klimt…'

En zo is het ook als ik aan Athenaeum denk, mijn eigen onzichtbare stad-in-een-stad: als een verband tussen ruimte en tijd, een plek die een aantal zeer dierbare stukjes van mijn verleden herbergt - in het trappetje dat naar de poëzieplanken leidt, de hoek met de filosofen, het cadeaupapier en de manier waarop dat om de boeken wordt gewikkeld. De deuken, de krassen, de scheuren. Een etalage in de avondzon.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

De toekomst van het boekenvak

1 maart 2016, door

Toen mijn tweede boek was verschenen vertelde mijn uitgever fantastisch nieuws te hebben. Een boekwinkel had een derde van de oplage ingekocht. De uitgever zei dat de boekwinkel daar wel iets voor terug wilde. Omdat de uitgever zeker wist dat ik akkoord zou gaan met de voorwaarde waren ze alvast akkoord gegaan. De boekwinkel wilde dat ik daar kwam werken totdat alle tweehonderdvijftig boeken waren verkocht. Ik vroeg mijn uitgever waarom. Mijn uitgever zei dat dit de toekomst van het boekenvak is, dat auteurs zich actiever met de verkoop moeten gaan bemoeien. Mijn uitgever zei dat ik voor morgen stond ingeroosterd bij Athenaeum. ‘Oké,’ zei ik, ‘de Gedempte Oude Gracht is vlakbij mijn huis, een kwartier lopen en ik ben er.’ ‘Nee,’ zei mijn uitgever, ‘het gaat om een andere boekwinkel van Athenaeum, in Amsterdam, op het Spui.’ Ik zou eerst met de trein moeten en daarna nog twintig minuten moeten lopen. Lopen is geen pretje als je, zoals ik, je dagen rokend en drinkend achter een tafel doorbrengt en af veen toe een komma in een openstaand Word-document typt om de komma na een kwartier toch maar weer weg te halen.



De volgende dag stond ik voor de boekwinkel op het Spui in Amsterdam. Natuurlijk regende het. Natuurlijk was ik veel te vroeg. De regenschermen waren nog niet naar beneden gelaten.

De winkel ging open en ik liep naar binnen. De winkelchef stond me op te wachten. Ik kreeg geen hand. Hij wees op dozen met boeken en zei: ‘Jouw boek. Til de dozen naar beneden.’ Hij liep naar buiten om te roken. Ik tilde de dozen naar beneden, twee trappen af naar de voorraadkelder en nam me voor in het vervolg dunnere boeken te schrijven.

In de voorraadkelder zat A.H.J. Dautzenberg aan een lange tafel boekenleggers op kleur te sorteren. ‘Werk jij ook hier,’ vroeg ik. Hij wees op stapels en stapels van zijn boek De Fictiefabriek. Ik telde er minstens duizend. ‘Voorlopig nog wel,’ zei hij en hij legde een blauwe boekenlegger bij de blauwe boekenleggers.

In de winkel wees de winkelchef op een stapel van mijn boeken. ‘Als het je lukt daar eentje van te verkopen is het een goed begin,’ zei hij. Hij liep naar buiten om te roken. Terwijl de medewerkers van de boekwinkel aan het bureau op de eerste verdieping koffie dronken stond ik achter de kassa. Een klant kwam de winkel binnen. Ik probeerde hem, zoals goed gebruik is onder personeel in boekwinkels, te negeren maar omdat hij me aansprak lukte dat niet. De man zei dat hij voor een jongeman een bundel met korte verhalen zocht, als cadeau. Het is dat God niet bestaat, anders zou hij zeker op mijn hand zijn. Ik pakte mijn eigen boek en prees het aan met superlatieven waarvan ik wist dat de verhalenbundel ze niet waar zou maken. Ik maakte de fout door te zeggen dat het boek hier en daar ook humoristische elementen bevatte. De man trok een vies gezicht en zei dat het niet zo’n simpel boek hoefde te zijn, dat het cadeau best iets meer inhoud mocht hebben. Uit de kast pakte ik het enige exemplaar van Een volstrekt nutteloos mens van Jori Stam. Ik zei dat het vlot geschreven was in een nietsontziende stijl. De man zei dat dit precies was wat hij zocht en dat ik het moest inpakken. Gelukkig heb ik ooit in een dierenwinkel gewerkt en rond Dierendag meer dozen Brekkies ingepakt dan me lief is.

Ik probeerde mijn boek nog een paar keer te verkopen aan klanten. Ik liet weg dat er om het boek te lachen viel, maar omdat ik steeds niet goed uitgelegd kreeg waar het boek nu precies over ging, verkocht ik nul exemplaren.

Ik mocht geen pauze nemen, de boterhammen die ik ’s ochtends thuis smeerde bleven in mijn rugtas zitten. De winkelchef zei: ‘Lijden is goed voor een schrijver. Dat komt je oeuvre ten goede.’ Daarna liep hij naar buiten om te roken.

Nu, bijna een jaar nadat mijn boek verschenen is, werk ik twee keer per week bij Athenaeum Boekhandel op het Spui in Amsterdam. Er is één keer een boek van mij verkocht, door iemand anders, maar de klant die het kocht kwam het na een paar dagen weer ruilen. Vijf exemplaren werden een keer door een onverlaat met een stanleymes bewerkt. De beschadigde exemplaren werden door de boekwinkel omgeruild voor exemplaren van Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk. Verder heeft de uitgeverij gelijk gekregen en bleek zo’n deal inderdaad de toekomst van het boekenvak te zijn. De broers Heerma van Voss rijden iedere dag met een busje heen en weer tussen de diverse filialen van Athenaeum. L.H. Wiener beheert de sociale media-kanalen. Nyk de Vries gaat iedere middag met thee rond. Jamal Ouariachi lapt iedere woensdag de ramen. Martijn Neggers vouwt de hoesjes voor de boekenbonnen. En A.H.J. Dautzenberg? Tja, die zit iedere dag in de voorraadkelder de boekenleggers op kleur te sorteren en dat terwijl er bij Athenaeum niet eens boekenleggers worden verkocht.

Voordat hij naar buiten liep om te roken zei de winkelchef dat het hem een leuk idee leek om dit jaar vijftig schrijvers te hebben rondlopen. De winkel bestaat immers vijftig jaar. Het is een leuk idee, maar als je het mij vraagt geeft het ook een hoop onrust, al die schrijvers over de vloer met hun onvermogen om met de ware werkelijkheid om te gaan. Maar goed, wie ben ik? Ik ben iemand die nog tweehonderdvijfenveertig exemplaren van zijn eigen boek moet verkopen en dan vrij is om aan een nieuw boek te beginnen. Naar het schijnt heeft Scheltema al interesse getoond om een deel van de oplage in te kopen.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Desperados onder de luifel

1 april 2016, door

Als het gaat om de aantrekkingskracht van Athenaeum (en dat gaat het) moet ik altijd denken aan de openingsscène van het boek - natuurlijk, een boek - Manhattan Transfer van John Dos Passos uit 1925. Hoofdpersoon Bud Korpenning hangt ‘gehavend en vermoeid na een lange reis’ tegen de reling van de aanmerende veerboot en vraagt aan de man die naast hem staat hoe ver het nog is naar de stad.

‘Hangt ervan af waar je wezen moet,’ zegt de man.
‘The center,’ zegt Bud, ‘I want to get to the center of things.’
‘Okay. Walk east a block and turn down Broadway and you'll find the center of things if you walk far enough.’

Geen seconde had hij daarover na hoeven denken, de man die volgens Dos Passos een strooien hoed droeg en een wit met blauw gestreepte stropdas. En zo zou ik - wanneer we de handeling nu verplaatsen naar het Centraal Station in Amsterdam - op de vraag van Bud direct hebben geantwoord: ‘Het middelpunt der dingen? Simpel. Je loopt de Spuistraat af of de Nieuwezijds Voorburgwal, en als je maar ver genoeg doorloopt, tot aan het punt waar die twee samenkomen, vind je het vanzelf.’



Want ja, dáár gebeurt het dus allemaal. Daar, midden op het Spui, sta je op de crossroads: het kruispunt waar leven literatuur wordt en literatuur leven. Een boekwinkel die deels bestaat uit een aantal ogenschijnlijk normaal driedimensionale ruimtes plus verbindende trappetjes (al lijken die laatste dan wel ontworpen door M.C. Escher), deels uit het oneindige labyrint van de geest. Hier verdwalen is elk moment – elk moment - een nieuwe wereld ontdekken, en vaak nog weer een wereld ìn die wereld. Een wonderbaarlijk, alle regels van ruimte en tijd aan de laars lappend attractiepark van de verbeelding is het – ‘Welkom, de goden zijn al binnen,’ om de woorden te gebruiken waarmee de aristrocratische pre-socraat Heraclitus zijn gasten placht te ontvangen (en dat, vanuit zijn vaste plek in de kast bij Athenaeum, eigenlijk nog steeds doet).

Er is één andere boekhandel die dezelfde romantische gevoelens bij me weet op te roepen (althans het beeld ervan, en dan ook nog eens één van het heimwee-naar-dingen-die-je-niet-hebt-meegemaakt-achtige soort): de City Lights Bookstore aan Columbus Avenue in San Francisco. Niet zozeer vanwege de indeling (die net zo labyrintisch is als die van Athenaeum) of het gevoerde assortiment (hoewel helemaal in orde), maar vanwege de geschiedenis van de winkel als epicentrum aan de Westkust van de schrijvers van de Beat Generation - waarvan de oprichter van de winkel, tevens huisuitgever, Lawrence Ferlinghetti, er zelf ook één was). Daar kwamen ze samen: Ginsberg, Kerouac, McClure, Welch, Brautigan, noem maar op. Daar hingen ze rond, bleven ze plakken, lazen ze elkaar voor, praatten ze elkaar de oren van het hoofd - en namen ze stuk voor stuk een aanloop om de hemel te bestormen met hun uitbundig swingende poetry emotion.

Uren kon ik daar naar kijken, naar de foto’s waarop ze met z’n allen (of wie er maar toevallig in de buurt was) op straat voor de winkel poseerden. Deel uit te maken van een dergelijke beweging, een in wanorde optrekkend leger van straatengelen en dichters – het leek mij het mooiste wat er was. Ondertussen in Amsterdam: een halve eeuw geleden leek het er heel even op dat een dergelijk leger ook hier op de been kon worden gebracht, maar voor het goed en wel stond was het alweer uit elkaar geslagen of in de modder vastgelopen. So it goes. Toch, als er nu één plek is waar dat gevoel dat die foto’s uit San Francisco mij konden geven af en toe dicht wordt benaderd, dan daar (ik bedoel hier, op het Spui) buiten op straat voor de étalage van Athenaeum. En zeker op die momenten dat ik daar samen met winkelchef en universeel deskundige Herm Pol (in ‘zijn kantoor’, zoals hij die plek noemt) de wereld doorneem, en het maar een kwart sjekkie duurt of er sluit zich iemand bij ons aan – Thomas of Wim  of Dirk, en soms ook, zij het (‘geen tijd, jongens, geen tijd’) altijd maar heel kort, de geest van Martin – die dan moeiteloos het soepele ritme en de melodie van het gesprek overneemt, af en toe een solo voor zijn rekening neemt of op het juiste moment een veelbetekende pauze laat vallen, om dan even later weer knipperend tegen het zonlicht, en de rug warmend aan de winkelpui achter hem, tevreden knikkend weer zijn plaats in te nemen in het koor onder de luifel. Zoals Warren Zevon al zong over zichzelf en zijn vrienden onder het afdak van het Hawaiian Hotel in het oude Hollywood: ‘Desperadoes under the eaves, heaven help the one who leaves.’ Hoe druk we het zogenaamd ook allemaal hebben met van alles en nog wat en waar we ook vandaan komen of onderweg naartoe waren, heel even hoeven wij, desperado’s onder de luifel, helemaal nergens heen – omdat we al zijn waar we altijd willen wezen: right here, at the center of things.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Aanbod: Reader in Residence

1 mei 2016, door

Ik beken. Ik ben jullie ontrouw. Tot een paar jaar geleden had ik een prachtige werkkamer in het Maagdenhuis. Vanaf mijn bureau had ik uitzicht op wat ik in ieder interview roemde als ‘de beste boekhandel van de wereld’. Ik stuurde er mijn buitenlandse bezoekers heen, ik kwam wekelijks in het Nieuwscentrum de Financial Times kopen, en vele Italiaanse, Spaanse en Franse kranten en tijdschriften waar ik nooit aan toe kwam. In de boekhandel schafte ik de boeken aan die ik nodig had. En nog vaker de boeken die ik niet nodig had. Toen mijn boek Hamburgers in het Paradijs uitkwam, maakten jullie een schitterende etalage voor me. Maar ik kom amper nog.



Nog een bekentenis. Athenaeum was niet mijn eerste liefde. Als kind ging ik met mijn vader, bij onze bezoeken aan Amsterdam, naar Het Huis aan de drie Grachten, waar ik elke zomer drie boeken mocht uitzoeken. De plechtige sfeer van gedempte voetstappen, onderbroken door de schaarse, serieuze woorden die boekhandelaar en lezer wisselden, bevestigde mijn van huis uit meegegeven overtuiging dat boeken heilig waren. Bij jullie vond ik, later als prille student uit Wageningen, minder plechtstatigheid maar dezelfde toewijding aan het lezen, hetzelfde verlangen om door de literatuur andere werelden te ontdekken.

Sinds ik in Wageningen werk, fiets ik zelden naar het Spui, komt de Financial Times per post en ga ik soms naar boekhandel Kniphorst in Wageningen. De laatste Modiano kocht ik in Parijs, de laatste Anne Tyler in New York. Het is geen kwade wil, geloof me. Erger nog, ik mis jullie.
Ik mis het even binnenwippen, het over niets en alles praten, over het weer dat mij altijd te koud is, de onveranderlijkheid van de stad, de nieuwste boeken, de nieuwste films, de poezen, het reizen, de straatmuzikanten en het noodzakelijke kwaad van het toerisme. En niet te vergeten de wie-met-wietjes – zoals Joop van Tijn ze placht te noemen.
Ik mis de toevallige ontmoetingen in de winkel met kennissen, journalisten, lezers en schrijvers, zoveel natuurlijker dan op het boekenbal of bij boekpresentaties.

Ik mis de verleidelijke stapels met honderd onbekende titels op jullie toonbanken, mijn boekenbon brandend in mijn hand, mijn besluiteloosheid en jullie enthousiaste raad. Wie Athenaeum een huiskamer of een kroeg noemt, begrijpt niet waar het bij het literatuur om gaat. Athenaeum is een tempel en dat moet het blijven. Een tempel waarin het dagelijkse en het hogere elkaar ontmoeten, waar net als in Boeddhistische tempels geld moet rollen, terwijl de toekomst wordt geduid aan de hand van heilige geschriften en de eenzaamheid verzacht.

Gedwongen door de geografische realiteit van werk aan de andere kant van het land, en soms aan de andere kant van de wereld, ben ik jullie ontrouw geworden, maar geef me een kans mijn leven te beteren!
Benoem mij tot jullie eerste Reader in Residence. Zet een leunstoel neer, boven bij de Romaanse letteren, of op een andere plek waar ik niet in de weg zit. Zet er een schemerlamp naast, een pot met thee en een schaal met appels. Ik zal er de hele dag lezen, af en toe ik verlangend langs de kasten lopen, en als een kleptomaan de meest aantrekkelijke koopwaar onder mijn stoel en in mijn jaszakken verstoppen. Ik zal jullie klanten inspireren door mijn toewijding en mijn geconcentreerde zwijgen.
Vrees niet, ik zal niemand tot last zijn, ik beloof het. Niemand zal ik mijn voorkeur opdringen, want ik weet dat ook jullie het steeds meer van de bestsellers moeten hebben en niet van die obscure auteurs die ik zo graag lees. Als het erg druk is, kan ik helpen met inpakken, als ik dat prachtige vouwen van het AB-pakpapier ooit onder de knie krijg.

Misschien mag ik ook af en toe een nacht in Athenaeum doorbrengen. Als chronisch slapeloze hyperactieve lezer zal ik zachtjes door het roerloze donker van de winkel sluipen en mijn nachtmerries verjagen met poëzie. In de zomer stel ik me voor dat ik de blinden en de ontheemden voorlees op een bankje voor de etalage, onder de rood gestreepte luifels, of op een van de bankjes rondom het Lieverdje. Mijn stem is helder genoeg om het verkeer te overstemmen en misschien kunnen we een deal sluiten met de violist die vijftien keer per dag dezelfde Vier jaargetijden ten gehore brengt. Literatuur en muziek moeten elkaar afwisselen. Benoem mij tot jullie Reader in Residence en ik zal jullie weer eeuwig trouw zijn!

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

7up

1 juni 2016, door

In mijn roman Zachte riten zit een liefdesverklaring aan het adres van Athenaeum Boekhandel verborgen, en aan de mensen die er werken. Ik zal de precieze vindplaats niet verklappen, want zoals dat nu eenmaal het geval is met liefdesverklaringen, ze komen pas goed aan als je ze niet verwacht. Misschien zou iemand nog eens nader onderzoek moeten doen naar de gedaantes die Athenaeum aanneemt in de moderne Nederlandse literatuur. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat deze boekhandel uitgegroeid blijkt te zijn tot een topos, het archetypische boekenpaleis waar het goed schuilen is, waar je nog eens iemand tegen komt en, natuurlijk, waar je nog eens iets vindt.



Op het terras van café Luxembourg – waarom je alleen al om die reden uren wil zitten – kun je de bedrijvigheid rondom de boekhandel goed gadeslaan. Ik zou willen dat iemand dertig jaar geleden op het idee was gekomen om een 7up-achtige documentaire te maken vanuit dat perspectief, gewoon de camera gericht op de mensen die er komen, staan te dralen voor de etalage, een boek lezen op een van de bankjes voor de boekhandel.

Niemand hoeft iets te zeggen of te becommentariëren, er mag een mooi melancholiek muziekje onder gezet worden, een beetje jazzy (ik weet niet waarom ik dat zeg, ik hou helemaal niet van jazz, maar als ik hieraan denk hoor ik opeens de weemoedige klanken van een saxofonist, het gepluk op een gitaar), en wat de grap is: je gaat nooit die boekhandel echt binnen. De schat blijft verborgen, wat misschien een afgekloven metafoor lijkt, maar wat ik toch het best bij Athenaeum vind passen. Er blijkt altijd meer van alles te zijn dan je denkt.

Het is nooit mogelijk de boekhandel binnen te overzien, je verdwaalt er makkelijk en je bent er ook zomaar weer iemand kwijt – wat soms handig kan zijn –, achter of boven een ruimte blijkt zich altijd nóg een ruimte te bevinden, ook de medewerkers komen oppoppen vanuit het niets. Opeens staan ze daar achter die kassa, ze zien eruit alsof ze in een toneelstuk spelen, niet intimiderend maar wel aanwezig.

Dus ja, die camera hangt ervoor, het raadsel blijft intact, en ondertussen vlieden de jaren en de seizoenen heen, je ziet de stad en zijn bewoners veranderen. Niets om droevig van te worden, maar misschien toch een beetje. De constante is de boekhandel en diens klandizie. Iedere zeven jaar opnieuw, ik weet het, het is een verlangen om mezelf daar voor het eerst naar binnen te zien gaan, in een rode jurk en op rode laarzen. Op mijn netvlies staat die zonnige middag, ik studeerde nog maar net, en ik weet het nog van die jurk en die laarzen omdat op hetzelfde moment een meisje naar buiten kwam in een groene jurk, en op groene pumps, en de dienstdoende boekverkoper er een opmerking over maakte. Het was een beetje het 'Alpejagerslied' van Paul van Ostaijen, met de rechtse en de linkse, de klimmende en de dalende, alleen waren wij meisjes en geen heren, en hadden we geen hoed om voor elkaar af te nemen. Dat deed de verkoper van Athenaeum voor ons.  

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Curator met boeken

1 juli 2016, door

In de documentaire All Things Must Pass: The Rise and Fall of Tower Records (2015) vertelt Bruce Springsteen hoe hij als ontluikend muzikant in de vroege jaren zeventig een vestiging bezocht van de inmiddels ter ziele gegane, megalomane muziekketen. Tower Records was toen, zo legt The Boss uit, een favoriete hangout van beginnende artiesten, een plek waar je even je heimwee niet voelde, waar je met even onzekere als hongerige collega’s kon samenzweren, waar het toegestaan was om ongebreideld over het ingrijpendste in je leven te ouwehoeren: muziek.



Platenzaken, het is hard gegaan. In een artikel voor The New Yorker over de sluiting van de eigenzinnige New Yorkse record store Other Music, beschrijft journalist Amanda Petrusich de belangrijke rol van die winkel in haar leven, hoe die haar in haar jeugd heeft geholpen met concepten als: wat vind ik leuk? Wat wil ik? In welke bakken kijk ik het eerst en wat zegt dat over mij? Ze noemt Other Music ‘an integral player in my making’. Petrusich trapt niet in de dankbare val van de nostalgie. ‘In our accelerated culture, collective nostalgia, in which we mourn the freshly antiquated for reasons that are unclear but still enormously potent, is its own cottage industry (especially for culture reporters).’ Dat is scherp gezien, haar herinnering aan haar goeie ouwe winkel blijft persoonlijk en toegespitst op de dierbare overledene.

Petrusichs artikel is niet zozeer een klaagzang als wel een uiting van dank aan een instituut dat haar als mens mede heeft gevormd en een lofzang op ‘curated off-line retail’. Die laatste frase landde onmiddellijk in mijn gedachten. Het vestigde nog maar weer eens mijn aandacht op het arbitraire van elk soort assortiment. Hoe groter de winkel, des te omvangrijker de willekeur. Zelfs in deze internetjaren heeft niemand alles, er zal altijd moeten worden gewogen en gekozen, om duizelingwekkend veel redenen – waarvan toeval er hoe dan ook één is, evenals de bottom line – kan een bedrijf besluiten iets in zijn aanbod op te nemen. Webwinkels hoeven hun voorraad niet aan een vast aantal vierkante meters aan te passen en kunnen in theorie vele Kalverstraten vol aan producten aanbieden. De werkelijke winkels, die met een deur en een sluitingstijd, kunnen deze belofte van oneindige keuze en variëteit niet bijhouden en moeten hopen op het overleven van het menselijke verlangen op iets verrassends te stuiten of op iets onverwachts te worden gewezen.

Het woord ‘curated’ impliceert iets artistieks, een zekere expertise, in curated off-line retail wordt een product met kunde en zorg geselecteerd en voor hoogstaandere doeleinden naar voren geschoven dan eenvoudig consumentisme, het maakt uit wat er in de winkel staat. Hoewel commerciële overwegingen aan de basis van deze dynamiek staan en het voortbestaan ervan uiteindelijk afhankelijk is van het aloude positieve verschil tussen de kosten en de baten, zijn de unique selling points van een dergelijke onderneming een zeker didactisch streven, een meer dan opzichtige elitaire instelling, een consciëntieus personeelsbeleid en de wens een activistisch middelpunt te worden voor gelijkgestemden.

Het is wonderlijk hoe weinig we onze ervaringen betekenis willen geven zodra we thuis zijn. Netflix moet alles hebben, maar de bioscoop draait juist om zijn gerichte en snel verversende aanbod films; Thuisbezorgd.nl biedt elk gerecht onder de zon, maar in een restaurant is een uitgebreid menu al lang niet meer de rigueur, steeds vaker laten gasten zelfs de volledige keuze aan chef of sommelier.

In de vroege jaren negentig reisde ik na mijn eindexamen naar de Verenigde Staten. In New York betrad ik voor het eerst een boekwinkel die wat aanbod betrof het betamelijke nogal eenvoudig overschreed. Daarna weer thuis in Nederland leken vertrouwde boekhandels gekrompen, zelfs de vestiging van Nawijn & Polak in Apeldoorn die me tijdens mijn adolescentie altijd zo vol had geleken met allerlei begeerde boeken die ik nooit zou bezitten. Ik was ontevreden geworden. Amerika had me rijp gemaakt voor het naderende Amazon.

Terug naar Springsteen. Zoals zoveel creatieve ambachten kan ook het schrijverschap een eenzame en onzekere zijn. Het had de tobbende dromer die ik als jonge jongen was enorm geholpen wanneer de schrijvers die ik in de boekenpagina’s trof (het boekenkatern van NRC telde toen nog makkelijk twaalf pagina’s broadsheet) tijdens mijn vaste vrijdagmiddagen in Nawijn & Polak tegen het lijf had kunnen lopen.

Amazon gebruik ik eigenlijk alleen nog maar voor plaatselijk Amerikaans werk, Bol voor klein witgoed en kinder-DVD’s.
Zo lang heb ik er in mijn leven niet op hoeven wachten. Een plek die me past, zomaar in mijn eigen land, mijn eigen stad. De vestiging van Athenaeum Boekhandel op het Amsterdamse Spui is de culminatie van curated off-line retail. Een mythische omgeving, maar op een onnadrukkelijke, Nederlandse manier. Een bezoek is nooit argeloos. Nog meer dan in het café houdt men elkaar daar in de gaten. Wie ben je, wat lees je? Wat schrijf je?

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Mijn Athenaeum

1 augustus 2016, door

N.B. Deze tekst werd oorspronkelijk in het Frans geschreven, en vertaald door Joeba Bootsma.



Een paar maanden na mijn aankomst in Amsterdam vond ik de polsslag van de stad: op het kleine plein dat Spui heet. Je vindt daar een verrassende concentratie van betekenisvolle plekken. Het Maagdenhuis symboliseert de Universiteit, de opleidingen en het eeuwenlang in stand houden van het koppige streven naar de kennis die ons gaandeweg zou bevrijden van het religieuze overwicht. En juist, net daarnaast torent de Lutherse Kerk, die lange tijd symbool stond voor een zeker verlangen naar emancipatie (ten opzichte van Rome) maar die - op een voor de Geschiedenis welbekende ironische wijze - tegenwoordig wordt gebruikt voor heel onreligieuze proefschriftverdedigingen van de Universiteit. Ik heb veel verdedigingen bijgewoond, vooral wanneer het mijn vrienden betrof, en ik heb ook veel inaugurele redes van net benoemde hoogleraren meegemaakt – de meest spectaculaire die me is bijgebleven is die van Rick van der Ploeg, die zo snel en over zo veel verschillende onderwerpen praatte dat niemand er iets van begreep. Maar iedereen was van mening dat er talent in te bespeuren viel.   

Aan de andere kant van het plein bevindt zich een van de voornaamste toeristische attracties van de stad, het Begijnhof, verborgen achter een onopvallende kleine deur die je zo voorbijloopt. Maar je hoeft hem maar open te duwen en je begeeft je in een andere wereld, een andere eeuw. Naast het Begijnhof huist de Amerikaanse boekhandel die, paradoxaal genoeg, lange tijd werd gerund door een Palestijn… En verderop heb je een modekledingwinkel, arrogant en onbeduidend, zoals al die winkels.

Op het plein zit ook een aantal cafés en restaurants die ik inmiddels goed ken – behalve Café De Zwart. Al bij mijn eerste Amsterdamse wandeling verzekerde men me dat dit de plek was ‘waar schrijvers samenkomen’, wat me dermate intimideerde dat ik nooit heb gedurfd in dat prestigieuze café te gaan zitten – behalve één keer: Hafid Bouazza, die achter een glas bier zat, zwaaide vriendelijk naar me toen ik langs het café liep en dat gaf me de moed om, met bonzend hart, die Olympus te betreden en bij hem te gaan zitten, wachtend op het moment dat de baas me eruit zou zetten.

En toch… Toch kwam ik er al vrij snel achter dat, van al die plekken waarvan de een nog imposanter is dan de ander, de plek met het meest bescheiden voorkomen eigenlijk het interessantst is. Boekhandel Athenaeum: een niet heel opvallend pand, maar zijn altijd indrukwekkende etalages doen hun werk en weten van verre je aandacht te trekken en te hypnotiseren met de tientallen exemplaren van een en hetzelfde boek die er soms liggen uitgestald, alsof een hydra met honderd ogen zich meester heeft gemaakt van de etalage. Maar dat is niet waarom Athenaeum, sinds de bijna dertig jaar dat ik in Amsterdam woon, voor mij het echte middelpunt van het Spui is geworden.

Vergeleken met de andere panden op het plein is Athenaeum niet overweldigend zoals het Maagdenhuis, niet intimiderend zoals café De Zwart, niet alsof ik niet volledig word geaccepteerd zoals bij het Begijnhof, niet erop uit me te minachten zoals de kledingwinkel, en niet zoals de Lutherse Kerk die haar deuren voor me sluit. Athenaeum doet juist precies het tegenovergestelde. Je loopt er naar binnen zonder formaliteiten, de eenvoud van het pand intimideert niemand, er huist geen bestuur dat over leven en dood van je carrière beschikt, en niemand kijkt er op je neer. Het voelt alsof je thuis bent, alsof je er met vrienden staat.

En dan is er nog wat. De andere gebouwen op het plein zijn, om het zo te zeggen, volledig, af, definitief: what you see is what you get. Je staat ernaast en het enige wat je kunt doen is ze aanschouwen en je heel klein voelen. Athenaeum daarentegen is open, altijd vernieuwend en gericht op de toekomst: het zijn immers boeken die er worden verkocht, waarvan je er alleen maar een open hoeft te slaan om vooruit te worden geslingerd, om de gedaanteverandering van start te laten gaan, om werkelijk het gevoel te hebben dat je bestaat en dat je er toe doet. Als Sartre, Foucault of Barthes in Amsterdam hadden gewoond, dan weet ik wel waar we ze geregeld tegen zouden zijn gekomen, gebogen over een boek dat net is opgeduikeld van de plank, mompelend en met gefronste wenkbrauwen, even helemaal vergeten wie ze zijn om enkel nog lid te zijn van de grote familie van Athenaeum.  

Vertaling © Joeba Bootsma

 

Mon Athenaeum

Quelques mois après mon arrivée à Amsterdam, j’ai compris où son pouls battait : sur la petite place nommée Spui. On trouve là une concentration étonnante de lieux significatifs. Le ‘Maagdenhuis’ symbolise l’Université, les études, la perpétuation depuis des siècles de la recherche obstinée d’un savoir qui nous débarrasserait petit à petit de la mainmise religieuse. Et justement, tout à côté, se dresse l’église luthérienne, qui symbolisa pendant longtemps une certaine volonté d’émancipation (par rapport à Rome) mais qui, par une de ces ironies dont l’Histoire a le secret, est aujourd’hui utilisée pour les très laïques soutenances de thèse de l’Université. J’ai assisté à beaucoup de ces soutenances, surtout quand il s’agissait de mes amis, et aussi à beaucoup de leçons inaugurales de professeurs fraîchement nommés – la plus spectaculaire restant, dans ma mémoire, celle de Rick van der Ploeg, qui parlait si vite et de choses tellement différentes que personne n’y comprit rien. Mais tout le monde s’accorda pour y déceler du génie…

En face, l’un des hauts lieux touristiques de la ville, ce Béguinage dissimulé par une petite porte qu’on remarque à peine. Mais il suffit de l’ouvrir pour entrer dans un autre monde, un autre siècle. Adossé au Béguinage, la librairie américaine qui fut longtemps dirigée, ô paradoxe, par un Palestinien... Ailleurs, un magasin de vêtements de mode, arrogant et futile, comme ils le sont tous.

On y trouve aussi, sur cette place, plusieurs cafés et restaurants que j’ai fini par bien connaître - sauf le Café De Zwart dont on m’assura, dès ma première promenade amstellodamoise, que c’était là « que se retrouvaient les écrivains », ce qui m’intimida tellement que je n’ai jamais osé m’asseoir dans ce lieu prestigieux – sauf une fois : alors que je passais devant, Hafid Bouazza, qui y était assis devant une bière, me fit un petit signe amical, ce qui m’encouragea à entrer, le cœur battant, dans cette Olympe et à me joindre à lui, m’attendant à chaque instant à être chassé par le patron.

Et pourtant… et pourtant, parmi tous ces lieux plus imposants les uns que les autres, je ne fus pas long à découvrir que c’était certainement celui qui a l’apparence la plus modeste qui est en fait le plus intéressant. La librairie Athenaeum, on la remarquerait à peine si ses vitrines, toujours remarquables, ne se chargeaient de vous attirer, de loin, parfois de vous hypnotiser quand c’est le même livre qui y est exposé, à des dizaines d’exemplaires, comme si une hydre à cent yeux en avait pris possession. Mais ce n’est pas pour cela qu’Athenaeum est devenu pour moi, depuis presque trente ans que je vis à Amsterdam, le vrai centre de la place Spui.

À la différence des autres immeubles de la place, celui-là ne m’écrase pas, comme le Maagdenhuis, ne m’intimide pas, comme le café De Zwart, ne semble pas à peine me tolérer comme le Béguinage, ne prétend pas me mépriser comme le magasin de fringues, ne me ferme pas sa porte, comme l’Église luthérienne. Athenaeum fait, très précisément, le contraire de tout cela. On y entre sans formalité, la simplicité de l’immeuble n’intimide personne, aucune administration n’y loge qui a droit de vie ou de mort sur votre carrière, personne ne vous y regarde de haut. On s’y sent chez soi, ou entre amis.

Et puis, il y a autre chose. Les autres immeubles de la place sont, pour ainsi dire, entiers, finis, définitifs : what you see is what you get. Que peut-on faire, devant eux, sinon les contempler et se sentir tout petit ? En revanche, Athenaeum est ouvert, toujours recommencé, tendu vers l’avenir : puisque ce sont des livres qu’on y trouve et qu’il suffit d’en ouvrir un pour être projeté vers l’avant, pour commencer à se transformer, pour avoir vraiment le sentiment d’exister et d’être important. Si Sartre, Foucault ou Barthes avaient vécu à Amsterdam, je sais bien où on les aurait le plus souvent rencontrés, penchés sur un livre tout juste déniché d’une étagère, le sourcil froncé, marmonnant, ayant tout à fait oublié qui ils sont pour n’être plus qu’un membre de la grande famille d’Athenaeum.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Het in Athenaeum

1 september 2016, door

Mijn belangrijkste uitgaven zijn koffie, theaterbezoek, patisserie, boeken, en als een gezelschap een stuk van me opvoert koop ik van de rechten iets bij Agnes B., op het Rokin. Dat is traditie. Inmiddels ben ik op die manier de eigenaar geworden van een paar hele dure overhemden, waarvan ik onlangs, omdat ze versleten waren, de mouwen en boorden heb afgeknipt, zodat het nu net is alsof ik ze bij Cos in de Hartenstraat heb gekocht. Gek genoeg voelen die overhemden nu pas ‘nieuw’, ik weet ook niet waarom. Misschien doordat ik ze, zoals Hegel zou zeggen, heb veranderd, en daardoor heb onderworpen aan mijn eigen wil, en zodoende heb begiftigd met een eigen leven. Of doordat ik ze, zoals Stirner zou zeggen, kapot heb gemaakt en me ze daardoor pas echt heb toegeëigend. Iets alleen maar kopen is blijkbaar niet genoeg, er moet nog iets anders mee gebeuren.

Consumeren betekent sowieso voor mij niet dat ik iets nieuws aanschaf, integendeel, het betekent dat ik probeer iets in een oude orde te herstellen. Consumeren heeft niets met ‘nieuw’ te maken. Er is eenvoudigweg een gat in mijn leven, een breuk die hersteld moet worden, en die openbaart zich telkens wanneer ik iets zie wat ik wil hebben. Wellicht komt dat doordat ik, zoals bijna heel Nederland, een koloniale achtergrond heb, waardoor ik altijd het idee heb dat leven betekent dat je iets moet terugveroveren – maar dat is misschien psychologie van de koude grond. Er moet in elk geval iets worden opgevuld. Dat gaat niet over verwennerij, want dat is niet noodzakelijk. Dat gaat over een diepere opvatting van vcomfort, namelijk niet als luxe, maar als ‘comfort-het-ooit-was’. Wanneer ik comfortabel ben, dan bevind ik mij in mijn meest natuurlijke, vanzelfsprekende en oorspronkelijke staat van zijn. Dan ben ik er.

Ik heb dat in extreme mate met boeken. Bij elk boek dat ik aanschaf denk ik ‘Ja, dit is hem, hier staat het in! Nu zal ik het te weten komen!’ terwijl ik niet zou kunnen zeggen wat dat ‘het’ dan inhoudt, wat dat ‘het’ dan is, of wat dat ‘het’ dan betekent. ‘Het’ is in ieder geval niet iets dat in het leven zelf te vinden is. Maar ‘het’ is ook niet iets nieuws, een nieuw inzicht of zo. ‘Het’ is een herinnering, iets voor-wereldlijks, iets wat ik ooit geweten heb, deel is geweest van wie ik ben, maar om de een of andere reden ben kwijtgeraakt.

Wanneer ik een boek koop en meeneem naar huis, naar binnen, en eerst op tafel en een paar dagen later in de kast zet, dan her-inner ik me, denk ik, letterlijk, dat boek, en de ideeën die erin staan. Hoop ik. Want het feit dat ik het merendeel van de boeken die ik koop nooit lees betekent dat ik ze me nooit werkelijk toe zal kunnen eigenen. Mijn leeshonger en mijn leessnelheid zijn namelijk omgekeerd evenredig.

Zodoende word ik inmiddels dagelijks verwijtend aangestaard door honderden ongelezen boeken. En elke keer voel ik me schuldiger als ik in Athenaeum kom en een nieuw boek aanwijs als de mogelijke verloren zoon of dochter die het geheim waar het me om te doen is in zich herbergt. En elke keer ben ik banger dat ik voor de mensen van Athenaeum door de mand val, als die charlatan die nooit leest wat ie koopt. Misschien blijf ik daarom zo trouw aan die winkel, en kom ik nauwelijks in Scheltema of Pantheon, terwijl ik daar wel jarenlang gewerkt heb als boekverkoper, tijdens mijn studietijd. De mensen van Athenaeum hebben namelijk iets over zich. Alsof ze je zien, alsof ze het van je weten, maar het uit beleefdheid voor zich houden. Misschien wil ik dat wel, dat ze me doorhebben. Zodat ze me op een dag op de schouder zullen tikken, een boekje in handen drukken en fluisteren: dit is hem. Hier staat het in.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Over Athenaeum: Book Lovers Paradise

20 september 2016, door

Bij de viering van vijftig jaar Athenaeum Boekhandel in de Tolhuistuin, stapte burgemeester Eberhard van der Laan als zelfbenoemde party crasher het podium op. Hij sprak over boekenhoofdstad Amsterdam, stad van vrijheid, het miezerige Spui en de fantastische activistische jaren, en besloot met de toekenning van de Jubileumpenning van de stad Amsterdam aan Athenaeum.

Dames en heren,

onlangs interviewde ons onvolprezen Parool directeur Maarten Asscher en boekverkoper Herm Pol. De laatste moet wel iets van het hart in dat interview. Hij zegt en ik citeer: ‘Het is een schande dat ze in de tram niet omroepen als je bij het Spui stopt, ‘“Boekenplaza,’’ moet die conducteur dan roepen,’ of, voegt Asscher toe, ‘Book Lovers Paradise.’

Hieruit spreekt, dames en heren, de passie die al vijftig jaar in de basis ligt van het succes van de dorpspomp van literair Nederland. Amsterdam is al eeuwenlang een boekenstad. Na de alteratie en de inname van Antwerpen door de Spanjaarden - daarover verder geen details, dat is niet het flinkste hoofdstuk uit de geschiedenis van Amsterdam - is het de boekenhoofdstad van Europa geworden.

De belangrijkste grondstof, dames en heren, voor goede boeken was hier te vinden, namelijk: vrijheid. Er was in de praktijk nauwelijks censuur en wel konden de mensen zich beklagen over een publicatie die dan al het licht moest hebben gezien. En dat gebeurde dan natuurlijk ook regelmatig, maar meestal werd er niets mee gedaan in onze stad. Ik citeer een van mijn zeventiende-eeuwse voorgangers, die zo’n klacht afwees: ‘We leven in de vrij land. Hij heeft tegen u geschreven, dan nu, schrijft u tegen hem.’

Die geest heeft al ook altijd door Athenaeum gewaard. Ook toen het nog als een uitgesproken links bolwerk bekend stond, was daar alles verkrijgbaar. Tegenwoordig wordt de leescultuur niet meer gedomineerd door politieke polarisatie. Het is de commerciële druk van internet, die soms voor verschraling van het aanbod in boekhandels dreigt te leiden, maar niet bij Athenaeum. Waar in de wereld, vind je op zo’n beperkt aantal vierkante meters, zo’n breed, internationaal en verrassend assortiment?

Dat het Spui zich heeft ontwikkeld tot een bruisend, cultureel centrum, is ook niet vanzelfsprekend. Volgens Rob van Gennep was het een ‘miezerig pleintje, dat toen nog vol stond met auto’s’. Dat gold overigens voor alle pleinen vijftig jaar geleden. Maar om Rob eer te bewijzen: Ja! Dat is helemaal veranderd. Met soms choquerende en nog vaker fraaie etalages wist Athenaeum aandacht te trekken. Soms iets te veel aandacht. Hoewel Johan Polak de provo’s nog kon afkopen, is er weleens een steen door de ruiten gegaan. Ik herinner me dat je op woensdagmiddag er móést zijn als er in het weekblad iets stond wat je allemaal wou weten, en dan ging je naar Athenaeum. Of de Bluf! in de jaren tachtig om te weten hoe de vorige kraak werd uitgelegd en de volgende werd aangekondigd. Het was fantastisch.

Maar nu is het niet meer die activistische boekhandel. Nog wel een heel gedreven en actieve boekwinkel. Jullie stonden aan de wieg van Spui25, waar nu jaarlijks meer dan tweehonderd lezingen, debatten en boekpresentaties worden gehouden. Dames en heren, we kunnen niet de hele geschiedenis noch alle verdiensten van Athenaeum oprakelen, u gaat gewoon feest vieren. Maar ik wilde u graag als trouwe klant feliciteren en mijn waardering uitspreken. U herkent het vast allemaal, er zijn boekhandels waar je als je binnenkomt, denkt ‘ik geloof dat ik nu een beetje blij moet zijn dat ik hier mag binnenkomen’, terwijl je als je bij Athenaeum binnenkomt altijd het gevoel hebt dat zíj blij zijn als je daar als klant binnenkomt.  En iets in mij zegt dat mijn voorkeur meer naar dat laatste uitgaat. Het is een academische boekhandel én een toegankelijk boekhandel. Het eert de klassieken, maar het biedt ook een podium aan de debutant, en zijn medewerkers zijn belezen maar nooit belerend. Het is een fantastische boekhandel waar wij allemaal met heel veel plezier komen. Het zijn dus eigenlijk inderdaad de booklovers. Het Book Lovers Paradise, en dat is het al vijftig jaar. Ik mag daar als burgemeester iets aan toevoegen. Het College van burgemeester en wethouders heeft besloten om u de Jubileumpenning van de stad Amsterdam toe te kennen.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Forever Athenaeum!

1 oktober 2016, door

Dit is Tom Lanoyes feestrede, uitgesproken op 15 september 2016 in de Concertzaal van de Tolhuistuin in Amsterdam-Noord bij de viering van het vijftigjarig bestaan van de Athenaeum Boekhandel.



Ik heb altijd naar Athenaeum Boekhandel gekeken zoals Nederlanders kijken naar Manhattan: ‘Als die Peter Stuyvesant wat meer kloten aan zijn lijf had gehad, en als hij die Engelsen wat fanatieker had bekampt, dan was het Nederlands op dit moment een wereldtaal geweest. Dan zouden Brad Pitt, Angelina Jolie, Morgan Freeman en Donald Trump in het Nederlands hebben gesproken.’
Zo kijk ik grosso modo ook naar Athenaeum Boekhandel. ‘Als die rot-Spanjaarden in 1585 Antwerpen niet hadden ingenomen, dan had Athenaeum Boekhandel gewoon gestaan waar hij thuishoort. In Antwerpen, naast het drukkerij-museum van Plantijn Moretus.’

Maar goed, ik sta nu hier, in Amsterdam — aan het eind zal ik echter verklappen wie hier eigenlijk in mijn plaats had moeten staan. Want niet alleen de stad, ook de feestredenaar klopt niet. Ik zal hem voor u uit de doden proberen te doen herrijzen. Zonder glazen bol of dansende tafel. Mijn stem en zijn teksten volstaan.
Maar dat is dus voor later.

De allereerste keer dat ik ooit naar Amsterdam afreisde, lang geleden al, had ik maar één doel, één heilige bestemming: Athenaeum Boekhandel. Omdat ik eindelijk gepubliceerd was in het toen beroemde tijdschrift Maatstaf. Een viertal gedichten, slechts — mijn eerste officiële publicatie. Tot dan was ik uitgever in eigen beheer.
We schrijven midden jaren tachtig. Ik spoorde naar Amsterdam, met de boemeltrein vanuit Gent. Ik ben een halve dag onderweg geweest en ik ben daarna ook nog verloren gelopen op de Zeedijk en in de buurt van de Wallen. Uiteindelijk ben ik dan toch beland in Athenaeum, vlak voor sluitingstijd. En jawel: daar lag het kleinood inderdaad te pronken! Op een stapeltje zelfs, en niet eens zo ver van de kassa vandaan. Ik haalde mijn laatste centen tevoorschijn. Ik kocht zelfs een exemplaar extra. Gewoon om de verkoop op te drijven, daar en dan. Zo belangrijk en zo bijzonder vond ik die boekentempel.
Uiteraard klopt van deze anekdote geen zak. Ik kreeg gewoon mijn vijf bewijsexemplaren met de post besteld in Gent. Maar het is wel een mooi verhaal om te vertellen. Toch? En eigenlijk heb ik nu, achteraf, nog altijd spijt dát ik indertijd niet naar Amsterdam ben gespoord. Ik had het móéten doen. Als eerbewijs.
Zij het niet aan mijn eigen eerste gedichten.

Kijk, ik sta hier op deze plek wel als schrijver, maar ik ben in de eerste plaats een devoot kind van de middenstand. Ik schaam mij daar niet voor. We hebben bakkers en beenhouwers nodig — zij fourneren de leeftocht voor het lijf. Hetzelfde geldt voor kruideniers en slijterijen.
Maar boekhandels fourneren zoveel meer. Akkoord, we hebben ook bibliotheken nodig, maar dat zijn toch meer de gaarkeukens van de geest. Boekhandels, dat zijn de leveranciers van het échte geestelijke voedsel. Ze worden gerund door verstokte delicatessendealers, in dienst van literaire junkies en hopeloze non-fictie-verslaafden.

Als fanatiekeling die verliefd is op alle warenhuizen, maar het meest van al op boekenwinkels, wil ik hier graag wat vergelijkingen trekken. Ik heb een lijstje opgesteld van de meest bijzondere boekhandels die ik in de loop der tijden heb mogen bezoeken, in alle uithoeken van onze wonderlijke planeet.

In New York, op Union Square, is er een prachtige Barnes & Noble van vijf verdiepingen hoog. Daar, gezeten in de koffiebar twee hoog, en omringd door New Yorkse boekenwurmen, heb ik actrice Abke Haring gevraagd of zij alsjeblieft voor mij en voor Guy Cassiers de bewerking wilde spelen die ik in mijn hoofd had, Hamlet versus Hamlet. Ze deed het. Tijdens de laatste herneming was ze zelfs zwanger, zodat zij de eerste in de geschiedenis werd die een zwangere Hamlet gestalte heeft gegeven.
En ik ben zodoende ook de eerste die heb mogen schrijven voor iemand die, bevrucht en wel, 'To be or not to be' heeft gezegd. Of, zoals het in mijn bewerking klonk: 'Er zijn of nie? Er is geen vraag dan die.' Allemaal vanwege één smeekbede in een boekhandel in the Big Apple.

Ten tweede is daar natuurlijk ook het wonder van Maastricht. De Dominicanen. Een voormalige kerk, nu prachtige boekhandel.
Eén nadeel. Hij ligt in Maastricht.

In Brussel heb je Tropismes. Schitterende zaak, gelegen in de Galeries Royales. Voor mijn Franstalige landgenoten betekent ze hetzelfde als Athenaeum voor Nederlanders. Maar dan zonder de rellen voor de deur en zonder dat er ooit porno is verkocht. Toch is het gevoel identiek. Je bent geen schrijver, zolang je niet in Tropismes hebt gesigneerd of daar een lezing hebt gegeven.
Toen mij dat overkwam, een viertal jaar geleden, wist ik: ‘Nu ben ik eindelijk niet langer alleen maar een Vlaamse auteur. Ik ben wat ik al zo lang had willen zijn. Een Bélgische schrijver. Onvervalst, pur et dur! Zo Belgisch als een friet.’

Dat gevoel was eigenlijk al begonnen in Namen, een jaartje daarvoor, in Papyrus. Dat is de eerste Franstalige boekhandel in België waar ik heb mogen optreden. Kleine stad, kleine zaak, grote charme. Het schattige kenmerk van Papyrus is — het is maar een kleine tip, hoor — dat de boekverkopers kleine aanbevelingen schrijven, echt een klein leesrapportje, met de hand, die ze dan met een paperclip vastmaken aan de cover van nagenoeg álle boeken.
Echt een gewéldige boekhandel. Al vraag je je af waar het personeel, na het lezen van al die boeken, ook nog de tijd vandaan haalt ze te verkopen en in te pakken.

In Mexico City werd me de adem benomen door El Péndulo. Schitterende architectuur, lekkere koffie, knappe bezoekers. Enig nadeel: het staat daar echt vól met Spaanse boeken.
Hetzelfde geldt voor El Ateneo in Buenos Aires. Maar ondanks dat manco — alleen maar Spaanse boeken — zou dit pand voor mij als theaterman de ultieme boekhandel moeten zijn. Het gaat om een heuse negentiende-eeuwse schouwburg die perfect gerestaureerd en omgebouwd is. Nog steeds veel pluche, verguldsel, koper, prachtig houtsnijwerk hier en daar. Maar toch is dat thans een boekhandel. Op het voormalige podium bevindt zich de bar, waar je kunt kletsen en yerba mate kunt drinken —Argentijnse thee. Op de parterre staan rekken met romans, alfabetisch gerangschikt. En alle loges zijn opgedeeld. Je hebt er een voor de filosofie, een voor de poëzie, een voor de fotoboeken, ga zo maar door.
En helemaal perfect natuurlijk: in de kelder bevindt zich de kinderafdeling. Ik zal niet zeggen als Belg dat ik bewondering heb voor Marc Dutroux, maar als je kinderen kunt wegmoffelen in een kelder?
Dan zou ik dat zeker niet nalaten.

Al deze boekhandels, dames en heren, komen in aanmerking voor onze diepe bewondering en ons eeuwige respect. En er bestaan er nog zoveel meer! In alle windstreken en continenten!
En toch… Stel je voor, dat er een soort Ark van Noach voor boekhandels zou worden uitgevonden… Omdat de grote cultuurdodende zondvloed er dan toch aankomt… En dat er slechts ééntje mee mag… Omdat boekhandels zich nu eenmaal niet geslachtelijk kunnen voortplanten… En omdat die Ark door de bezuinigingen op de Cultuur maar dubbel zo groot blijkt te zijn als gepland…
Dan nog, beste dames en heren, zou ik niet kiezen voor Barnes & Nobles in New York, en zelfs niet voor El Ateneo in Buenos Aires. Ik koos voor Athenaeum in Amsterdam. Omdat er geen enkele andere boekhandel is, waarbij ik, als ik er binnen kom, meteen weer dat gevoel krijg: ‘Hier gebeurt het, hier wil ik liggen!’
Athenaeum is bij uitstek de winkel waar je als auteur meteen als een gek gaat controleren: ‘Ik sta toch niet nú al in de kast? Wanneer kom ik ooit weer uit die kast? Of lig ik toch nog op een stapel? Was die stapel eergisteren even hoog of is hij vanmorgen voor de vierde keer bij gevuld? En waarom, o waarom, ligt in godsnaam zelfs hier die fucking Heleen van Royen open en bloot op tafel? Waarom liggen haar bóéken hier en niet haar tampons, die inderdaad stuk voor stuk spannender zijn dan heel haar oeuvre tezamen?’
Dat soort stream of consciousness overvalt je, zodra je één poot binnenzet in Athenaum. Je kop gaat in overdrive. Ik heb het altijd gek gevonden dat er in Amsterdam zoveel wiet en coke wordt verkocht. Stap Athenaeum binnen en je wordt higher dan van ecstasy.

Tijd om toe te werken naar het hoogtepunt. Het spiritisme dat ik u bij aanvang heb beloofd. Maar alvorens we een dode oproepen, ga ik een paar teksten voorlezen van een toekomstige dode. Mezelf.
Ik zal beginnen met een bewerking van Shakespeare — want als we iemand moeten eren op een avond als deze? Dan is het wel de Grote Bard. Het gaat om een fragmentje uit een bewerking die ik heb mogen maken van zijn War of the Roses — Ten Oorlog. Hier gaat het over koning Hendrik de Zesde, een historische figuur. In de bewerking die regisseur Luc Perceval en ik van hem hadden gemaakt leek hij meer op een alter ego van koning Boudewijn. Godsdienstwaanzinnig, aseksueel, op latere leeftijd alsnog getrouwd met een non genaamd Fabiola, iets waar wel een paar miskramen, maar geen enkel kind van kwam.
In het fragment is Hendrik piepjong, maar toch al doodernstig. Al ruim zestien is hij, maar nog elke dag zit hij van vroeg tot laat met zijn neus in een boek. Zijn zwoele tante Leonora ziet dat met lede ogen aan. Zij ziet in al dat lezen van haar neef een gevaar, een afwijking, een bedreiging van het voortbestaan van de dynastie. Zij wil dat hij trouwt met Ghislaine d'Armagnac, de rijke, wulpse dochter van een Franse hertog.
Dus tante Leonora neemt die jongen dat boek af, met zachte dwang en een vette knipoog. Het is zo'n tante die van alles met zo'n jongen zou doen. Het liefst van al hem in een kelder stoppen en hem daar eens goed vertroetelen in het halfdonker.
Dit is wat ze zegt:

'Mijn beste jongen!
Er zijn ook zaken die een boek verzwijgt.
Papier vertelt, maar kan ons niets doen voelen.
Ghislaine d'Armagnac —
De dochter van de grote Franse hertog —
Heeft lippen roder dan frambozen; handen,
Zachter dan vachten van marmotten zijn.
Haar lenig lijfje danst meer dan het wandelt.
Haar ogen glanzen groter dan amandels.
Haar stem is ambrozijn. Geen nachtkleed past
Haar beter dan haar losgeknoopte haren,
De schoonheid van haar navel brengt gehangenen
Tot leven. Heel haar huid is wit als melk.
Ze geurt zoals de zeeën in de zomer.
Geen man heeft ooit haar aangeraakt. Gekust
Is zij slechts door haar moeder en haar voedster...
Denk daaraan, jongen, als je boeken leest.
En weet: de liefde lacht met wijsbegeerte.’

En wat doet prins Hendrik? Die jongen leest voort! Hij weerstaat zijn tante en hij neemt zijn boeken opnieuw ter hand. Waarom?
Hij kocht ze bij Athenaeum. 
Daar kan geen tante tegenop.

Het vuurpeloton’, dan.
Het is een van mijn oudste gedichten.

'Vandaag gaan we het hebben over de kat.
Meer bepaald: die van Fernand Schietegat. Dat
rotbeest is al dagen zoek, mijnheer
Fernand staat 's nachts in zijn onderbroek
haar naam te roepen in de tuin, en
houdt de illusie van gezelschap hoog
door zelf te pissen in de kattebak.

Al die heibel om een ouwe zieke kat,

begrijpt ú dat? Dat zo'n dier niet
schrijven moet, en gewoon maar doet
waar het zin in heeft. Maar dat het,
net zo goed als ik, na afloop
zeggen kan: ik heb geleefd. Al
wordt het platgereden of door
duivenmelkers omgebracht. Waarom

heb ik mijzelf tot schrijven

geprogrammeerd, terwijl ik weet dat het
me afleert om te leven? Ik kan mij niet meer
geven, aan niets of niemand, of ik zit
mezelf over mijn eigen schouder te
observeren, op zoek naar een groot
literair verband. Daartegen is geen méns
bestand, het is jezelf executeren.

Je gaat alleen niet dood.

Maar niet getreurd, pennevoerders,
tikmachinebroeder, zuster Ganzeveer!
Wij hebben meer dan negen levens en
er wordt op ons gewacht, door het
publiek, de critici, het nageslacht...
Wij moeten 100.000 boeken schrijven,
met z'n allen, en om ter dunst. Ik wou

dat ik geloven kon in kunst.'

Zo. En dan nu over naar het spiritisme. Zoals ik al zei aan het begin: niet ik had hier moeten staan, maar iemand die daar meer recht op heeft. Iemand die we geweldig missen. Zoals we ook Michaël Zeeman al zovele jaren missen. In den lijve en in het steeds hysterischer wordende maatschappelijke debat. Hoe graag had ik daarin die rustgevende stentorstem gehoord. Toebehorend aan een berg van een vent die Zeeman heette.
Vanavond had hier nog een heel andere stem moeten weerklinken. Die van een bibliofiel par excellence. Een biblioseksueel pur sang. Gerrit Komrij.

Ik heb hem de eerste keer mogen aanschouwen in Gent. Ik heb daarover geschreven in mijn laatste essayboek, Revue Lanoye, dat nog altijd verkrijgbaar is bij de betere boekhandel. Ik wilde dat feit daarnet nog gauw even gaan controleren, bij Athenaeum zelf. Maar sommige mensen hebben het geluk dat ze op hun knieën kunnen gaan zitten om, alfabetisch gesproken, hun naam en hun werken meteen terug te vinden. Ik — gezien mijn bescheiden lengte en de hemelhoge plek waar de letter L zich bevindt — kan ik zelfs niet bij benadering controleren of mijn boeken bij Athenaeum zelfs maar in de kast staan.

Het allereerste woord dat ik live uit de mond van Gerrit Komrij mocht horen, tekende hem ten voeten uit. Het was in De Bron in Gent, een even bescheiden als kortstondig kunstproject van Guido Lauwaert, opnieuw ergens in de jaren tachtig. Gerrit maakte een geweldige indruk op me, reeds met dat ene woord.
Eerst had een ietwat oudere actrice verschrikkelijk lang piano gespeeld. Ze had er zelfs bij gezongen. Daarna duurde het nog een paar minuten vooraleer Gerrit uit de fauteuil waarin hij zat weggedoken was opgestaan en naar bij de microfoon was geschreden. En toen zei hij dat eerste woord, live.
'Po-e-ziee-eee…'
Dat duurde op zich weer vijf seconden. In zeker drie toonaarden en vijf octaven. Wie hem ooit hoorde voordragen, weet wat ik bedoel. O Grote Gerrit! De zwaartekracht had al even weinig vat op jouw gedachten als op je stembanden.

Om hem te eren, samen met alles wat ik van hem geleerd heb — en wát dat precies is, moet u zelf maar lezen; Revue Lanoye bevat een driedubbele lofrede en afscheidszang — zal ik, met zijn eigenste stem, voorlezen uit zijn bundel Onherstelbaar verbeterd.
Ik wil me meer bepaald vergrijpen aan zijn parodie op het beroemde gedicht van Willem Kloos, ‘Ik ween om bloemen in de knop gebroken’.
Bij Gerrit Komrij klinkt dat zo:

'Ik ween om priesters, in een jurk gestoken,
Terwijl de godsvrucht groeit in hun orgaan,
Ik ween om eikels, die steeds zijn ontstoken,
En om hun hand die op en neer moet gaan,

Hij komt, en zie—hij heeft hem alweer staan...
Hij rukt zich blauw voor tien, onafgebroken:
Dan valt hij roerloos slap, die korte haan,
In de eeuwige schaduw van zijn pij gedoken:

Zo als een vogel in de stille nacht
Opeens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,

Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
In 't bruine paardehaar wat 't kwakje bracht.'

Dat was een eresaluut voor Gerrit. Maar beste Maarten, ik sta hier natuurlijk ook voor jou. Wij hebben elkaar jaren geleden, ook in Gent, voor het eerst ontmoet bij een debatavond tussen verschillende studentenclubs.
Toen ik vele jaren later het Boekenweekgeschenk mocht schrijven en uitventen in heel Nederland en Vlaanderen, heb ik me voor de eerste en enige keer de Lady Gaga van de Lage Landen mogen voelen. Die Never Ending Boekentoer begon, hoe kan het ook anders, bij jullie op het Spui. Het begon zelfs met het hijsen van een vlag. Daar had jij voor gezorgd. En was zelfs een rode loper en, tenzij mijn geheugen mij helemaal bedriegt, een kleine militaire kapel.
Toen had ik al de inclinatie om te doen wat ik uit schroom achterwege liet, maar wat ik nu van harte toch ga doen. Salueren.

Niets of niemand houd mij vanavond tegen, zelfs ikzelf niet. Beste Maarten? At your service!
Wij allemaal zeggen dat. Het hele schrijvende gilde. En we gillen dat niet alleen ter ere van jou, maar ook van al je medewerkers en vooral van al je klanten: Forever Athenaeum!
At your service! Tot het einde van de tijden!

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Het uitstervend genoegen te verdwalen

1 november 2016, door


Het herfstlicht wordt gefilterd door de oude bomen op het Spui. Zo nu en dan stoppen voorbijgangers om de etalage van Athenaeum te inspecteren, zoals men de koppen van een krant scant: om snel weer op de hoogte te zijn van wat er in de wereld gebeurt. Nu snel naar binnen, onder de rood-witte luifel door - niet links, waar zich het Athenaeum Nieuwscentrum bevindt, maar bij de boekhandel zelf, op de rechterhoek. Binnen heeft iemand een paar schoenen achtergelaten in een hoekje. Een man in een zwart fluwelen jasje komt een trap af, zijn bril aan één poot tussen zijn lippen geklemd. De zachte stemmen van de klanten. Een oudere heer zit op een krukje, bladert ernstig door de poëziecollectie. Geluiden van buiten dringen tot de winkel door: we horen het Italiaans van een groepje toeristen, af en toe het gerinkel van de passerende trams.
Hoewel de vloeroppervlakte niet bijzonder groot is en de indeling overzichtelijk, houd ik hier de indruk van een labyrint, het uitstervend genoegen te verdwalen. Er zijn houten trappetjes en onderdoorgangen en de afzonderlijke thema's hebben losse ruimtes, zodat elke lezer voor even een room of one's own kan claimen en niemand zich bekeken voelt. Hoe heeft men in deze winkel zoveel wereld weten te krijgen?
Het is onmogelijk hier rond te lopen zonder te worden verleid; alleen al het geslenter langs de boekenkasten doet nieuwe paden in mijn hoofd ontstaan. Zelfs wanneer ik hier kom met het vaste voornemen om niets te kopen, springen de titels op mij af. Vandaag is het een boek dat van de eerste tot de 517ste pagina uit één enkele zin bestaat, dat ik niet kan laten liggen.
'Waar heb je de freules gelaten, de strijdbare freules?' vraagt een verkoopster aan de andere. Een vertrekkende klant neemt afscheid als een oude vriend. Een studente verkent de sectie 'Urban Affairs'. Vlak bij elkaar vindt men hier boeken over de culturele betekenis van bergen, over fractals en sterfelijkheid en witte onschuld. Mijn eerste filosofieboek kocht ik hier; het was een eer dat, jaren later, Boy in deze boekhandel gepresenteerd werd.
Verder naar binnen, langs de grote oude schoolkaart die 'Das klassische Griechenland' toont, omhoog richting de talen: Duits, Frans, Spaans en Italiaans - het Engels heeft zijn eigen nis, beneden. Een oude dame jubelt tegen de medewerkster over het boek dat ze zojuist gevonden heeft: 'Ik ben hier zo blij mee, het doet precies wat mij raakt, mijn hele zaterdag is goed.' En de medewerkster vertelt haar eigen verhaal: hoe ze eind jaren zestig bij een grote boekhandelketen begon, maar steeds bij Athenaeum in de etalage keek wat zij verkochten, om die boeken vervolgens voor haar eigen klanten te bestellen. 'En dat waren de boeken die mensen wilden lezen!' Ze zegt: 'Dat is waarom ik hier zo graag werk, waarom het zo fijn is dat je die vrijheid hebt; omdat je weet hoe het is in de gevangenis te zitten.'
En de dwalende lezer staart door het raam van de boekhandel naar buiten, naar de mensen aan de overkant van het trottoir, die met een glas bier in hun hand op het terras hangen; en prijst zich gelukkig hier binnen, zoekend te zijn.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Vijfentwintig jaar Athenaeum Boekhandel Literaire duiventil en dorpspomp

1 december 2016, door

Vandaag schrijft Tracy Metz in de jubileumreeks over Athenaeum als haar geboorteplaats. Bij gelegenheid daarvan hernemen we haar stuk in NRC Handelsblad van 27 mei 1991, over het vijfentwintigjarig bestaan van de boekhandel.

De oprichters van Athenaeum, Johan Polak en Rob van Gennep, hadden al vier jaar samen met Jaap Jansen een eigen uitgeverij toen ze in 1966 besloten een boekhandel te beginnen. Over de vraag wie de auctor intellectualis was, verschillen de lezingen, maar in ieder geval was het voor hen duidelijk dat de chique, wat stoffige Amsterdamse boekhandels in die woelige tijden van Provo en happenings op het Spui, achterhaald waren. ‘In Londen waren er toen een paar boekwinkels met krantjes, vlugschriften, posters: heel informeel, maar een mooie boekenvoorraad’, vertelt Van Gennep. ‘Ik dacht: ook al maakt de uitgeverij nog verlies, we moeten iets doen met de opkomende jongerencultuur. Niet zozeer links als wel een plek waar je bijvoorbeeld de underground comics uit Amerika kon krijgen, het manifest van Nieuw Links Tien over Rood, de nieuwste pamfletten van D66.’ ‘We gingen overal achteraan, het was een erezaak om het allernieuwste te hebben’, zegt Jan Meng, die er vanaf 1969 werkte, eerst in het Nieuwscentrum en tot vorig jaar in de boekhandel. ‘We haalden niet alleen bladen als Ramparts en Rolling Stone in huis, maar ook Zap Comix, de Furry Freak Brothers, songbooks van Dylan en Donovan en posters met seks en politiek in day-glo inkt erop, 6oo//eg-platen uit Amerika. Een cowboy-tijd! Ondertussen zorgde Johan voor de basis: Mann, Musil, Purdy, Isherwood...’

In 1966 vereiste het een vooruitziende blik om in het Spui een potentiële toplocatie te zien. ‘Het was een miezerig pleintje’, vertelt Van Gennep. ‘De cafés Hoppe en Zwart waren lang niet zo populair als nu. Rondom het Lieverdje was er een heel klein stukje sierbestrating, maar verder heeft het de eerste vier jaar volgestaan met auto's.’ Toch kozen ze bij het vertrek van galerie Karbargeboer, die in zigeunermeisjes en heidelandschappen deed, voor deze plek in de stad. Architecten Wiek Röling en Jean-Patrice Girod verbouwden de benedenruimtes tot boekwinkel; boven kwamen woningen voor het personeel. Amsterdam had een nieuw hart gekregen, een 'magisch centrum'. De onhandige hoge ramen werden niet alleen etalage, maar ook podia: een voor de nieuwste boeken, een voor een actueel thema. Roemrucht is nog altijd de etalage die bij de verschijning van een kinderboek van Joost Roelofsz met tien cavia's werd 'ingericht'. ‘Hebben die cavia's soms een boek geschreven?’ schijnt Rob van Gennep te hebben geroepen. Kennelijk verdroegen de cavia's het boekwezen niet, want toen de etalage opnieuw moest worden ingericht bleek de helft dood. In 1969 werd de pennenwinkel ernaast het Nieuwscentrum, naar het voorbeeld van de AKO-winkel van Ko van Leest in de Reguliersbreestraat. Van Leest — ‘Ik heb het meeste geleerd van groentewinkels’ — doorbrak de stijfheid van de traditionele boekwinkel en stalde het aanbod uit in kisten op de stoep. Van Leest stond een echt journalistiek brandpunt voor ogen: zelf gaf hij met een microfoon een paar keer per dag commentaar op het laatste nieuws en hij haalde Henk van Stipriaan binnen met zijn radioprogramma Vara's Spitsuur, een traditie die de rebelse Radio Stad jaren later opnieuw oppikte. Beneden was er een leestafel en in het begin stonden er tikmachines voor journalisten om nog snel de laatste editie te kunnen halen, maar die werden al snel ontvreemd.

Het Nieuwscentrum werd de thuisbasis van het 'nietjesproletariaat' en zelfs verkiezingscentrum van de Kabouters, die daadwerkelijk drie zetels in de Amsterdamse gemeenteraad veroverden. Dat links-liberale beginsel dat alles er te koop moest zijn, is in de loop van de tijd diverse belangengroepen in het verkeerde keelgat geschoten. Zo sleurden feministes de stapel Playboys demonstratief de zaak uit en de gracht in; leden van een pro-Israel-groepering hebben eens het Nieuwscentrum met een brandblusser volgespoten uit protest tegen de verkoop van het Palestina Bulletin. Ook de politie hield Athenaeum in het oog, zoals bleek uit de inbeslagneming van het Anarchistisch Kookboek wegens een recept voor bommen. De vrijheid van meningsuiting werd echter niet tot elke prijs doorgedreven. Culinair publicist Johannes van Dam, die begin jaren zeventig bij Athenaeum op de 'vloer' werkte, herinnert zich een confrontatie over een poster van de 'metro-rat', die met een slopersbal aan zijn staart de weg vrijmaakte voor de omstreden metro. ‘Ineens stond er een ploeg metro-arbeiders in de winkel die alles kort en klein zouden slaan als die poster niet werd weggehaald. Ik was dat absoluut niet van plan, maar op dat moment kwam Johan binnen en liet de poster direct weghalen.’ Het meest recente incident was in 1982, toen de boekhandels Athenaeum en Van Gennep door Onkruit gestolen papieren van het Provinciaal Militair Commando te koop aanboden. Athenaeum-directeur Guus Schut en Rob van Gennep hebben de nacht in de cel doorgebracht op verdenking van heling en openbaarmaking van staatsgeheimen.

Al vóór de opening van Athenaeum waren de politieke tegenstellingen tussen Polak en Van Gennep zich gaan manifesteren. Polak wilde bijvoorbeeld niet dat er op de schildersstellages werd geklommen om foto's te maken van de Provo-happenings. Veel ergerlijker waren de 'Van Gennepadepten' die met speldjes van Mao rondliepen.

‘Ik vond de ontwikkeling in communistische richting die Rob nam erg vervelend’, zegt Polak nu. ‘Zelf heb ik een gruwelijke hekel aan het communisme. Bovendien hoort daarbij dat je mensen zo nors mogelijk bejegent. Maar de klant komt niet naar de boekwinkel om te worden geïndoctrineerd.’ Een groot deel van het personeel is toen verdwenen in wat de geschiedenis is ingegaan als De Maoïstische Coup , hoewel Van Gennep naar eigen zeggen nooit communist is geweest. Bij dezelfde linkse ideologie hoorde het maken van zo weinig mogelijk winst. De eerste zeven of acht jaar leed Athenaeum dan ook verlies; nog altijd spreken alle betrokkenen met be- en verwondering over het feit dat Johan Polak de boekhandel maar bleef financieren. ‘Alle beginnende boekwinkels lijden verlies’, zegt Van Gennep, ‘maar dit duurde wel lang. Ik denk dat er soms wat gemakkelijk met Johans geld werd omgegaan.’ Die mentaliteit werkte wellicht door op de klanten. De gerenommeerde vertaler Peter Verstegen bijvoorbeeld was verontwaardigd toen bleek dat het Nieuwscentrum een deel van de opbrengst wilde van zijn Zwartboek voor vertalers'. Dus ging Verstegen zelf maar voor het Nieuwscentrum staan om het uit te venten, met als cryptische slogan 'De taxichauffeurs staan achter de vertalers'.

Binnen tweeënhalf jaar hadden de interne politieke tegenstellingen zich zo toegespitst dat Polak en Van Gennep in 1968 besloten ieder huns weegs te gaan; in 1969 opende Van Gennep zijn eigen politiek georiënteerde winkel in de Nes. ‘Ik was begonnen met de Kritiese Biblioteek, waar Johan niet zo veel mee op had. En terwijl het Dagboek van Che Guevara — dat we met z'n achten in drie dagen tijd hebben vertaald — met duizenden werd verkocht ging de opbrengst zitten in het verzameld werk van P.C. Boutens, waarmee ik als vertegenwoordiger van onze uitgeverij langs de boekhandels moest. Ook dat nog.’ Van Gennep kan Polak niet genoeg prijzen voor de coulante financiële afwikkeling van hun scheiding. Ook het personeel plukt nog steeds de vruchten van zijn generositeit: in 1976 schonk hij zeventig procent van de aandelen aan de Stichting Personeelsfonds Athenaeum Boekhandel. Statutair doel van de stichting: ‘het bevorderen van de geestelijke en materiële belangen’ van de werknemers, 'mijn kinderen' zoals Polak ze nog altijd noemt.

De eerste Athenaeum-boekhandel was in feite niet op het Spui maar op de Van Woustraat, in de voormalige boekwinkel van Bea en Wim Polak, later wethouder van Amsterdam. Pas enkele maanden later ging de zaak op het Spui open. Er zijn ook filialen in de Amsterdamse Banstraat en zelfs in Maastricht geweest, maar dat duurde niet lang. Wel is drie jaar geleden een tweede winkel in Haarlem opgericht. Inmiddels bedraagt de omzet van de twee boekwinkels en het Nieuwscentrum tien miljoen gulden per jaar. Directeur Guus Schut: ‘Wat omzet betreft zitten we tussen servet en tafellaken in: de grote concerns zetten via hun boekwinkels natuurlijk veel meer om. Maar Athenaeum is een van de zeer weinige boekhandels die volstrekt onafhankelijk zijn van welke aankoopcombinatie of welk uitgeversconcern ook. De laatste der Mohikanen. Dat geeft iets strijdbaars.’ Het werken bij Athenaeum was — en is voor sommigen nog steeds — dan ook niet zo maar een baan, maar een roeping. ‘Veel mensen hebben zich uit de naad gewerkt voor het idee van Athenaeum’, zegt Jan Meng. ‘We wisten dat daar iets fantastisch gebeurde. Iedereen wilde er zijn, erbij zijn. We leefden in de winkel en sommigen, onder wie ik, woonden erboven.’ Als werknemer trad je dus toe tot een coterie, een soort literair complot. Anton de Goede, die er vijf jaar als boekverkoper werkte, weet nog hoe geïmponeerd hij was dat hij aan één tafel zat met de flamboyante uitgever Geert van Oorschot die zijn nieuwe titels kwam aanbieden. Van Oorschot — hoed, vlinderdas, sigaar — wist zijn status als legende uit te buiten en splitste Athenaeum honderd sets van het verzameld werk van Couperus in de maag. ‘Zes jaar heeft het gekost om ze — met flinke korting — kwijt te raken.’

Nog altijd werkt de helft van de dertig personeelsleden er langer dan tien jaar. Toen Jan Meng vorig jaar vertrok ging zijn eretitel 'Mister Athenaeum' over op Jacques Asselman, eveneens van het eerste uur. Asselman is behalve om zijn brede kennis en uitgaven in eigen beheer, ook bekend om de katholieke missen die hij in zijn woning boven de winkel houdt, met zichzelf in de rol van priester. De wetenschap tot de uitverkorenen te behoren, kan echter hautain overkomen. In uitgeverskringen valt de kritiek te beluisteren dat Athenaeum door een zekere zelfgenoegzaamheid wordt bedreigd. 'Als ik mijn nieuwe titels kom aanbieden word ik niet meer met enthousiasme en commentaar begroet, maar met een zweem van vermoeidheid', is de teneur van de opmerkingen die zij overigens alleen op voorwaarde van anonimiteit willen prijsgeven. Evenmin stellen alle klanten het op prijs dat hun naam door de zaak schalt zodra ze over de drempel stappen. Anton de Goede herinnert zich een auteur die twee exemplaren van zijn eigen boek kocht en aan de kassa te horen kreeg: ‘Is die uitgever van u zo krenterig dat u uw eigen boek moet kópen?’ Meer dan één Bekende Nederlander heeft machteloos moeten toezien hoe een praatje met een boekverkoper abrupt werd beëindigd omdat er een Nog Bekendere Nederlander binnenkwam. ‘Ook ik heb me schuldig gemaakt aan roddel en star-spotting'’, geeft De Goede toe. ‘Maar laten we wel wezen, het is toch spannend om te zien dat Renate Rubinstein en Jaap van Heerden elkaar bij de kassa treffen als haar boek over hem net uit is?’

Athenaeum, een inburgeringscursus

1 december 2016, door

Ik ben in Athenaeum Boekhandel geboren. Of beter gezegd: herboren. Als Nederlander.

Al snel nadat ik als gelukszoeker aan de Nederlandse kust was aangespoeld ontdekte ik dat Athenaeum het kloppend hart van de hoofdstad was. Daar lagen de ideeën hoog opgetast en daar kwamen mensen die in die ideeën geïnteresseerd waren. Het duurde nooit lang voordat die ideeën verder bediscussieerd werden bij een biertje in café De Zwart – nooit bij Hoppe, dat was voor platte reclamejongens. Niet alleen de boekhandel nam een voorname plaats in in het intellectuele leven van de hoofdstad, ook het plein bleek het toneel te zijn geweest van roemruchte schermutselingen van Provo’s met de autoriteiten.

Het moest me allemaal worden uitgelegd, want ik wist van niks, en ik worstelde met de taal, en Provo was van vóór mijn tijd. Maar door de boeken en de kranten en de gesprekken die zich er ontsponnen, ook in het café, kreeg ik gaandeweg het gevoel ergens een beetje bij te horen. Tegenwoordig zouden we dat een community noemen. Ik begon me een beginnende Nederlander te voelen. Achteraf besefte ik dat al die verhalen die ik daar hoorde - over auteurs, literaire beroemdheden, de Nederlandse politiek – tezamen mijn inburgeringscursus waren. Mijn diploma voor die cursus was het grote stuk dat ik in 1991 voor NRC schreef over de boekwinkel die toen (nog maar) 25 jaar bestond. Het was een rijke geschiedenis vol anekdotes over protest en verzet, over het nietjesproletariaat en Onkruit, over De Maoïstische Coup en de Kabouters. Ik had het al aangevoeld: dit was het kloppend hart van de stad.

Al eerder had ik er ook op andere vlakken handige survival-tips meegekregen. Boekverkoper Hans Hartsuiker heeft me een eeuwige dienst bewezen door me erop te wijzen dat ik niet van alle zelfstandige naamwoorden verkleinwoorden moest maken. Dat doen wij buitenlanders omdat het volkomen onmogelijk is om aan een Nederlands woord te zien of het ‘de’ of ‘het’ is. De ontsnapping is het verkleinwoord, want dat is altijd ‘het’. Wel zo makkelijk, maar te makkelijk vond Hans, en bovendien kwam het meisjesachtig over. Oei. Meisjesachtig. Als ik iets niet wilde zijn was het dat.

Athenaeum was ook dé plek voor roddel en starspotting. Als beginnend verslaggever bij Het Parool stond ik ineens aan de kassa naast Lien Heyting. Lien Heyting! NRC! De droom… De boekhandel was natuurlijk ook het literaire walhalla waar bruisende signeersessies werden gehouden. Daar móest je bij zijn. Een van de eerste boeken die ik ooit in het Nederlands heb gelezen was Een roos van vlees van Jan Wolkers. Dus toen Wolkers begin jaren tachtig een nieuw boek kwam signeren, ben ik ook in de rij gaan staan. Maar het duurde me te lang, en ik ben zonder handtekening vertrokken. Heb ik nog altijd spijt van.

Een andere veelbesproken signeersessie, ook rond die tijd, heeft juist nooit plaatsgevonden. V.S. Naipaul bezocht in 1982 Nederland en ik was er voor Het Parool bij. Hij zou ’s middags bij de PEN zijn en daarna signeren bij Athenaeum. Maar bij de PEN ontstond er ruzie over racistische uitlatingen die hij de dag ervoor had gedaan. Hij ontstak in woede en vertrok. Ik liep met hem op – heel Hollands, met de fiets aan de hand - en probeerde hem toch naar de boekhandel te laten afbuigen. Maar niets hielp. Hij ging linea recta naar zijn hotel, pakte zijn spullen en liet Nederland voor wat het was. Boven mijn stuk stond de kop ‘Naipaul kwam, werd kwaad en verdween’.

Hoogtepunten in mijn verhouding met Athenaeum waren de etalages die ik – met grote dank aan Herm Pol - over mijn eigen boeken mocht maken. Mijn allereerste boek was IJsvermaak, een bloemlezing voor Nijgh & Van Ditmar uit mijn verzameling reisverslagen over de Noord- en de Zuidpool. We gingen uit ons dak: van een verhuurbedrijf voor opgezette dieren liet ik een stel koningspinguïns komen, en met doeken en een nietpistool vouwde Herm er kunstige ijsschotsen omheen. Elke dag ging ik kijken.

Nu ben ik behalve klant, ook partner: het John Adams Institute en Athenaeum werken regelmatig samen. Athenaeum verzorgt de boekverkoop bij onze events, soms organiseren we samen iets, en onze boekenclub komt in de winkel bijeen. Ik zie de liefde niet meer over gaan.

Athenaeum Boekhandel, sinds 1966. Al 50 jaar onafhankelijk

Sprongen

1 januari 2017, door

De Athenaeum Boekhandel van drie jaar geleden is nog steeds te bezoeken. Op Google Maps kan je door het interieur heenlopen, en door de thrillers (nu de Young Adult) stappen om opeens tussen de politicologie te staan. Via de woordenboeken kom je op het kunstboekenbalkon. Zulke mysterieuze sprongen doen de wegvallende schuifdeur achter het bureau op de eerste verdieping verpieteren tot een flauw decorstuk, in een fantastische roman: was het niet onze boekhandelsbiograaf Joris van Casteren die zei al altijd het idee te hebben dat er 'naar je gefluisterd wordt vanuit de ruggen van de boeken'? Het is waar en het is niet waar. Sinds het verschijnen van Harry Potter and the Deathly Hallows in 2007 zijn steeds meer boekenkasten bij Athenaeum vervangen door dreuzelplanken, en moeten we weer gewoon omlopen en deuren gebruiken. De boekhandel is het internet niet, met links als toverspreuken. Maar wie die sprongen ruimer neemt - in tijd en ruimte, van schoonheid naar waarheid, van persoonlijk naar universeel, intiem naar maatschappelijk - ziet ze in proza en essay, poëzie en monografie, en onzichtbaar de verbindingen binnen de boekhandel bepalen. Een wandeling.

De smokkelroute dus: Nederlandse literatuur in vertaling - Sociologie. We laten Gerard Reves The Evenings, Gustaaf Peeks Göttin und Held, Christine Ottens The Last Poets, Annelies Verbekes Thirty Days en Stefan Hertmans' War and Turpentine (one of New York Times Notable 10 Books) links liggen. We nemen een trapje naar beneden, naar een lage kelder met de afhaalkast waar het aanbod de vraag volgt: de enige kast in het pand die gealfabetiseerd is op klantennaam.* Dit was ooit de Sala de tortura. Er staan dozen met uitverkoop en dozen met Peters Zeurkalenders en dozen voor grote verkopen bij evenementen. Kasten met boeken die terug naar de uitgeverij moeten. Er staat een computer.

 

Nu bukken. Rechts is een rechthoekige, te lage doorgang naar de bellettriekelder, waar de voorraad staat voor Klassieken, Kookboeken, Kunst en Literatuur: stapels aanbod in afwachting van vraag een verdieping hoger. De stapels literatuur staan recht onder de ingang van de winkel. Niets herinnert meer aan de desastreuze Koninginnedag dat de brievenbus niet afgeplakt, en de feesturine doorgedruppeld was en we boeken moesten afschrijven. Maar sinds ik het weet, ruik ik het.
Terug naar de afhaalkelder. Links is de deur naar de brandgang. We slaan hem links in, en zouden via de expeditie een rondje terug kunnen maken naar de kookboeken, maar we nemen de deur aan de rechterkant. De seriaalkelder, waar de voorraad voor de Sociale Wetenschappen, Filosofie en Geschiedenis staat. Wij nemen direct de trap naar boven, waaronder de industriële rollen rood-wit en grote pakken inpakpapier met logo staan, om door de witte saloondeurtjes tussen de kasten Sociologie, Antropologie, Azië, Afrika en Wetenschap terecht te komen.

In dit labyrint verdwalen we niet meer. Het is een doelgerichte wandeling, meestal voortgestuwd door de coördinaten op een rood kaartje - de naam van een klant, een auteur, of een lijstje met titels - of de stapel in je handen. Een boekverkoper rust niet. Anna, Elly, Emilie, Helen, Herm, Joop, Maartje, Marjolein, Renée, Roel, Ruth en soms Joubert corresponderen met uitgeverijen en klanten achter de computer, ze overleggen onderling en met de bestelafdeling, ze bladeren door de aanbiedingsfolders, ze vullen de kasten en displays aan, ze leggen en zetten alles recht. (Dat rechtzetten is me tien jaar geleden zo goed geleerd dat ik het ook bij andere boekhandels doe.) Alleen bij de kassa slaan ze soms een bladzijde om terwijl ze waken over deur en clientèle. Maar dan komt er een vraag, ze wijzen de richting, ze geven een tip, ze slaan een boek aan, ze pakken in, ze groeten.

Boekverkopers lezen thuis.

Geen magie. Ook in de catacomben en de kantoren ontmoet je spook noch tovenaar. Er zijn geen gruzelementen of rijkdommen. De excentriekste boekverkopers zijn overleden, hun geschiedenissen zijn opgetekend, hun geesten zijn tot rust gebracht. Joris van Casteren: 'Tegenwoordig is Athenaeum een gewone boekhandel.' Het is waar, en het is niet waar. Want de kasten worden nog steeds door persoonlijkheden bestierd, hun keuzes wijken nog steeds flink af van de Bestseller60, ze bieden curated off-line retail. Zelfs de NRC-toptien, waarvoor een selectie 'kwaliteitsboekhandels' elke maandag een lijstje inlevert, wijkt af van die van Athenaeum. Onze lijst is iets vrouwelijker en internationaler: onze bestsellers Chimamanda Ngozi Adichie, Leïla Slimani (Prix Gouncourt 2016) en Zadie Smith haalden de afgelopen weken de gecombineerde lijst niet. Gloria Wekkers White Innocence, een uitgave van een Amerikaanse universiteitsuitgeverij, zweefde het afgelopen halfjaar tussen plaats 15 en 5 in onze lijst met bestverkochte titels, maar kwam niet in NRC.

We steken door. Nieuwscentrum - Bellettrie - Politiek. 'Maar de dingen zijn nooit zo simpel. Ik hoor woorden, uit de monden van kinderen, die onderdeel zijn van een complex weefsel van verhaallijnen. Ze worden uitgesproken met aarzeling, soms met wantrouwen, altijd met angst. Ik transformeer ze tot geschreven woorden, beknopte zinnen en kale termen. De kinderverhalen zijn altijd te veel verhaspeld, gestameld en versplinterd om er nog een lopend verhaal van te maken. Het probleem met hun verhalen is dat ze geen begin, geen midden en geen einde hebben,' schreef Valeria Luiselli in haar essay 'Vertel me het einde' in De Gids, dat later uitgebreid in Freeman's verscheen. Zo verbindt ze de reis naar het westen van de Verenigde Staten die ze met haar man en kinderen maakte met die van de minderjarige vluchtelingen uit Midden-Amerika en de vragen die zulke vluchtelingen moeten beantwoorden. Het essay zou een roman worden, maar het werd vooral een groter, een sprong naar een essay in boekvorm, Los niños perdidos, en weinig boeken lijken actueler bij het aanstaande presidentschap van Donald Trump.

Maar Geert Maks De levens van Jan Six [leesfragment | recensie] is onze onbetwiste 'bestseller' van 2016. Tussen zijn meer mainstream kwaliteit en de maatschappelijke kanttekeningen laveert het Athenaeum van nu. Volkswoede maakt geen straatstenen meer los op het Spui, maar kleurt wel de boekentafels en tijdschriftenrekken, analytischer, afstandelijker. Bernie Sanders' Our Revolution: A Future To Believe In lag rond verkiezingsdag naast studies van de verarmde witte Amerikaan van Hochschild, Packer, Putnam. In het Nieuwscentrum bloeien LGBT-tijdschriften. Misschien is dat liberal, elitair. Misschien is de drempel nog te hoog...

 

... en toch worden we nog wel toegankelijk genoemd, een inburgeringscursus, een thuis. Het is waar, en niet waar. Zoals het Spui meer geschiedenis en sfeer heeft dan de gemiddelde koopgoot, zo is Athenaeum meer dan een doorloopwinkel. De toptienen en persoonlijke tips duiken af en toe op Athenaeum.nl op, maar in de winkel heerst het vertrouwen in de verrassing, serendipiteit, en in selectie. We zijn niet egalitair. We zijn evenmin een ideale afspiegeling van de samenleving: we zijn vooral wit, en hoewel we met meer vrouwen dan mannen werken, staan er meer mannen dan vrouwen in de kasten.
Kijk naar onze jubileumuitgaven: Konstantin Paustovski, Terry Eagleton, Michel de Montaigne, Nescio [mijn recensie | leesfragment].
Kijk naar de schrijvers voor : meer mannen dan vrouwen zegden toe.

Ik, een witte man, sluit die reeks af, niet boos, maar hoopvol. Vandaag is de dag om vooruit te kijken, voornemens te formuleren. In 2016 ontmoette ik Valeria Luiselli en Teju Cole, in de winkel en bij Spui25. Ik hoop dat zij bij het honderdjarig bestaan voor een jubileumuitgave tekenen. Een Nederlandse stem zou die van Niña Weijers (in haar debuut zakt de hoofdpersoon bij wijze van sprong door het ijs) of Roos van Rijswijk of Wytske Versteeg kunnen zijn. Een bijgewerkte boekhandelsgeschiedenis duikt verder de catacomben in, en laat zien hoe boeken en tijdschriften een verzet tegen oppervlakkigheid, bullshit en nepnieuws kunnen bieden. Hoe boekhandels gewoon kunnen blijven, en daardoor iets magisch behouden.

* Tenzij je natuurlijk Maarten Asschers redenering volgt dat Athenaeum er in de eerste plaats voor de schrijvers is, dat zij de voornaamste klanten zijn. (terug)

Wil je van je bestaande account gebruikmaken op onze nieuwe website? Je behoudt dan onder meer je bestelgeschiedenis, reeds aangeschafte e-books en je persoonlijke verlanglijst. Als je toestemming geeft krijg je direct een mail om een nieuw wachtwoord in te stellen.

Voer een geldig e-mailadres in

Hostname: pro-mbooks2